< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Artikel 6.1, lid 2, onder a, jo artikel 6.3, lid 1 onder a Wet IB 2001; partneralimentatie ; artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001 ; beschikking restant pga ? Artikel 6.17 wet IB 2001 ; specifieke zorgkosten; artikel 6.27, lid 1 Wet IB 2001 ; scholingsuitgaven

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 18/00155

19 maart 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[naam] te [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 23 februari 2018 in de zaak met kenmerk HAA 17/3066 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 11 november 2016 voor het jaar 2015 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de Aanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.698. Daarbij is bij beschikking € 9 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2016 ambtshalve de Aanslag verminderd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.947. Daarbij is bij beschikking € 4 aan belastingrente vergoed.

1.3.

De inspecteur heeft – na daartegen op 14 januari 2017 gemaakt bezwaar – bij uitspraak van 26 juni 2017 de onder 1.2 genoemde beschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.4.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 23 februari 2018 het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op 30 maart 2018 hoger beroep bij het Hof ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brieven van 15 oktober 2018 en 1 februari 2019 nadere stukken ingediend. De inspecteur heeft bij brief van 26 november 2018 gereageerd op de brief van 15 oktober 2018.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019. Ter zitting zijn behandeld de hoger beroepen van belanghebbende met de kenmerknummers 18/00172 (IB 2012), 18/00173 (IB 2013), 18/00174 (IB 2014) en 18/00155 (IB 2015). Belanghebbende is verschenen. Namens de inspecteur zijn verschenen mrs. T.V. van der Veen en M. Gomes. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’ – (voor zover in hoger beroep van belang) de navolgende feiten vastgesteld:

“ 1. Eiser heeft op 23 april 2016 aangifte IB/PVV 2015 gedaan berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.794. Naast de bijstandsuitkering van de gemeente […] van € 12.698 heeft eiser in zijn aangifte de volgende aftrekposten opgenomen:

- aftrek specifieke zorgkosten € 754

- aftrek scholingsuitgaven € 1.250

- restant persoonsgebonden aftrek € 1.900 +

Totaal persoonsgebonden aftrek € 3.904

2. Eiser is de ouder van twee in Bulgarije wonende kinderen, [naam kind 1] en [naam kind 2] , en was getrouwd met [naam ex-echtgenote] (hierna: de ex-echtgenote).

3. Met dagtekening 3 juni 2016 is aan eiser, overeenkomstig de aangifte, een voorlopige aanslag IB/PVV 2015 opgelegd.

4. Op 26 juli 2016 heeft eiser een aanvulling op de aangifte ingediend waarbij hij het bedrag van de aftrek specifieke zorgkosten lager heeft vastgesteld, namelijk op € 501. De totale persoonsgebonden aftrek is daarmee vast komen te staan op (€ 501 + € 1.250 + € 1.900 =) € 3.651.

5. Verweerder heeft eiser per brief van 15 juli 2016 verzocht om vóór 12 augustus 2016 informatie te verstrekken met betrekking tot de aftrek specifieke zorgkosten en de aftrek scholingsuitgaven. Eiser heeft op dit verzoek niet gereageerd.

6. Per brief van 12 oktober 2016 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van de op gedane aangiften. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Persoonsgebonden aftrek

Specifieke zorgkosten: correctie(s) in uitgaven

Geen aftrek om u de gevraagde informatie niet hebt verstrekt.

Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met € 501.

Studiekosten en scholingsuitgaven

Geen aftrek omdat u de gevraagde informatie niet hebt verstrekt.

Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 1.250.

Restant persoonsgebonden aftrek

Er is geen sprake van een restant persoonsgebonden aftrek

Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 1.900.

Overzicht afwijking(en) van de persoonsgebonden aftrek

- Specifieke zorgkosten: correctie(s) in uitgaven

- € 501

- studiekosten en scholingsuitgaven

- € 1.250

- restant persoonsgebonden aftrek

- € 1.900

Totaalbedrag van de afwijking(en)

- € 3.651

7. Met dagtekening 11 november 2016 is de aanslag opgelegd.

8. Bij de aanslagoplegging is de aanvulling op de aangifte van 26 juli 2016 niet in aanmerking genomen. De aanvulling op de aangifte is nadat de aanslag is opgelegd alsnog in behandeling genomen en als een verzoek om ambtshalve vermindering aangemerkt. Met dagtekening 15 december 2016 heeft verweerder de verminderingsbeschikking gegeven. Het verzoek is met betrekking tot de aftrek specifieke zorgkosten en de aftrek scholingsuitgaven toegewezen en met betrekking tot het restant persoonsgebonden aftrek afgewezen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt herzien:

- bijstandsuitkering

€ 12.698

- aftrek specifieke zorgkosten

€ 501

-/-

- aftrek scholingsuitgaven

€ 1.250

-/-

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 10.947

9. Eiser heeft op 14 januari 2017 middels het indienen van een nieuwe aangifte bezwaar gemaakt tegen de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. In de aangifte heeft eiser een bedrag van € 1.800 aan uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (alimentatie) opgevoerd. Volgens de aangifte (Hof leest het op 14 januari 2017 gemaakte bezwaar) betreft dit een betaling ten behoeve van [naam kind 1] , de dochter van eiser. (…)”

2.2.

Het Hof gaat uit van dezelfde feiten en voegt daar het volgende aan toe.

2.3.

In een document, gedateerd 23 augustus 2015, staat onder meer:

“Hereby with this I [naam ex-echtgenote] , from [adres] , Bulgaria, am declaring that on 23 of Augustus 2015 I received alimentation, the amount of 1800,00 Euro in cash, from [belanghebbende] .”

2.4.

De onder 8 in de rechtbankuitspraak vermelde aftrekposten (respectievelijk € 501 zorgkosten en € 1.250 scholingsuitgaven) zijn als volgt te specificeren:

Genees- en heelkundige hulp

€ 540

Reiskosten ziekenbezoek

€ 170

Totaal

€ 710

Af drempel

-/- € 209

Totaal aftrekbare zorgkosten

€ 501

Studiekosten

€ 1.500

Af drempel

-/- € 250

Totaal aftrekbare scholingsuitgaven

€ 1.250

2.5.

In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer de volgende documenten in de Bulgaarse taal en in het cyrillisch ingebracht:

(a) “Kopie van vonnis nummer […] van de Rechtbank Stara Zagora van 2003”

(b) “Kopie van vonnis nummer […] van de Rechtbank Stara Zagora van 2015”

3 Geschil in hoger beroep

In geschil is of de Aanslag niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende punten:

Kan belanghebbende aanspraak maken op aftrek van € 1.800 aan persoonsgebonden aftrek als bedoeld in artikel 6.1, lid 2, onder a, jo artikel 6.3, lid 1, onder a, van de Wet IB 2001 (hierna ook: partneralimentatie )?

Heeft belanghebbende op basis van een beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, van de Wet IB 2001 recht op verrekening van nog niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek?

(3) Kan belanghebbende aanspraak maken op aftrek ter zake van specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet IB 2001?

(4) Kan belanghebbende aanspraak maken op aftrek ter zake van scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27 van de Wet IB 2001?

4 Beoordeling van het geschil

Partneralimentatie(eerste geschilpunt)

4.1.1.

Ingevolge artikel 6.1, lid 2, onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden uitgaven voor onderhoudsverplichtingen aangemerkt als persoonsgebonden aftrek.

4.1.2.

Artikel 6.3 van de Wet IB 2001 (tekst 2015) luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Onderhoudsverplichtingen zijn:

a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn (…)”

4.2.

Belanghebbende claimt in zijn aangifte een aftrek van € 1.800 aan partneralimentatie. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft hij de onder 2.3 weergegeven verklaring van zijn ex-echtgenote overlegd, alsmede de onder 2.5 bedoelde documenten. In hoger beroep herhaalt hij zijn standpunt en schrijft in zijn hoger beroepschrift:

“Op mijn belastingaangifte 2015 heb ik alimentatiekosten gemeld met betrekking tot een vonnis nummer […] van [datum] -2003 waar ik ben veroordeeld voor alimentatie per maand het bedrag van €300 te betalen aan ex-vrouw voor levensonderhoud van mijn dochter [naam kind 1] . Later in 2015 met vonnis van de rechter ben ik veroordeelt het bedrag van €1.800 aan alimentatie te betalen aan mijn ex­vrouw voor levensonderhoud van mijn dochter [naam kind 1] . Het bedrag is alimentatie voor de periode van 01-01-2011 tot 01-07-2011.”

4.3.

De inspecteur betoogt dat uit het bovenstaande citaat (onder 4.2) blijkt:

“dat het door belanghebbende als alimentatie aangemerkte bedrag geen bijdrage is voor het levensonderhoud van zijn ex-echtgenote, maar voor zijn dochter. Aangezien de dochter een bloedverwant in de rechte lijn is, is aftrek niet mogelijk op grond van artikel 6.[3,] eerste lid, onderdeel a van de wet. Het feit dat niet rechtstreeks aan de dochter is betaald maakt dit niet anders”

4.4.

Het Hof overweegt als volgt. Nu belanghebbende schrijft (zie 4.2) dat de in geschil zijnde uitgaven van € 1.800 zijn gedaan voor het levensonderhoud van zijn dochter (een bloedverwant in de rechte lijn), zijn die betalingen gelet op het bepaalde in artikel 6.3, lid 1, onderdeel a, van de Wet IB 2001 niet als partneralimentatie aftrekbaar. Daaraan doet niet af dat de betalingen - naar belanghebbende stelt - niet zijn gedaan aan de dochter maar aan de ex-echtgenote (zie ook Hof Amsterdam van 7 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8931).

4.5.

Voor zover belanghebbende meent dat - anders dan hij hiervoor onder 4.2 schrijft - uit de onder 2.5 genoemde documenten (in de Bulgaarse taal en in cyrillisch schrift, zonder vertaling) volgt dat de uitgaven van € 1.800 partneralimentatie betrof, is het Hof van oordeel dat op die documenten alleen acht kan worden geslagen indien belanghebbende zorg draagt voor een vertaling. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dit niet nodig te vinden omdat Bulgarije een lidstaat van de Europese Unie is en het Hof zijns inziens stukken in de Bulgaarse taal om die reden diende te accepteren. Naar het oordeel van het Hof is dit standpunt van belanghebbende onjuist (vgl. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65).

Het Hof voegt daar ten overvloede nog aan toe dat de eisen van een goede procesorde zich er in casu ook tegen verzet zouden hebben om belanghebbende ter zitting alsnog de gelegenheid te bieden om een vertaling van het certificaat in te brengen. Immers belanghebbende wist of kon vermoeden dat de inspecteur, noch het Hof de Bulgaarse taal machtig waren en dat een vertaling nodig zou zijn om de productie goed te kunnen beoordelen. Alsdan heeft als uitgangspunt te gelden dat de eisen van een goede procesorde met zich brengen dat belanghebbende spontaan een vertaling van de productie bijvoegt.

Het gelijk is op dit punt aan de inspecteur.

Restant persoonsgebonden aftrek (tweede geschilpunt)

4.6.

De rechtbank heeft omtrent het tweede geschilpunt als volgt overwogen en beslist:

“26. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, onderdelen a en b van de Wet IB 2001 is de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen. Ingevolge artikel 6.2a, eerste lid, van de Wet IB 2001 stelt de inspecteur het bedrag van de op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

27. Verweerder heeft gesteld dat in geen van de jaren voorafgaand aan 2015 aan eiser een beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, eerste lid, van de Wet IB 2001 is afgegeven omdat eiser de op hem drukkende persoonsgebonden aftrek steeds in mindering heeft kunnen brengen op zijn inkomen. Eiser heeft dan ook geen restant persoonsgebonden aftrek, aldus verweerder.

28. Nu eiser het standpunt van verweerder niet, danwel onvoldoende heeft weersproken en ook geen (bewijs)stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hem in de jaren voorafgaand aan 2015 een beschikking restant persoonsgebonden aftrek is gegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het bedrag van € 1.900 terecht heeft gecorrigeerd bij het opleggen van de aanslag.”

4.7.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt deze beslissing en de gronden waarop deze berust tot de zijne.

Specifieke zorgkosten en studiekosten (derde en vierde geschilpunt)

4.8.1.

Belanghebbende schrijft in zijn hoger beroepschrift :

“Veder bij mijn belastingaangifte heb ik studiekosten zonder studiefinanciering gemeld voor opleiding (…) het bedrag van € 1.500 (…) met een drempel van € 250, dat is een bedrag van € 1.250.”

4.8.2.

Voorts schrijft hij:

“Veder heb ik meer zorgkosten voor revalidatie en fysiotherapie aangemeeld bij de belastingaangifte 2015, namelijk het bedrag van (…) € 540 en reiskosten naar de revalidatie ziekenhuis, het bedrag van € 170 (…)”

4.9.

Belanghebbende miskent in vorenbedoelde citaten dat de inspecteur reeds bij zijn verminderingsbeschikking van 15 december 2016 (zie 1.2) de door belanghebbende voorgestane aftrekposten (rekening houdende met de toepasselijke drempels) heeft toegekend (zie 2.4). Het Hof verwerpt dan ook belanghebbendes standpunt.

Slotsom

4.10.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5 Griffierecht

5.1.

Belanghebbende heeft in de hoger beroepsfase bezwaren geuit tegen het heffen van griffierecht. Zijns inziens wordt - naar het Hof begrijpt - hiermee zijn recht op effectieve rechtsbescherming aangetast.

5.2.

Bij het beoordelen van belanghebbendes verzoek om vrijstelling heeft het Hof de regeling “Beroep op betalingsonmacht griffierecht bestuursrecht” (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl/Uw-Situatie/Kosten-rechtszaak/Griffierecht/Paginas/Griffierecht-bestuursrecht.aspx) gehanteerd. Gelet op deze regeling is het Hof van oordeel dat belanghebbendes verzoek om vrijstelling van griffierecht terecht is afgewezen.

5.3.

Vervolgens is van belanghebbende een griffierecht geheven van twee maal € 126 (eenmaal ter zake van de op 15 maart 2018 gedane uitspraken en eenmaal ter zake van de op 23 februari 2018 gedane uitspraak; zie onder 1.7).

5.4.

Gelet op de gegrondheid van het eerste hoger beroep heeft het Hof de inspecteur bij die uitspraak gelast uitsluitend het griffierecht betreffende dat hoger beroep te vergoeden (hofkenmerk 18/00172). De heffing van griffierecht met betrekking tot het onderhavige hoger beroep laat het Hof in stand.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, M.J. Leijdekker en N. Djebali,

leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck, als griffier. De beslissing is op 19 maart 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature