< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Bedreiging

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003091-17

Datum uitspraak: 11 juni 2018

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 13-701024-17 en 13-236136-15 (TUL) tegen:

zich noemende: [verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1974,

wiens vreemdelingennummer luidt: 1301164000 en die bekend is onder de naam:

[verdachte 2] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1969,

zonder bekende- woon of verblijfplaats hier te lande,

ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman opgegeven adres: Detentiecentrum Rotterdam, te Rotterdam.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 05 januari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- met zijn vinger een snijbeweging langs zijn keel gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en/of (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd, "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( op korte afstand) met een (vuurwapen gelijkend) voorwerp, in de richting van voornoemde [slachtoffer] gewezen, in elk geval voornoemd voorwerp aan voornoemde [slachtoffer] getoond en/of voorgehouden en/of (daarbij) (in de Engelse taal) de woorden toegevoegd: "I am going to kill you" en/of "I am going to shoot you" en/of "kom vechten" en/of "wil je een kogel, wil je een kogel", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking (waardoor bij voornoemde [slachtoffer] de indruk werd gewekt dat verdachte een vuurwapen, in elk geval een vuurwapen geljkend voorwerp vast had.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlaste- gelegde bedreiging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte, in de context waarin zij zijn gedaan, moeten worden beschouwd als uitingen van onmacht en boosheid en dat deze bij de aangever niet de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd zou worden gepleegd.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hieromtrent als volgt.

De aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte in de Engelse taal tegen hem zei: ‘ik maak je dood’. De getuige [getuige] heeft de verdachte tegen [slachtoffer] onder meer horen zeggen: “I am going to kill you”. Het hof is van oordeel dat de dreigende woorden van de verdachte van dien aard zijn geweest en onder zodanige omstandigheden zijn geuit, dat bij [slachtoffer] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de verdachte uitvoering zou kunnen geven aan het misdrijf waarmee hij dreigde, waardoor hij het leven zou kunnen verliezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:hij op 5 januari 2017 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft de verdachte hem (in de Engelse taal) dreigend de woorden toegevoegd: "I am going to kill you".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 25 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft hij verzocht de op te leggen straf te beperken tot het gedeelte dat de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en geen voorwaardelijk deel op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer] , die als beveiliger werkzaam was in een supermarkt. Het slachtoffer heeft deze situatie als zeer bedreigend ervaren en heeft het gevoel gehad dat de verdachte hem daadwerkelijk iets wilde aan doen. Door zijn handelen heeft de verdachte bij het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 mei 2018 (op naam van [verdachte 2]) is hij eerder voor een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld.

Hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is aangevoerd, is door het hof in de strafmaat verdisconteerd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 800, bestaande uit immateriële schade, en te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek . Het hof begroot de omvang van de immateri ële schade naar maatstaven van billijkheid op € 350 en wijst dit deel van de vordering toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten van de onder de verdachte in beslag genomen haarborstel, nu het voor verbeurdverklaring, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, geen aanleiding ziet, nu niet is komen vast te staan dat de verdachte het bewezenverklaarde feit met behulp van deze haarborstel heeft begaan.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven, haarborstel.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2017 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2016, parketnummer 13-236136-15, te weten van een: gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. G. Oldekamp en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2018.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature