< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Zware mishandeling met voorbedachte raad. Verdachte heeft in PI ovenreiniger in in ogen van medegedetineerde gegooid, waardoor deze aan één oog blind is geraakt en aan het andere oog slechtziend is geworden. Volgt oplegging vijf jaren gevangenisstraf, ook vanwege strafblad. Vordering tot vergoeding immateriële schade toegewezen tot € 100.000.

Uitspraak



afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004616-17

datum uitspraak: 14 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15‑800182‑17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

gedetineerd in P.I. Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 september 2018, 31 januari 2019 en 28 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht, alsook van hetgeen (schriftelijk) door de gemachtigde van de benadeelde partij te berde is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 november 2016 te Heerhugowaard tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten verlies, althans (ernstige) vermindering van het gezichtsvermogen heeft toegebracht door ovenreiniger, althans een bijtende chemische vloeistof in het gezicht en de ogen van die [slachtoffer] te gieten/gooien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Hoewel het hof zich op hoofdlijnen goed kan vinden in de in het vonnis waarvan beroep neergelegde beslissingen en de motivering daarvan, zal het vonnis worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring dan de rechtbank komt en tot andere beslissingen naar aanleiding van de vordering van de benadeelde partij.

Bewijsverweer

De raadsman heeft in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende betrouwbaar bewijsmateriaal voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijsmateriaal bestaat uit verklaringen van veroordeelde criminelen die samen op één afdeling van een penitentiaire inrichting zitten of zaten en die allemaal hun eigen belangen hebben bij de mate waarin en de manier waarop zij verklaren. Meer in het bijzonder heeft de raadsman de betrouwbaarheid bestreden van de verklaringen van:

- de aangever [slachtoffer] , door erop te wijzen dat hij aanvankelijk medegedetineerde [naam 1] heeft genoemd als een van de aanvallers, terwijl dit onjuist is gebleken, en verder, dat zijn verklaring dat de aanval ‘de hele gang is doorgegaan’ niet kan kloppen, omdat anderen hebben verklaard dat zij direct na het horen van de schreeuw van [slachtoffer] (vanwege de aanval met de ovenreiniger) zijn gaan kijken en toen alleen [slachtoffer] op de gang hebben gezien;

- de getuige [getuige 1] , door aan te voeren dat op zijn eerste, de verdachte belastende verklaring niet kan worden afgegaan, omdat de taalbarrière bij de totstandkoming van die verklaring een rol heeft gespeeld, zoals blijkt uit de door hem bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen en de toen door hem op die eerste verklaring aangebrachte nuanceringen;

- de getuige [getuige 2] , door er de aandacht op te vestigen dat hij het incident niet heeft gezien, dat hij in zijn verklaring bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat ‘ze’ [slachtoffer] zouden gaan pakken, en dat dit op hem overkwam als betrof dit ‘ze’ anderen dan de verdachte, terwijl onaannemelijk is dat de verdachte [getuige 2] zou hebben gewaarschuwd als hijzelf van plan zou zijn geweest [slachtoffer] te pakken te nemen;

- de getuige [getuige 3] , door aan te voeren dat hij als medeverdachte zichzelf ontlast door de verdachte te belasten en hij pas een inhoudelijke, de verdachte belastende, verklaring heeft afgelegd nadat het dossier gevormd was en hij zich mede aan de hand daarvan op het afleggen van die verklaring heeft kunnen voorbereiden met hulp van zijn advocaat. Wat betreft de verklaring van [getuige 3] dat de verdachte door het mes van [slachtoffer] aan zijn bovenarm is verwond, in relatie tot het ter terechtzitting in hoger beroep door het hof waargenomen litteken op de rechterbovenarm van de verdachte, waarvoor de verdachte geen verklaring kon geven, heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte kort na het incident in een isoleercel is geplaatst, waarbij men zich dient te ontkleden. Als de verdachte destijds een bloedende wond zou hebben gehad aan zijn bovenarm, zou dat toen moeten zijn opgevallen, aldus de raadsman.

Het hof gebruikt de verklaring van [getuige 3] noch de waarneming door het hof ter terechtzitting van het litteken op de bovenarm van de verdachte voor het bewijs, zodat die onderdelen van het verweer geen nadere bespreking behoeven. Wat betreft de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 2] en [getuige 1] geeft hetgeen de raadsman heeft aangevoerd het hof geen reden te twijfelen aan de juistheid van de delen van die verklaringen die het hof tot het bewijs bezigt. Deze verklaringen sluiten op wezenlijke punten op elkaar aan (en op onderdelen zelfs op de verklaringen van de verdachte) en vormen, in onderlinge samenhang beschouwd, naar het oordeel van het hof een betrouwbare grondslag voor het bewijsoordeel. Daarbij heeft het hof ook betrokken dat niet aannemelijk is geworden dat deze personen een concreet motief hadden om niet overeenkomstig de waarheid te verklaren, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat een taalbarrière in de weg heeft gestaan aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [getuige 1] , dit laatste mede gelet op hetgeen de verhorend politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 22 november 2017 tegenover de rechter-commissaris hebben verklaard over de communicatie met [getuige 1] .

Het op 11 september 2018 ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte opgevoerde alibi, inhoudende dat hij zich ten tijde van het incident samen met medegedetineerden [naam 2] en [naam 3] in de keuken van de afdeling bevond en aan het koken was, schuift het hof als onaannemelijk terzijde. Allereerst is die lezing onverenigbaar met de door het hof geloofwaardig bevonden verklaring van de aangever, maar daarenboven hebben [naam 2] en [naam 3] op de terechtzitting van 31 januari 2019 verklaard dat zij zich ieder in hun eigen cel bevonden op het moment dat [slachtoffer] begon te schreeuwen en dus kennelijk met de ovenreiniger in het gezicht was getroffen.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in alle onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 november 2016 te Heerhugowaard aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten verlies, althans ernstige vermindering van het gezichtsvermogen heeft toegebracht door ovenreiniger in het gezicht en de ogen van [slachtoffer] te gooien.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een geschrift met opschrift ‘Schriftelijk verslag: Rapport (art. 50.1 PBW)’ van 23 november 2016, op ambtseed c.q. ambtsbelofte opgemaakt door de rapporteur [naam 4] (doorgenummerde pagina 57). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Datum: 22/11/2016

Inrichting: Heerhugowaard Zuyder Bos

Gedetineerde: [slachtoffer] .

Om 9:50 uur tijdens de aflos van het personeel van afdeling B0 hoorden wij een gebrul van de afdeling komen; toen wij er heensnelden, zagen wij gedetineerde [slachtoffer] op zijn knieën tussen de gele branddeur. Hij gilde dat hij iets in zijn ogen had gehad. Ik heb direct alarm gemaakt. [slachtoffer] is met de evac chair naar de ISO vervoerd om daar verder de ogen te kunnen spoelen.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2016264256-8 van 1 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 64-65). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 5]:

Op 22 november 2016 was ik in de Penitentiaire Inrichting Zuyder Bos werkzaam als BHV-teamleider. Nadat ik gealarmeerd was, ben ik naar de B-vleugel gegaan. Ik denk dat het zo’n twee minuten heeft geduurd voordat ik op de B-vleugel was. Ik zag toen dat er een gedetineerde, die [slachtoffer] bleek te heten, op de grond lag met de handen voor zijn gezicht. Ik heb met mijn collega’s [verbalisant 4] en [verbalisant 5] [slachtoffer] met de evac chair van de afdeling en naar een doucheruimte naast isolatiecel 5 gereden, omdat daar een oogdouche aanwezig is. Daar bleven we zijn gezicht en ogen spoelen. Ik zag dat [slachtoffer] zijn ogen niet open kon krijgen. Ik zag dat zijn ogen dicht zaten en dat zijn huid er rood en branderig uit zag. Ik hoorde dat [slachtoffer] vertelde dat hij het spul ook in zijn mond had gekregen en daarom was hij steeds aan het spugen.

Ik hoorde dat [slachtoffer] vertelde dat hij wist wie het gedaan had. Nadat we vroegen wie dat dan waren geweest noemde hij de namen. Die zijn door [verbalisant 5] genoteerd en later doorgegeven aan de directie. Ondertussen was ook ambulancepersoneel ter plaatse gekomen. Er was vanaf de afdeling een fles gebracht met de vloeistof die [slachtoffer] in zijn ogen heeft gekregen. Daarna ben ik met [slachtoffer] in de ambulance meegereden naar het ziekenhuis in Alkmaar. Na afloop van heb ik een ‘melding BVH-inzet’ opgemaakt en heeft [verbalisant 5] het rapport van incident opgemaakt.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 6] (doorgenummerde pagina’s 71-72). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten:

Op 5 december 2016 spraken wij in de P.I. Zuyder Bos te Heerhugowaard de plaatsvervangend directeur [naam 5] over een incident dat aldaar op 22 november 2016 had plaatsgevonden, waarbij een gedetineerde van de B-afdeling genaamd [slachtoffer] ovenreiniger in de ogen zou hebben gekregen. Direct na het voorval is het slachtoffer met een ambulance naar het ziekenhuis afgevoerd. De fles met de ovenreiniger die het slachtoffer in het gezicht zou hebben gekregen, is meegegaan met het ambulancepersoneel. Wij, verbalisanten, kregen [naar het hof begrijpt: van [naam 5]] een soortgelijke fles overhandigd. Het betreft oven- en grillreiniger van het merk Suma Grill dat sodium hydroxide bevat en alleen bestemd is voor professioneel gebruik. Op de fles is een waarschuwingslogo aanwezig, alsmede een waarschuwing dat het ernstige brandwonden en oogletsel veroorzaakt.

4. Een geschrift, zijnde een schriftelijke mededeling over gedetineerde [slachtoffer] , van 22 november 2016, opgemaakt door de rapporteur [verbalisant 5] (doorgenummerde pagina 66). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Bij het alarm van deze ochtend omtrent gedetineerde [slachtoffer] heeft [slachtoffer] namen genoemd [het hof: van personen] die hem aangevallen hebben. Het betreft de gedetineerden:

- [getuige 3] b008

- [verdachte] b026 en

- een gedetineerde van de b0 met een stoma.

5. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL1100-2016264256-1 van 9 december 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 6] (doorgenummerde pagina’s 38-43). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer]:

Ik wil aangifte doen van zware mishandeling, gepleegd op 22 november 2016, rond 9:50 uur, op de B-vleugel van de Penitentiaire Inrichting Zuyder Bos te Heerhugowaard. De dag voordat dit is gebeurd, kwam [getuige 2] – dat is iemand die daar ook vast zit, ongeveer twee cellen naast mij – [het hof begrijpt: [getuige 2]] naar me toe dat ze me morgen zouden gaan aanpakken. Ik vroeg: ‘wie dan?’. Hij zei: ‘Die jongens [naam 6] [het hof: begrijpt: [naam 6] [getuige 3]], [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte].’ Hij zei dat ze mij morgenvroeg zouden aanpakken.

Die ochtend werd ik wakker [het hof begrijpt: op 22 november 2016]. Ik liep richting de keuken en zag dat [naam 6] samen met twee Marokkaanse jongens uit zijn cel kwam. Ik stond voor mijn cel en [naam 6] kwam met die twee jongens naar mij toelopen. Hij zei: ‘Hij is ready’. Ik vroeg: ‘Waarvoor ready?’. Ik zag dat één van die Marokkaanse jongens een bekertje vast had met, achteraf, daarin Suma Grill. Toen zei hij [het hof begrijpt: [getuige 3]]: ‘Gooi het in zijn gezicht’. Dus gooide die Marokkaanse jongen het in mijn gezicht. Vanaf dat moment zag ik niks meer en had ik heel veel pijn. De jongen die de inhoud van de beker in mijn gezicht heeft gegooid heet [verdachte]. Zijn achternaam is [verdachte] ofzo.

De dokters hebben gezegd dat ik nooit meer kan zien. Afgelopen woensdag ben ik aan beide ogen geopereerd. Met mijn rechter oog zie ik nu wazig. Ik kan wel zien of het licht of donker is. Ik zie wel vormen.

6. Een geschrift, inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer] , verstrekt door [naam 7] (Medisch secretaresse Spoedeisende Hulp), namens [naam 8] (SEH-arts KNMG) en [naam 9] (SEH-arts KNMG), werkzaam bij MCA te Alkmaar, van 13 januari 2017 (doorgenummerde pagina’s 47-48). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] bezocht op 22 november 2016 de afdeling Spoedeisende hulp vanwege blootstelling aan chemicaliën.

Conclusie: loogverbranding ogen, huid en mond.

ICC Oogarts: ernstig chemisch letsel ADS met ischaemie + hoge oogdruk. Opname voor oogheelkunde.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland, van 16 augustus 2017. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op die datum afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Het gaat heel slecht met mij. U vraagt mij naar mijn zicht [het hof begrijpt: gezichtsvermogen]. Aan de linkerkant is het nul procent en aan de rechterkant 40 à 50 procent. Ze zijn nog wel tien jaar met mij bezig. Over een aantal jaren heb ik nog operaties, maar ze kunnen niet zeggen of het nog gaat verbeteren. Ik krijg de hele dag door medicatie. Ik heb er ook heel veel pijn aan. Ik voel veel druk op mijn ogen, waardoor ik ook hoofdpijn krijg. Hier krijg ik pijnstillers voor.

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016264256-5 van 24 januari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 84-88). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:

Op 19 januari 2017 hoorden wij in de Penitentiaire Inrichting Zuyder Bos te Heerhugowaard een gedetineerde genaamd [getuige 2] .

en als vragen (V) van de verbalisanten en - in antwoord (A) daarop - als de verklaring van de getuige [getuige 2]:

V: We zijn bezig met een onderzoek van de heer [slachtoffer] die aangifte heeft gedaan en ernstig letsel heeft opgelopen (…). Je wordt als getuige gehoord en we vragen gewoon je medewerking natuurlijk.

A: Ja, maar ik heb geen zin om een verklaring af te leggen. In Zaandam woont mijn familie en de jongen waar ik dan belastende dingen over zou vertellen die woont in Zaandam. Ik heb [slachtoffer] een dag van te voren gewaarschuwd. Hij zit twee cellen naast mij. Ik heb meegekregen dat ze hem wilden pakken. Dat heb ik de bewakers [het hof begrijpt: nadien] ook verteld en dat ik hem gewaarschuwd had van ‘jonge, wees alert want er ken wat gaan gebeuren’.

V: Het gaat om het feit dat jij hem hebt gewaarschuwd.

A: Ja, maar daar wil ik niets over kwijt. Ik ben bang voor represailles in Zaandam waar mijn familie woont. Die [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte] komt ook daar vandaan.

V: Hoe wist jij dan dat zij hem zouden pakken?

A: Dat heeft die [verdachte] zelf verteld en toen heb ik [slachtoffer] gewaarschuwd daarvoor.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1100-2016264256-10 van 5 april 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 67-69). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 april 2017 afgelegde verklaring van [getuige 1], geboren in Sevlievo in Bulgarije:

Ten tijde van het voorval [het hof begrijpt: het in de ogen van [slachtoffer] gooien van ovenreiniger] was ik in de keuken met [getuige 2] . Vlak daarvoor was ik in mijn cel. Er kwamen toen drie jongens naar me toe. Dit waren [verdachte] [het hof leest: [verdachte]], [naam 10] en een neger genaamd [naam 6] [het hof begrijpt: [naam 6] C. [getuige 3]]. [naam 10] heeft een stoma. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat ik de muziek in mijn cel hard moest zetten en dat als ik iets hoorde, ik moest doen alsof ik niets gehoord had. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij [slachtoffer] moest pakken. Ik ben vervolgens met [getuige 2] naar de keuken gegaan. Ongeveer drie minuten nadat ik in de keuken was hoorde ik een hoop geschreeuw. Ik ging kijken en zag dat [slachtoffer] in de gang op de grond lag. Ik zag en hoorde dat hij veel pijn had. Een dag voordat er vloeistof in de ogen van [slachtoffer] werd gegooid was [getuige 2] al op de hoogte dat er iets zou gaan gebeuren. Ik weet dat hij toen met [verdachte] heeft gepraat.

10. De verklaring van de getuige [getuige 6] op de terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2019, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 22 november 2016 in de B-vleugel van P.I. Zuyder Bos in Heerhugowaard was gedetineerd. Mijn bijnaam is [naam 10]. Ik ben de jongen met de stoma. [getuige 2] zat ook op deze afdeling; hij zat in cel 10 of 11. Daarnaast zat een Bulgaarse meneer [het hof begrijpt: [getuige 1]] en daarnaast zat [slachtoffer] .

11. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 11 september 2018, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

Op 22 november 2016 bevond ik mij tijdens het incident dat mij wordt verweten in de P.I. in Heerhugowaard. Mijn cel was cel 26 [het hof begrijpt: B026].

12. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2019, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

U houdt mij voor dat [getuige 2] heeft verklaard dat hij een dag voor het voorval van mij te horen heeft gekregen dat [slachtoffer] te pakken zou worden genomen. Er is inderdaad een gesprek ontstaan tussen mij en [getuige 2] . Hij had het over [slachtoffer] . Ik heb er met hem over gepraat dat er iets met [slachtoffer] zou kunnen gebeuren.

13. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 december 2017, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:

U, voorzitter, houdt mij de verklaringen voor die mijn medegedetineerde, de heer [getuige 1] , bij de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd. Ik heb inderdaad aan hem gevraagd om de muziek harder te zetten.

Nadere bewijsoverweging

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de dag voordat hij ovenreiniger in de ogen van [slachtoffer] heeft gegooid, aan medegedetineerde [getuige 2] heeft aangekondigd dat [slachtoffer] gepakt ging worden. Hierop gelet en gezien de wijze waarop de verdachte uitvoering heeft gegeven aan dit voornemen [slachtoffer] te pakken (op enig moment heeft de verdachte ovenreiniger in een beker geschonken dan wel heeft hij de beschikking gekregen over de met ovenreiniger gevulde beker, is met die beker op [slachtoffer] afgelopen en heeft vervolgens, nadat [getuige 3] had gezegd ‘Hij is ready’ en ‘Gooi het in zijn gezicht’, de ovenreiniger in het gezicht van [slachtoffer] gegooid) en de evidente daarvan te verwachten gevolgen, is het hof van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] . Hij heeft zich immers klaarblijkelijk gedurende enige tijd beraden op het besluit te handelen zoals hij heeft gedaan en heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De voor de verdachte bestaande en door hem benutte gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, heeft hem geleid tot de uitvoering van die daad zoals deze hiervoor is vastgesteld.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.

De raadsman heeft bij wijze van strafmaatverweer bepleit dat blijkens de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in soortgelijke gevallen een gevangenisstraf van 36 tot 60 maanden wordt opgelegd en heeft het hof verzocht bij de strafoplegging aansluiting te zoeken bij de onderkant van deze oriëntatiepunten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling met voorbedachte raad. In een penitentiaire inrichting, alwaar de verdachte was gedetineerd op verdenking van een ander strafbaar feit, heeft hij een medegedetineerde ovenreiniger in het gezicht en de ogen gegooid. De verdachte heeft met zijn agressieve daad op een laffe en slinkse manier zeer ernstig letsel aan het slachtoffer toegebracht, dat door zijn handelen visueel ernstig gehandicapt is gemaakt. Het slachtoffer is namelijk aan één oog blind geraakt en aan het andere oog slechtziend geworden. De gevolgen voor het slachtoffer zijn afschuwelijk en onomkeerbaar, met dien verstande dat met verdere operaties wordt geprobeerd het zicht in het slechtziende oog te verbeteren. Het hem door de verdachte toegebrachte letsel kan niet anders dan een grote negatieve invloed hebben op zijn levensvreugde. Er zal in zijn leven geen dag meer voorbij gaan zonder dat hij zich geconfronteerd weet met de funeste gevolgen van het handelen van de verdachte.

Daar komt bij dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 februari 2019 eerder wegens misdrijven met een geweldscomponent onherroepelijk is veroordeeld en wel tot een gevangenisstraf van 3 jaren. Het hof weegt dit sterk in het nadeel van de verdachte.

In het licht van het vorenstaande en mede gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd, is het hof met de rechtbank van oordeel dat alleen de oplegging van een gevangenisstraf van lange duur, te weten vijf jaren, een passende reactie kan vormen op het bewezenverklaarde feit. Bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte die aanleiding geven om clementie te betrachten zijn aangevoerd noch aannemelijk geworden. Anders dan de raadsman voorstaat, ziet het hof in het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht ook geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 186.700,00 en bestaat uit een bedrag van € 100.000,00 ter compensatie van immateriële schade en een bedrag van € 86.700,00 ter compensatie van materiële schade (in verband met verlies aan arbeidsvermogen en daarmee aan verdiencapaciteit). Gevraagd is het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen en is mitsdien in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de gegeven onderbouwing, de vordering volledig toewijsbaar is en heeft gevorderd dat het hof de vordering dan ook zal toewijzen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de behandeling van het gedeelte van de vordering dat ziet op materiële schade een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Voorts heeft hij bepleit dat de berekening van het verloren arbeidsvermogen ‘te kort door de bocht’ is en dat onvoldoende rekening is gehouden met (bijvoorbeeld) een eventueel te ontvangen uitkering, dat nog niet gesproken kan worden van een eindsituatie en dat de situatie van de benadeelde partij nog kan verbeteren.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij is in aanmerking genomen dat de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij ten aanzien van (i) het optreden van de opgevoerde schade en (ii) de causale relatie daarvan met het bewezen verklaarde van de zijde van de verdachte niet zijn betwist.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade, op basis van het letsel zoals thans bekend, op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op de vorderde som van € 100.000,00, waarbij in het bijzonder is gelet op:

▪ de bijzondere ingrijpendheid, het onherstelbare en invaliderende karakter en daarmee de buitengewone ernst van het door de verdachte aan de benadeelde partij toegebrachte oogletsel, die op 29-jarige leeftijd (zoals onder meer volgt uit de brief van oogarts dr. [naam 11] van het Oogziekenhuis Rotterdam van 29 augustus 2017) aan het linkeroog blind en aan het rechteroog zeer slechtziend is geworden, niettegenstaande het forse aantal operaties dat de benadeelde partij heeft ondergaan, en bij wie de bruinkleurige iris van het linkeroog zelfs geheel is verbleekt geraakt;

▪ de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt toegekend.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat deze schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt het hof als volgt. Hoewel op zichzelf geenszins onaannemelijk is dat het de benadeelde partij toegebrachte letsel bij hem tot een verlies aan arbeidsvermogen en daarmee aan verdiencapaciteit heeft geleid, vereist de begroting van die schade een nadere bewijslevering en partijdebat, waarvoor in deze strafprocedure geen plaats is. Mede in aanmerking genomen dat de vordering op dit punt van de zijde van de verdachte gemotiveerd is betwist, acht het hof de verdere behandeling en beoordeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in dit deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 100.000,00 (honderdduizend euro), bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 100.000,00 (honderdduizend euro), bestaande uit immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 november 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 maart 2019.

mr. C. de Beer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

De bewijsmiddelen, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature