< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Contact biologische vader/donor met kind, statusvoorlichting, informatieregeling.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 27 januari 2015

Zaaknummer: 200.137.443/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/201913/FA RK 13-1138

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. M.H. Vaandrager te Utrecht,

tegen

1 […],

wonende te […],

geïntimeerde sub 1,

2. […],

wonende te […],

geïntimeerde sub 2,

advocaat: mr. S. van Andel te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant wordt hierna de man genoemd. Geïntimeerden sub 1 en 2 worden hierna afzonderlijk respectievelijk de biologische moeder en de adoptiemoeder, en gezamenlijk de moeders genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn beschikking van 17 juni 2014.

1.3.

Op 19 september 2014 is het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad) van 18 september 2014 ingekomen.

1.4.

De man heeft op 23 oktober 2014 een nader stuk ingediend.

1.5.

De behandeling van de zaak is op 30 oktober 2014 voortgezet.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de adoptiemoeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw C. Geldof, vertegenwoordiger van de Raad.

1.7.

De biologische moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De nadere feiten

De Raad heeft in zijn rapport van 18 september 2014 geadviseerd op dit moment geen omgangsregeling vast te leggen tussen […], geboren op [datum] 2008 (hierna: [de minderjarige]), en de man.

3 Nadere beoordeling van het hoger beroep

3.1.

De man stelt, in aanvulling op zijn standpunt zoals weergegeven in de beschikking van dit hof van 17 juni 2014, dat de door de moeders gestelde spanningen die blijkens het rapport van de Raad de omgang tussen de man en [de minderjarige] belemmeren, naar hun eigen zeggen door de gerechtelijke procedures worden veroorzaakt. Hij verwacht dan ook dat zodra deze procedures worden beëindigd, de spanningen bij de moeders dus ook in belangrijke mate zullen verminderen, zodat omgang tussen de man en [de minderjarige] weer mogelijk is. Uit het rapport van de Raad volgt niet dat de door de moeders gestelde spanningen hebben geleid tot een verminderde draagkracht of een ontwikkelingsprobleem bij [de minderjarige]. Voorts verzoekt de man een concrete aanwijzing te geven aan de moeders met betrekking tot het geven van statusvoorlichting aan [de minderjarige], hetgeen mede volgens de Raad in zijn belang is. Het is voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] van belang om te weten wie zijn biologische vader is, aldus de man.

3.2.

De moeders voeren aan, in aanvulling op hun standpunt zoals weergegeven in de beschikking van dit hof van 17 juni 2014, dat het van belang is dat zij het nodige doen om in balans te komen en te blijven, en hun draagkracht te vergroten. Zij dienen hiervoor de tijd en de ruimte te krijgen zodat de hulpverlening gecontinueerd kan worden. Het is van belang dat de man dit respecteert, en niet juist frustreert door steeds te proberen om omgang te forceren. Dit kan leiden tot precaire situaties voor de moeders waardoor de stabiliteit van het gezin en de opvoedingssituatie van [de minderjarige] in het geding komt. Met name de stabiliteit van de biologische moeder wordt door de procedures en de druk die daarvan uitgaat, bedreigd. Het is dus niet mogelijk om een concreet tijdspad met eerste contactdatum aan te geven. De stelling van de man dat de spanning verdwijnt als de procedures stoppen, is niet correct, nu beide moeders onvoldoende draagkracht hebben voor omgang, aldus de moeders.

3.3.

De Raad heeft ter zitting geadviseerd dat het in het belang van [de minderjarige] is om snel statusvoorlichting te krijgen. Het is van belang dat de moeders hierin het voortouw nemen en niet wachten op vragen van [de minderjarige], omdat bij hem in dat geval al allerlei denkprocessen over zijn afkomst in gang zijn gezet. Stichting Fiom kan hierbij een rol spelen. Voorts is het in het belang van [de minderjarige] dat de moeders voortvarend het hulpverleningstraject aanpakken, dat naast het vergroten van hun draagkracht ook gericht dient te zijn op het toewerken naar een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige]. In het Raadsrapport is geadviseerd om op dit moment geen omgangsregeling vast te stellen, maar de Raad biedt aan om eventueel een beschermingsonderzoek te verrichten om het belang van [de minderjarige] op dit punt te waarborgen, aldus de Raad.

3.4.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeders thans onvoldoende draagkracht hebben om de omgang tussen [de minderjarige] en de man te ondersteunen en [de minderjarige] hierbij op adequate wijze te begeleiden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat contact met of over de man bij de moeders veel spanning oproept. Dit contact, dat aanvankelijk goed was, is aanmerkelijk verslechterd. Verwezen wordt hierbij naar hetgeen in de beschikking van dit hof van 17 juni 2014 onder 4.5 is overwogen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat

de biologische moeder vanaf juni 2012 in psychotherapeutische behandeling is in verband met chronische PTSS ten gevolge van traumatisering die op jonge leeftijd is gestart. Als gevolg daarvan heeft zij te kampen met problemen in de stress- en emotieregulatie. Voorts heeft zij een bipolaire stoornis, te weten manisch depressiviteit, waarbij zij perioden stabiel is en perioden ontregeld kan raken. Haar stemmingsproblematiek is sinds begin 2012 met medicatie stabiel en zij is in behandeling voor de PTSS. Er bestaat echter een blijvende kwetsbaarheid en zij kan snel emotioneel uit balans raken in reactie op belastende omstandigheden of spanning. Naar aanleiding van de spanningen tussen de moeders en de man heeft de adoptiemoeder in 2009 een depressieve stoornis ontwikkeld die een half jaar heeft geduurd.

Ter zitting is gebleken dat beide moeders (voorts) in behandeling zijn gericht op het vergroten van hun draagkracht.

Gelet op de spanningen en de onrust die het op dit moment nog voor zijn verzorgende ouders oplevert, acht het hof het niet in het belang van [de minderjarige] om in het komende jaar al contact te hebben met de man. Het hof is wel van oordeel dat de moeders in samenspraak met de hulpverlening die reeds is ingezet, er alles aan dienen te doen om hun draagkracht daadwerkelijk te vergroten op zodanige wijze dat zij in de toekomst wel in staat zijn om [de minderjarige] in het contact met de man te ondersteunen. Gelet hierop acht het hof het belangrijk dat de hulpverlening mede gericht is op het toewerken naar een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige].

Voorts is het hof van oordeel, gelet op het feit dat statusvoorlichting van groot belang is voor de identiteitsontwikkeling van een kind en dit derhalve zo vroeg mogelijk dient te gebeuren, dat [de minderjarige] in het komende jaar statusvoorlichting dient te krijgen.

3.5.

Gebleken is dat er in beginsel geen belemmeringen voor omgang aanwezig zijn, noch bij [de minderjarige], noch bij de man. Dit vooropgesteld, en gelet op de uitspraak van de Hoge Raad, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2014:91, waaruit blijkt dat het de taak van de rechter is om te bevorderen dat een omgangsregeling tot stand komt en partijen in dit geval niet in staat zijn hiertoe zelf enige stap te zetten, komt het hof tot het oordeel dat [de minderjarige] en de man, na ommekomst van een jaar zonder contact, minimaal eenmaal per jaar omgang zullen hebben telkens na de verjaardag van [de minderjarige]. Het eerste contact tussen de man en [de minderjarige] dient derhalve plaats te vinden uiterlijk in [maand] 2016. Dit stelt de moeders in staat om dit contact ruimschoots tevoren en in overleg met de hulpverlening voor te bereiden. Het staat partijen uiteraard vrij om deze regeling in onderling overleg uit te breiden.

3.6.

De man heeft ten slotte verzocht om een informatieregeling vast te leggen inhoudende dat hij eenmaal per kwartaal over de ontwikkeling van [de minderjarige] wordt geïnformeerd en dat hem een recente foto van [de minderjarige] wordt gestuurd. Het hof overweegt dat de frequentie van eenmaal per kwartaal, gelet op de draagkracht van de moeders, te hoog moet worden geacht. Anderzijds ziet het hof het belang in van de man om met enige regelmaat informatie over en een foto van [de minderjarige] te ontvangen van de moeders, nu dit zijn enige mogelijkheid is om van de ontwikkeling van [de minderjarige] op de hoogte te blijven. Dit afwegende acht het hof een regeling waarbij de moeders de man eenmaal per half jaar schriftelijk informeren over de ontwikkeling van [de minderjarige], zowel persoonlijk alsook op school en een recente foto van [de minderjarige] sturen, passend. Gelet op het feit dat de man in het komende jaar geen contact met [de minderjarige] zal hebben, acht het hof het redelijk dat de informatieregeling wel al het komend jaar zal ingaan.

3.7.

Gelet op de uitkomst van deze procedure is er geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten zoals door de moeders in hoger beroep is verzocht.

3.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof:

bepaalt dat de man en [de minderjarige] minimaal eenmaal per jaar omgang met elkaar hebben binnen een week na de verjaardag van [de minderjarige] op [datum], waarbij het eerste contact zal plaatsvinden in [maand] 2016;

bepaalt dat de moeders [de minderjarige] voor [datum] 2016 statusvoorlichting zullen geven;

bepaalt dat de moeders de man met ingang van 1 juli 2015 elk half jaar schriftelijk op de hoogte stellen van de ontwikkeling van [de minderjarige] en de man elk half jaar een recente foto van [de minderjarige] sturen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, M.F.G.H. Beckers en J.W. Brunt in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar door de oudste raadsheer uitgesproken op 27 januari 2015.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature