< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Zeer gewelddadige woningoverval. Overwegingen met betrekking tot waardering van getuigenverklaringen en onvolledige uitoefening van ondervragingsrecht. Bewijs voor zwaar lichamelijk letsel. Strafmaatoverwegingen resulterend in oplegging van gevangenisstraf van 6 jaren.

Uitspraak



Parketnummer: 23-001583-12

Datum uitspraak: 21 februari 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-656499-11 tegen:

[Naam],

geboren te [plaats] op [datum] 1988,

thans gedetineerd in PI Haaglanden - HvB Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4, 5 en 7 februari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Aalsmeer in een woning, [adres], in elk geval in Nederland, omstreeks 03.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto [merk] en/of een mobiele telefoon en/of een kluis en/of een geldbedrag van (ongeveer 1200 euro), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [S.S.] en/of [J.W.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [S.S.] en/of die [J.W.], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk gewelddadig en/of dreigend (zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (bivak)mutsen en/of donkere kleding droeg(en), teneinde herkenning te voorkomen en/of schrik aan te jagen)

- de slaapkamer van die [S.S.] en/of die [J.W.] heeft/hebben betreden en/of

- die [S.S.] en/of die [J.W.] (vanuit hun bed) op de grond heeft/hebben gegooid en/of

- (vervolgens) op die [S.S.] is/zijn gaan zitten en/of

-(met kracht) met een hard voorwerp (koevoet) meermalen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of de borst en/of de benen, in elk geval het lichaam van die [J.W.] heeft/hebben geslagen en/of getrapt en/of geschopt en/of

- tegen de knie en/of (het) be(e)n(en) van die [S.S.] heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of

- die [S.S.] in het gezicht heeft/hebben geslagen en/of

- de mond van die [J.W.] heeft/hebben dicht getaped en/of

tengevolge van welk feit die [J.W.], zwaar lichamelijk letsel te weten gebitsschade (hetgeen tandheelkundig ingrijpen noodzakelijk maakte) en/of twee gebroken ribben met een klaplong, heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Het bewijs

Inleiding

In de onderhavige zaak gaat het om vijf verdachten, te weten [R.A.], [R.R], [A.S.], [R.E.] en [C.L.]. Voor de leesbaarheid zal het hof de verdachten zoveel mogelijk aanduiden met hun achternaam. Datzelfde geldt ook voor de slachtoffers [J.W.] en [S.S.]. Voor zover in processen-verbaal de voornamen zijn aangeduid met een andere schrijfwijze als hiervoor vermeld, worden die in de weergave ervan in dit arrest verbeterd opgenomen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met geweld, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Zij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

* [R.A.] heeft op 16 juni 2011 bij de politie uitgebreid verklaard hoe de overval is verlopen en hoe de rolverdeling met zijn mededaders is geweest.

* [R.E.] heeft op 28 juli 2011 bij de politie verklaard dat hij wist dat de jongens die bij de voorverkenning aanwezig waren de overval zouden gaan plegen, dat het vrijdag zou gebeuren en dat hij na de overval twee jongens heeft gezien, die zeiden dat ze een [auto], een geldbedrag uit de broekzak van de man en een kluis hadden weggenomen. Op de avond van de housewarming vertelden die jongens dat ze onkosten hadden gemaakt aan onder meer bivakmutsen, tie-rips en benzine. [R.E.] heeft aldus zeer gedetailleerd verklaard over wat die jongens, volgens hem, voorafgaand aan, tijdens en na afloop van de overval zouden hebben gedaan. Later heeft hij nog verklaard dat [R.A.], [A.S.] en de verdachte bij de voorverkenning aanwezig waren. Ook de verklaring van [R.E.] bij de raadsheer-commissaris is in dit verband van belang, aangezien hij de vraag of anderen dan de personen die bij de voorverkenning aanwezig waren de overval hebben gepleegd, niet wenst te beantwoorden.

* Uit het telecom-onderzoek is gebleken dat in de periode dat het telefoonnummer van [R.A.] in de omgeving van de plaats delict uitpeilt, dit nummer contact heeft met telefoonnummers die daar dan ook uitpeilen en die worden toegeschreven aan [A.S.] en de verdachte.

* De verklaringen van [R.A.] van 31 mei 2011 en 16 juni 2011 zijn van belang. In eerstgenoemde verklaring heeft [R.A.] verklaard over de gang van zaken tijdens de overval en over de terugreis naar Den Haag. Ook heeft hij verklaard dat de jongens die aan de overval hebben meegedaan op zaterdag naar een housewarming zijn geweest. Vast staat dat [A.S.] en de verdachte naar een housewarming zijn gegaan.

De advocaat-generaal beschouwt de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [R.A.], met betrekking tot de beperkte rol van degene die het raam heeft geopend (naar het hof begrijpt: de verdachte), als leugenachtig. Zij verzoekt het hof dan ook die verklaring buiten beschouwing te laten.

* Het is volstrekt ongeloofwaardig dat [R.A.] met twee anderen dan [A.S.] en de verdachte de desbetreffende woning is binnengedrongen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van diefstal met geweld, omdat daarvoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

1. [R.A.] heeft in de loop van het proces wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens waarschuwt al sinds jaar en dag voor een dergelijke verdachte getuige. In een dergelijk geval worden zware eisen gesteld aan het steunbewijs, zeker indien de verdediging het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht niet in volle omvang heeft kunnen uitoefenen. Die situatie doet zich - zo begrijpt het hof het verweer - hier voor. Onder verwijzing naar het zogeheten Vidgen-arrest dienen dergelijke verklaringen te worden uitgesloten van het bewijs.

De raadsman heeft, voor het geval het hof de verklaringen van [R.A.], zoals afgelegd bij de politie, wel voor het bewijs zal gebruiken, verzocht om, zo begrijpt het hof, het onderzoek te heropenen en, onder schorsing ervan, te beslissen dat het omtrent [R.A.] opgemaakte psychologisch rapport aan het dossier van de verdachte wordt toegevoegd.

2. In de onderhavige zaak is sprake van onvoldoende (betrouwbaar) steunbewijs.

a. De verklaringen van [C.L.] bieden die steun niet. Uit haar bij verschillende gelegenheden afgelegde verklaringen blijkt immers dat zij zelf twijfelt aan de juistheid van hetgeen zij zegt. Reeds daarom kan daaraan geen enkele objectieve waarde worden gehecht en kunnen en mogen deze verklaringen geen onderdeel uitmaken van enige bewijsconstructie.

b. Ten aanzien van de verklaringen van [R.E.] geldt dat deze voor de verdachte eerder ontlastend dan belastend zijn. Een belangrijk deel van diens verklaringen is bovendien hoogstwaarschijnlijk op aannames gebaseerd. Ook om die reden kunnen zijn verklaringen niet als steunbewijs dienen.

c. Uit de geluidsopname van een deel van het gesprek, gevoerd tijdens de voorverkenning van 30 maart 2011, blijkt niet dat de verdachte (een actieve) rol had in het plan van aanpak van een overval. Daaruit kan hoogstens worden afgeleid dat de verdachte glaszetter was en uitsluitend mee zou gaan om behulpzaam te zijn bij een inbraak.

Oordeel van het hof

A. De bewijsmiddelen

Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de hierna weer te geven inhoud van de bewijsmiddelen.

De hierna als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn, voor zover niet anders aangegeven, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

1- de verklaring van [J.W.] van 4 april 2011 (dossierpagina 21 e.v.).

Op zaterdag 2 april 2011 omstreeks 03.00 uur, ben ik in de slaapkamer van mijn woning, op [adres] , overvallen door drie daders. Ik heb een boerderij en een groot bedrijf genaamd [J.W.]. Ik lag samen met mijn vriendin [S.S.] te slapen op de eerste verdieping van de boerderij. Ineens werd ik wakker omdat ik van mijn bed werd getrapt. Het was meteen een nachtmerrie. Er werd direct met een koevoet meerdere keren op mij ingeslagen door een van de daders terwijl ik naast het bed lag. Ze sprongen op me en de daders vroegen naar de code van de kluis. Ik heb geprobeerd me te verdedigen, maar ik wist niet of ze bewapend waren met vuurwapens. Ik werd, terwijl ik op de grond naast het bed lag, omgedraaid en ik kreeg meteen tape om me heen gedraaid. De tape zat strak om mijn mond, armen en romp. Ik werd met een koevoet meerdere keren verschrikkelijk hard op mijn hoofd geslagen.

Ik heb nog kunnen zien dat de daders helemaal in het zwart waren gekleed. Door de tape kon ik niets meer zien. Ik hoorde en voelde dat ik meerdere keren verschrikkelijk hard werd geslagen op mijn gezicht, mijn borst en mijn benen. Een van de daders heeft alle tanden aan de linker bovenkant uit mijn mond geslagen. Ik ben terwijl ik op de grond lag verschillende keren hard geschopt in mijn gezicht en op mijn hoofd. Mijn hele gezicht is bont en blauw. Ik kreeg ook ontzettend harde klappen op mijn benen. De daders hebben met die koevoet keihard op mijn benen en enkels ingeslagen. Die zijn nu gekneusd en ingespalkt. Door het herhaaldelijke harde slaan met de koevoet en schoppen op mijn borst zijn er twee ribben gebroken aan de rechterkant van mijn borst. De rest van de ribben zijn allemaal gekneusd. Een van de ribben is dwars door mijn long gegaan en daardoor heb ik een klaplong.

De dader die bij mij stond heeft alleen maar op mij ingeslagen en geschopt en vroeg de hele tijd naar de code van de kluis. Hij was verschrikkelijk agressief.

Er is 1200 euro uit mijn broekzak meegenomen door de daders. Ik had geld verdiend met de verkoop van partijen vlees. Dat geld zat in mijn broekzak en was na de overval verdwenen.

2- een e-mailbericht, inhoudende de letselverklaring van [J.W.], van drs. G.F. Giannakopoulos, arts afdeling heelkunde/traumachirurgie VUmc, van 12 april 2009 (dossierpagina 38).

Dit e-mailbericht houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De totale letselverklaring van de heer [J.W.] (geboren 06-02-1949):

- Breuk in rib 4 en 5 rechts met een minimale klaplong waarvoor een thoraxdrain moest worden geplaatst.

- Kneuzingen met bloeduitstorting linker enkel (geen breuk).

- Kneuzingen rechter knie / onderbeen met bloeduitstorting (geen breuk).

- Diverse diepe huidverwondingen van de behaarde hoofdhuid en aangezicht waarvoor hechtingen. Geen breuken van de schedel of hersenletsel waargenomen.

- Diverse bloeduitstortingen op beide armen en borstkas.

Verwacht wordt dat de patiënt volledig zal herstellen binnen zes maanden.

3- het schade-onderbouwingsformulier, bijlage 1 bij het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces [J.W.] (los document, blauwe mapje benadeelde partij).

Dit schade-onderbouwingsformulier houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Immateriële schade:

Fysiek letsel:

1. klaplong en gebroken ribben

2. zeven hoofdwonden, nek- en rugwonden door koevoet.

3. elementen van de gebitsprothese uit de mond geslagen.

4. wonden en kneuzingen aan benen, voet en enkel.

5. gescheurde schouderspier.

De benadeelde partij is per ambulance naar het VU medisch centrum vervoerd en is op de afdeling traumachirurgie opgenomen geweest tot en met 7 april 2011.

Klaplong en ribben

Door slagen met een koevoet en trappen tegen zijn zij heeft de benadeelde partij twee gebroken ribben gekregen. Een gebroken rib is door de rechterlong gegaan, waardoor de benadeelde een klaplong heeft gekregen. In het ziekenhuis is een thoraxdrain geplaatst zodat de long zich weer kon ontvouwen. Het plaatsen van de thoraxdrain was behoorlijk pijnlijk omdat deze ingreep niet goed kan worden verdoofd. Benadeelde heeft aan de drain een litteken overgehouden. Na vier dagen is de drain verwijderd. Op 9 juni is er een eindcontrole van de longen geweest en werd benadeelde genezen verklaard. Benadeelde heeft de eerste acht weken erg veel pijn aan zijn gebroken ribben gehad. Benadeelde heeft een slachtveebedrijf en een manege. Zijn werd is fysiek zwaar en gedurende die periode was hij niet in staat te werken.

Hoofd, nek en rug

Benadeelde is met een koevoet op zijn hoofd, in zijn nek en op zijn rug geslagen, waardoor bloedende wonden zijn ontstaan. Zeven hoofdwonden en een wond op zijn rug zijn met nietjes in het ziekenhuis gehecht

Benen, voet en enkel

Ook op de benen en rechterenkel is met een koevoet geslagen en zijn er kneuzingen en wonden ontstaan.

De wond op de enkel was precies op een botje en zeer pijnlijk. De wond is nog steeds niet helemaal dicht en de benadeelde heeft hier nog alle dagen pijn aan. Ook de kuit is nog niet geheeld. De kneuzing is er nog en is pijnlijk.

Schouder

In de rechterschouder was een spier gescheurd, veroorzaakt door de slagen op die schouder. Benadeelde heeft hier enkele weken pijn en last van ondervonden.

4- de verklaring van [S.S.] van 4 april 2011 (dossierpagina 710 e.v.).

Op zaterdag 2 april 2011 zijn [J.W.] en ik overvallen in onze woning op [adres]. Plotseling werd ik wakker omdat ik uit mijn bed werd gegooid. Ik voelde dat ik aan mijn armen uit mijn bed werd getrokken en ik werd voor mijn bed op de grond gegooid. Ik moest op mijn buik gaan liggen met mijn handen op mijn rug. Ik voelde toen dat iemand op mijn rug zat, Dit deed pijn. Ik kreeg hierdoor geen lucht meer. Toen ik op de grond lag, zag ik dat [J.W.] naast het bed zat. Ik zag dat [J.W.] tegen probeerde te stribbelen, maar dat dit geen zin had omdat er twee mannen bij [J.W.] stonden om hem in bedwang te houden. Ik zag dat [J.W.] vrijwel direct in elkaar werd geslagen. Ik zag dat er drie personen bij ons in de slaapkamer waren. Ik zag dat er een grote plas bloed bij [J.W.] op de grond lag. Vervolgens zag ik dat [J.W.] tape om zijn gezicht heen kreeg. Ik zag dat de tape over de neus, mond en ogen van [J.W.] werden geplakt. Het werd over zijn hele gezicht gebonden.

Ik hoorde de persoon die op mij zat zeggen dat ik mijn mond moest houden. Ik voelde dat hij hele harde schoppen tegen mijn knieën en schenen gaf. Ik voelde hierdoor een hevige pijn.

Ik zag dat [J.W.] probeerde de tape van zijn gezicht te halen. Ik zag dat NN3 erg boos was. Ik zag dat hij tegen de ribbenkast van [J.W.] begon te trappen. Hij takelde [J.W.] heel erg toe. Ook zag ik dat [J.W.] werd geschopt op zijn achterhoofd en op de zijkant van zijn gezicht. Ik zag dat [J.W.] geen lucht meer kreeg. Ik zag dat NN3 steeds op [J.W.] aan het inschoppen en slaan was.

Ik probeerde [J.W.] te helpen de tape van zijn gezicht te halen. Hierop zag en voelde ik dat ik een harde klap in mijn gezicht kreeg van NN3. Hij sloeg mij met gebalde vuist tegen de rechterkant van mijn kaak. Deze klap deed veel pijn.

NN2 liep door het huis heen. Hij kwam terug de slaapkamer in met een kluis. Hij zette de kluis voor [J.W.]. Ik hoorde de overvallers zeggen: "code, geld, code, geld, we willen geld!". [J.W.] wist de code niet. Ik zag NN3 of NN2 met een koevoet, die de overvallers bij zich hadden, de kluis probeerden open te maken. Dat lukte niet.

Hierop werd [J.W.] weer in elkaar geslagen. Ik zag dat hij door NN3 met de koevoet werd geslagen in zijn nek en op zijn lichaam. Ik zag dat de koevoet werd opgeheven en vervolgens met kracht op het lichaam van [J.W.] neer kwam. Er werd echt op hem ingehakt. Ik weet niet hoe vaak ze hem hebben geslagen. Ik zag dat het bloed overal uitkwam. Het kwam uit zijn mond en uit de wonden op zijn hoofd.

Boven in de badkamer ben ik nog een keer in mijn gezicht geslagen. Deze klap deed veel pijn.

Ik hoorde [J.W.] zeggen dat ze in zijn broekzak moesten kijken. Ik zag dat NN2 het licht aan deed in de slaapkamer. Ik zag dat hij geld uit de broek van [J.W.] pakte.

NN2 kwam naar boven met de sleutel van mijn auto. Vervolgens heeft NN2 mijn auto gehaald en voor de deur van het huis gezet. Vervolgens moest ik met NN1 en NN2 mee naar beneden. NN1 en NN2 hebben toen de kluis meegenomen naar beneden. Toen ik beneden was zag ik dat het 03.50 uur was. Hierop hebben NN1 enNN2 de kluis naar mijn auto gebracht. Ik zag dat ze deze op de achterbank van mijn auto hebben gezet. Vervolgens liepen wij in de richting van het kantoor. Hier zagen wij dat het licht boven het kantoor brandde. Ik vertelde dat de kluis binnen in het kantoor was, maar dat ik geen sleutel had. NN1 en NN2 keken naar de ruimte boven het kantoor en vroegen wie daar woonde. Ze vroegen dit omdat het raam openstond en omdat ze het licht zagen branden.

Hierop ging ik weer naar de slaapkamer met NN1 en NN2. Ik zag dat het 04.00 uur was.

Ik zag dat [J.W.] op de grond lag en dat zijn hoofd en nek waren ingetapet. Ik hoorde [J.W.] kreunen dat hij geen lucht meer kreeg. Ik zag dat NN3 de koevoet nog in zijn handen had. Ik zag dat hij [J.W.] hiermee met kracht op zijn hoofd sloeg. Hij was met de koevoet op zijn hoofd aan het inhakken. Hij heeft zeker acht of negen keer met de koevoet op zijn hoofd geslagen. Ik zag dat [J.W.] hevig aan het bloeden was en dat hij er slecht uitzag.

Vervolgens moest ik het ketelhok in. Zij hebben mij hierin tegen mijn wil opgesloten. De deur was afgesloten met kabels, Ze hebben met kabels de deurklinken aan elkaar vastgemaakt. Hierdoor kon ik er niet meer uit. Daarna zijn de daders weggegaan. Ik hoorde mijn auto wegrijden. Na een minuut of vijf heb ik Jos geroepen. Hij heeft met veel moeite de deur van het ketelhok geopend. Toen kwam ik er achter dat ze mijn telefoon hadden meegenomen. Hierop heb ik nog foto's gemaakt van hoe slecht [J.W.] eraan toe was.

Bij de overval werd weggenomen een zwarte personenauto, [merk].

5a- de verklaring van [R.A.] afgelegd bij de politie op 31 mei 2011 (dossierpagina 385 e.v.).

We gingen eerst kijken. Diegene die ons getipt heeft, heeft gezegd hoe en wat. Hij wist niet waar het geld lag. We zijn naar zijn huis gegaan. Daarna zijn we naar de manege gereden. We hebben op het erf rondgelopen. Het was in de avond op 30 maart 2011. We zijn maar een kwartiertje daar geweest. Daarna is de tipgever naar huis gegaan en zijn wij naar Den Haag gegaan. Alle jongens die op die woensdagavond (het hof begrijpt: 30 maart 2011) mee waren hebben ook de overval gepleegd, behalve de tipgever. We hebben besloten om op vrijdagavond terug te komen. Ik zag de contactpersoon van de tipgever elke dag. Diegene is een goede vriend van mij. Vrijdagavond (het hof begrijpt: 1april 2011) hebben we alleen met elkaar gepingd. Ik heb met diegene bij hem thuis afgesproken. Daar was die andere jongen ook. We zijn met z'n drieën naar Aalsmeer gereden. We zijn rond negen uur half tien vanuit Den Haag daar naartoe gereden. We hebben daar een paar uur staan wachten omdat er nog mensen op het terrein waren en het licht in de boerderij nog aan was. We hebben mijn auto voorbij de boerderij langs de dijk geparkeerd.

We zijn via een raampje van een wc naar binnen gegaan. Een vriend van mij is naar binnen gegaan. Die vriend heeft de deur open gemaakt voor mij en mijn andere vriend. Die vriend heeft het raampje geforceerd en is naar binnen geklommen. Dat was op de begane grond. Hij heeft de garagedeur open gemaakt en toen zijn die andere jongen en ik ook naar binnen gegaan.

We gingen zoeken. In de laatste kamer lagen die boer en zijn vriendin te slapen. Een van ons deed het licht aan. Toen schoten ze wakker. Ik zou hun vastbinden, maar het lukte niet. Hij was sterk en hij verweerde zich. Ik heb hem misschien een paar schoppen gegeven. Ik kreeg hem niet vastgebonden want die vent verzette zich. Toen gingen we wisselen. Toen heb ik die vrouw tegengehouden. Mijn vrienden gingen naar die man toe. Zij pakten die man aan. Hij is geslagen en goed ook. We droegen een bivakmuts en zwarte kleding. De vrouw lag op haar buik naast het bed. Ik zat boven op haar en hield mijn handen op haar rug. Een van die jongens had een taser. Hij heeft die man daarmee geprikt. Ik heb een of twee keer het gekraak van die taser gehoord.

Diegene vroeg om geld. Die man zei dat hij geld had in zijn broekzak. Hij zei: neem de kluis mee. Een vriend heeft het geld uit die broekzak gepakt. Ik nam het meisje mee om in het kantoor te gaan kijken. Dat meisje zei dat er geld in het kantoor lag. De deur was afgesloten en er brandde licht. Ik vond het te link om daar naar binnen te gaan. Toen liepen we terug. We hebben met z'n tweeën de kluis op de achterbank van de [auto] gezet. Die [auto] stond al voor de deur. Toen zijn we weggegaan. Ik ben in de [auto] weggegaan. De andere jongens zijn naar mijn auto gelopen en daarmee weggegaan. Ik heb een van die jongens onderweg gebeld want ik wilde mijn eigen auto terughebben. Die jongen zei dat we rechtstreeks naar Den Haag zouden rijden. We kwamen rond vier à vijf uur terug in Den Haag. Die [auto] heb ik bij die vriend in de buurt in die wijk neergezet. De volgende dag hebben we de kluis opengebroken. Ik heb die nacht geslapen bij die vriend, die daar in de buurt woont. Die andere vriend is met zijn eigen auto naar huis gegaan. De kluis is met een slijptol opengemaakt. Er zat niks in. We hebben de kluis weggegooid in een container. We waren er alle drie toen we de kluis gingen openbreken.

Ik was ook uitgenodigd voor de housewarming, maar ik ben niet gegaan. Die andere twee jongens die de overval hebben meegedaan, zijn wel naar het feest gegaan.

5b- de verklaring van [R.A.] afgelegd bij de politie op 16 juni 2011 (dossierpagina 591 e.v.).

Een vriend van mij wist ergens geld te liggen. We waren met z'n tweeën. Toen hebben we er een ander bij betrokken. We spraken af met de tipgever. De tipgever ging mee. We spraken toen af dat we het vrijdag gingen doen. We spraken dat af op de woensdag toen we daar gingen kijken. We keken naar de vluchtroute. De tipgever zou niet meegaan. Bij de voorverkenning waren we met twee auto's. We zouden na de verkenning naar huis gaan. Ik heb met mijn vriend toen over de ping afgesproken om daarheen te gaan. We gingen met z'n drieën weg vanuit Den Haag om de overval te plegen. We gingen met mijn auto. We reden rechtstreeks naar de boerderij/manege. Op 1 april 2011 rond 22.00 uur reden we daarheen. We wachtten tot het donker werd. We stonden op de dijk te wachten. De auto stond verderop. We wachtten tot het rustiger werd op de manege. We zijn toen achterom gegaan en door een raampje naar binnen gegaan. Een vriend van mij ging eerst naar binnen en maakte aan de andere kant de deur voor ons open. We hebben eerst in het huis rondgekeken en zijn toen met z'n drieën naar boven gegaan. We hadden tape en een taser. Toen we binnengingen had ik tape bij me. Hij werkte tegen. We vochten om de man in bedwang te krijgen. Een vriend van mij werd kwaad op die man en ramde hem in elkaar.

We hadden allemaal boven een kluis zien staan. Dat was de kluis die we later meenamen. We hebben de kluis op de achterbank van de [auto] gezet. Ik zat als chauffeur in de [auto]. Die andere twee gingen met mijn auto. Ik heb nog met hen gebeld op de terugreis naar Den Haag. Ik reed toen naar het huis van die vriend, naar [adres] te Den Haag. Een kwartier later kwamen zij ook. Ik bleef slapen bij die vriend aan [adres]. Die ander ging naar huis.

De volgende dag hebben we de kluis opengemaakt. Dat was in de ochtend. We hadden een paar uurtjes geslapen. Er zat een papiertje in de kluis. De kluis gooiden we weg. We zijn met z'n drieën bij het openen van de kluis geweest. Ik liet de [auto] in de [adres]staan.

[R.E.] heeft ons getipt. [C.L.] wist er ook van. [C.L.] was er woensdag 30 maart 2011 ook bij. Zij wist overal vanaf. [R.E.] en [C.L.] wisten dat we een overval gingen plegen. Wij zeiden die woensdag toen we bij die manege waren tegen [R.E.] en [C.L.] dat we vrijdag een overval zouden gaan plegen. Beiden hebben ons wegwijs gemaakt.

5c- de verklaring van [R.A.] afgelegd als getuige in de strafzaken tegen [R.E.], [A.S.], [C.L.] en de verdachte, bij de rechter-commissaris op 23 augustus 2011.

Ik blijf bij de laatste verklaring (het hof begrijpt: die van 16 juni 2011) die ik heb afgelegd bij de politie. Zoals ik toen heb verklaard, is de waarheid.

6a- de verklaring van [R.E.] afgelegd bij de politie op 28 juli 2011 (dossierpagina 638 e.v.).

Ik heb met een van de drie daders regelmatig contact gehad. Ik sprak met hem over [C.L.] en de paarden, dat er geld was. Diegene waar ik dat mee besprak vroeg daar over door. Hij vroeg naar de geldopbrengst, waar dat zou kunnen liggen en andere informatie.

Ik wist niet hoeveel geld het was en waar het lag. [C.L.] en ik wisten dat niet, dus daar konden we hen niet bij helpen. Op woensdag, de dag van de voorverkenning, wilde hij bij mij langskomen om te kijken op de manege. Ze zijn die woensdagmiddag om een uur of vier/vijf naar mijn huis gekomen. We zijn in de auto gestapt om daarheen te rijden. We zijn toen van de parkeerplaats naar boven gelopen samen met die jongens. We stonden op de dijk. Daar hebben we dingen besproken over dat ruitje en het intikken ervan. Daar zijn toen ook de geluidsopnames gemaakt. Op de geluidsopnames zijn de jongens meer te horen. Zij waren met z'n drieën aan het overleggen hoe ze het beste naar binnen konden gaan, hoe laat en wanneer. [C.L.] en ik zijn daarna samen weggereden in haar auto. Die jongens zijn met z'n drieën naar Den Haag gereden. Die jongens zouden het vrijdag doen.

Ik heb ook twee van de jongens daarna gezien. Op zaterdag (het hof begrijpt: tijdens de housewarming op 2 april 2011) hebben ze uitgelegd wat er gebeurd was. Ze hebben kort verteld dat het niet gegaan was, zoals het had moeten gaan. Ze hadden een [auto] weggenomen, geld uit de broekzak van die man en een kluis, die achteraf gezien leeg bleek. Ik heb toen een filmpje gezien van het openmaken van die kluis. Die jongens zeiden tijdens de housewarming ook dat zij onkosten hadden gemaakt voor de aanschaf van bivakmutsen, benzine en tie-rips.

Ik kon niet vertellen waar het geld zou liggen, thuis of op kantoor. Ze wilden niet het risico lopen om met niets thuis te komen, dus zouden ze een overval plegen zodat ze dit aan de bewoners konden vragen. Ze hebben met z'n drieën besloten dat ze het vrijdagavond zouden doen. Ik wist dat het die drie jongens waren die dit zouden doen. Dit hadden ze zo afgesproken.

V: Tijdens de housewarming heb je gesproken met die jongens over de overval.

A: Ik heb twee van die jongens gesproken samen met [C.L.]. Die jongens zeiden dat ze op de avond van de overval een tijd hebben gewacht, op de dijk in de bosjes. Ze zijn 's nachts naar binnen gegaan. Een van die jongens is via een raampje naar binnen gegaan en heeft de andere twee binnengelaten. Ze pakten de slachtoffers vast, maar de man vocht terug. Ze hadden een taser bij zich, maar daar reageerde de man niet op. Ze hebben die man daarom geslagen en toen vastgebonden met tape. De jongens zeiden dat ze een tijd in dat huis zijn geweest. Ze hebben een kluis en de autosleutels van de [auto] gepakt. Die hadden ze aan het meisje gevraagd. De kluis is achterin de auto gegaan en toen is een van die jongens met die [auto] weggereden. Voordat ze weggingen wilden ze met het meisje naar het kantoor lopen omdat daar misschien geld lag. Toen ze naar het kantoor liepen bleek iemand anders daar te slapen. Ze zijn toen weer naar binnen gegaan en daarna zijn ze weggegaan.

V: Wat is er tijdens de voorverkenning besproken over het gebruik van een wapen bij de overval?

A: Ik hoorde dat ze een taser zouden meenemen, dat is mij verteld. Een pistool zou te ver gaan. Ze wilden die taser gebruiken om het geld te krijgen van die man.

6b- de verklaring van [R.E.] afgelegd als getuige bij de raadsheer-commissaris op 25 januari 2013.

Ik heb ongeveer een maand voordat de overval op de manege in Aalmeer plaatsvond een gesprek met iemand gehad. Na dat gesprek is het balletje gaan rollen. Die persoon wilde dingen weten over de stal van [J.W.] en over de paarden. Die persoon heeft mij verschillende keren om informatie gevraagd. Hij kwam steeds met meer vragen.

Tijdens de housewarming hoorde ik van de overval. Dat was een gesprek met [A.S.] en de verdachte. Zij vertelden dat het tijdens de overval helemaal fout was gegaan.

Over de betrokkenen bij de voorverkenning ben ik openhartig geweest, daar waren bij: [R.A.], de verdachte en [A.S.].

7a- de verklaring van [C.L.] afgelegd bij de politie van 20 juni 2011 (dossierpagina 611 e.v.).

Ik weet wel dat zij het hebben gedaan. [R.E.] was er zeker niet bij. Op 2 april 2011 waren ze bij ons. We zijn naar de zolder gegaan en zij vertelden dat ze daar waren geweest. Ze vertelden dit aan mij en aan [R.E.]. Ze vertelden dat ze alleen naar binnen waren gegaan om te kijken of ze geld konden pakken. Dit is alleen allemaal anders gegaan. "Ze" zijn [A.S.], de verdachte en [R.A.].

Ze kwamen [J.W.] en [S.S.] in de slaapkamer tegen en [J.W.] begon meteen te vechten. Ze zeiden zelf ook dat ze waren geschrokken van hoe het is gegaan. Ze vertelden dat [J.W.] tot bloedens toe op de grond lag. Ik vroeg hoe het met [J.W.] en [S.S.] was. Met [S.S.] was het goed. Ze hebben gevochten voor hun leven, zowel [J.W.] als de jongens. Ze vertelden verder dat ze een kluis hadden meegenomen maar dat er niets in zat. Ze vertelden dat het lang had geduurd. Ze vertelden dat [J.W.] op de grond lag, maar dat hij weer opstond en dat hij niets eens reageerde op stroomstoten uit een stroomstootwapen dat ze tegen hem gebruikten.

Eerst zat de verdachte op [S.S.]. Maar omdat [J.W.] zo sterk was ging [R.A.] op [S.S.] en ging de verdachte naar [J.W.]. [A.S.] was ook bij [J.W.]. De verdachte en [A.S.] hebben nog gezegd dat ze veel geweld hebben moeten gebruiken omdat [J.W.] zo aan het terug vechten was. [J.W.] reageerde nergens op, ook niet als hij een stoot kreeg in zijn buik en op dat stroomstootwapen.

Ze zijn met z'n drieën naar de overval gegaan. Ik weet niet met hoeveel auto's ze zijn heen gegaan. Ik weet wel dat ze de auto van [S.S.] hebben meegenomen. Ik weet dat [R.E.] het ook wist. Ik weet dat ze erover hebben gesproken. Dat was ongeveer een maand ervoor. [R.E.] heeft toen met [A.S.] gesproken. Volgens mij heeft [R.E.] tegen [A.S.] gezegd dat ze daar gingen inbreken voor geld. Ik hoorde dus ongeveer een maand ervoor van de plannen. [R.E.] heeft het ook tegen mij gezegd. [R.E.] had het erover dat hij ergens geld vandaan wilde halen.

[R.E.] kwam met de verdachte, [A.S.] en [R.A.] mijn kant op. We zijn toen naar [J.W.] gereden. Er werd gevraagd of dat de boerderij van [J.W.] was. Ik heb gezegd dat het inderdaad zijn woning was. We zijn daarna om de stal heen gegaan. Ze hebben toen gevraagd hoe je daar binnen kan komen. Ik heb ze uitgelegd dat ze via de voordeur binnen konden komen. Er werd gevraagd of er mensen op het erf open. Ik heb gezegd dat er gemiddeld tot tien a elf uur mensen zouden zijn. Ook zouden er nog mensen uit de bar kunnen komen. Ik heb uitgelegd hoe de woning er vroeger uitzag.

Ze gingen inbreken voor het geld, dus wilde ik geld zien omdat ik ook dingen heb gezegd om te helpen. Ik weet dat zij (het hof begrijpt: [S.S.]) bang zou worden gemaakt en dan zou vertellen waar de zaken lagen.

7b- de verklaring van [C.L.] afgelegd als getuige bij de raadsheer-commissaris op 25 januari 2013.

[R.E.] kwam met [A.S.], [R.A.] en de verdachte naar de manege. Het gesprek dat is opgenomen vond plaats op de dijk, nadat wij van de manege waren weggereden. We waren met twee auto's. Op de dijk stonden we met de hele groep. We stonden met z'n vijven buiten de auto's. Iedereen deed mee aan het gesprek. Ik vind het moeilijk om te onderscheiden tussen mijn herinnering van wat ik zelf heb ervaren en wat ik weet uit het dossier. De zaak loopt al twee jaar en ik heb op allerlei momenten dingen gehoord en gelezen. Op de dag van de housewarming had [R.E.] met [A.S.] gepingd. [R.E.] vertelde mij dat toen ik thuiskwam. Hij vertelde dat er iets ergs was gebeurd, dat [A.S.] had gevochten en dat we de rest die avond zouden horen. [A.S.], de verdachte en zijn vriendin kwamen op onze housewarming op 2 april 2011. [R.E.] en ik hebben hen een rondleiding gegeven. Aan het eind van de rondleiding waren we op zolder. Toen hebben de verdachte en [A.S.] over de overval verteld. Ik weet wel dat ze er allebei over spraken. Het verhaal van de verdachte en [A.S.] is zo op mij overgekomen dat zij verteld hebben hoe zij [J.W.] en [S.S.] hebben overvallen. Ze vertelden dat het de avond voor de housewarming was gebeurd. Ik heb op 20 juni 2011 tegen de politie gezegd wat ik wist.

Ik heb uit het verhaal dat op zolder is verteld begrepen dat [R.A.], [A.S.] en de verdachte binnen zijn geweest.

8a- het proces-verbaal van bevindingen identificatie technische actie telefoonnummers [X] en [Y] (dossierpagina 467 e.v.).

Het telefoonnummer [X] is in gebruik bij [R.A.].

Het telefoonnummer [Y] is in gebruik bij de verdachte.

De telefoon van [R.A.] straalt op 2 april 2011 om 02:35:23 aan op mastnummer 58855 met als locatie Fokkerweg 300 te Oude Meer en om 04:14:45 uur op mastnummer 11022 met als locatie Hendrik Walaardt Sacresstraat 236 te Schiphol.

De hiervoor genoemde locaties liggen in de directe omgeving van de [adres], alwaar de overval heeft plaatsgevonden.

De telefoon van de verdachte straalt op 2 april 2011 om 04:20:03 aan op mast 58992 met locatie Piet Guilonard 3 te Schiphol en om 04:21:34 uur op mast 6813 met als locatie Zeelandiahoeve te Amstelveen.

De hiervoor genoemde locaties liggen in de directe omgeving van [adres], alwaar de overval heeft plaatsgevonden.

8b- het proces-verbaal van bevindingen identificatie technische actie [Z] (dossierpagina 335 e.v.).

Het telefoonnummer [Z] is in gebruik bij [A.S.].

De telefoon van [A.S.] straalt op 2 april 2011 om 04:04:54 aan op mastnummer 58855 met als locatie Fokkerweg 300 te Oude Meer.

Deze locatie ligt in de directe omgeving van [adres], alwaar de overval heeft plaatsgevonden.

8c- het proces-verbaal historisch telefoonbestand van het nummer [X] (dossierpagina 325 e.v.).

De telefoon van [R.A.] peilt op 1 april 2011 vanaf 22:15 uur tot (2 april 2011) om 04.17 uur uit in de directe omgeving van [adres], te weten in Oude Meer en op Schiphol. In de periode dat die telefoon daar uitpeilt, heeft dit nummer contact met de telefoons van de verdachte en [A.S.], die, zoals hiervoor onder 4a en 4b is weergegeven, daar dan ook uitpeilen.

9- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 4 februari 2012.

Ik was op 30 maart 2011 aanwezig tijdens de voorverkenning. We stonden met twee auto's op een dijkje. Er is toen onder andere gesproken over het gereedschap dat ik die vrijdag mee moest nemen.

Ik ben op 2 april 2011 met [A.S.] bij de housewarming van [R.E.] en [C.L.] geweest. Op zolder hebben wij, [R.E.], [C.L.], [A.S.] en ik, toen kort over de overval gesproken.

Conclusie

Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierna in de rubriek "bewezenverklaring" zal worden vermeld, heeft begaan.

Daartoe wordt, mede in het licht van en in antwoord op de gevoerde verweren, het volgende overwogen.

B. Nadere bewijsoverweging inzake zwaar lichamelijk letsel [J.W.]

Tijdens de overval is letsel toegebracht aan [J.W.]. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit letsel - naast verwondingen aan hoofd, nek en rug, kneuzingen en een gescheurde schouderspier - uit twee gebroken ribben en een klaplong. Daarnaast is de duurzaam, namelijk door implantaten (het hof begrijpt: metalen kunstwortels), in de mond van [J.W.] bevestigde gebitsprothese uit zijn mond geslagen. Deze gebitsprothese is hierdoor onherstelbaar beschadigd.

Voor de beantwoording van de vraag of genoemd letsel zich laat kenmerken als zwaar lichamelijk letsel is het volgende van belang. Naast de in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht niet limitatief opgesomde categorie ën, waartoe het letsel van [J.W.] niet kan worden gerekend, is sprake van zwaar lichamelijk letsel indien het letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Voorts is van belang dat voor het aannemen van zwaar lichamelijk letstel niet vereist is, dat het om blijvend letsel gaat. Indien evenwel niet vaststaat dat het letsel blijvend is, zal de ernst van het letsel in andere factoren moeten zijn gelegen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De gebroken ribben en de klaplong

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de medische verklaringen en de toelichting op de vordering benadeelde partij, blijkt dat [J.W.] tijdens de overval met een koevoet op zijn is borst geslagen waardoor twee ribben aan de rechterzijde van zijn lichaam zijn gebroken. Een van die ribben is door de rechterlong gegaan, waardoor een klaplong is ontstaan. [J.W.] is in verband met die klaplong in het ziekenhuis behandeld. Die behandeling heeft bestaan in het door middel van een incisie (in de borst) plaatsen van een thoraxdrain, opdat de rechterlong zich weer zou ontvouwen. Deze thoraxdrain is na vier dagen uit het lichaam verwijderd. Bij de eindcontrole op 9 juni 2011 is de long hersteld verklaard. Ten aanzien van de ribben gold dat medisch ingrijpen niet noodzakelijk was. Dit laat evenwel onverlet dat [J.W.] zoveel pijn aan die ribben heeft gehad, dat hij gedurende een periode van acht weken niet in staat is geweest de gewone werkzaamheden binnen zijn bedrijf te verrichten. Deze letselcomponenten, zowel afzonderlijk als in samenhang beschouwd, laten zich, naar het oordeel van het hof, dan ook aanmerken als zwaar lichamelijk letsel.

Aan de hand van het hiervoor weergegeven criterium laat het overige letsel een dergelijke conclusie niet toe.

C. Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs

[R.A.] heeft bij de politie meerdere verklaringen afgelegd. Hij heeft op 31 mei 2011 en op 16 juni 2011 bij de politie verklaringen afgelegd, die in het licht van andere verklaringen zowel voor de medeverdachten als voor hemzelf belastend zijn.

Op 23 augustus 2011 is hij als getuige, onder meer in de strafzaak tegen de verdachte bij de rechter-commissaris, in het bijzijn van de verdediging, gehoord. [R.A.] heeft bij die gelegenheid enkele vragen beantwoord en verklaard dat hij blijft bij de laatste verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd (het hof begrijpt de verklaring van 16 juni 2011), en zich voor het overige op zijn verschoningsrecht beroepen.

Vervolgens heeft [R.A.] op 27 februari 2012, wederom gehoord als getuige bij de rechter-commissaris in onder meer de strafzaak tegen de verdachte, in het bijzijn van de verdediging, een verklaring afgelegd. Bij die gelegenheid heeft hij zijn eerdere verklaringen over de verdachte herzien en voorts gezegd dat [A.S.] in het geheel niet betrokken is geweest.

[R.A.] is ten slotte op 4 februari 2013 ter terechtzitting in hoger beroep - op vordering van de advocaat-generaal en niet (tevens) op verzoek van de verdediging - in de zaak tegen de verdachte als getuige gehoord, bij welke gelegenheid hij zich grotendeels op zijn verschoningsrecht heeft beroepen.

Aan de raadsman moet worden toegegeven dat de verklaring van [R.A.] van 27 februari 2012 inhoudelijk op essentiële punten, in het bijzonder waar het betreft de betrokkenheid van [A.S.] als zodanig en de aard van de betrokkenheid van de verdachte, afwijkt van zijn eerdere, hiervoor onder 5a, 5b en 5c genoemde, in de kern eensluidende, verklaringen.

Het hof acht die eerdere verklaringen desalniettemin betrouwbaar. Daartoe wordt het volgende overwogen.

[R.A.] heeft op 31 mei 2011 en op 16 juni 2011 tegenover politieambtenaren eenduidig en consistent verklaard. Die verklaringen vinden bovendien steun in ander bewijsmateriaal, te weten de verklaringen van [R.E.] en [C.L.] en de telecom-gegevens.

[C.L.] heeft op 20 juni 2011 uitvoerig en zeer gedetailleerd verklaard over hetgeen is voorgevallen tijdens de voorverkenning op 30 maart 2011 en de housewarming op 2 april 2011, georganiseerd door haar en haar toenmalige partner [R.E.].

Op 25 januari 2013 is zij daarover als getuige bij de raadsheer-commissaris gehoord, onder meer in de strafzaak tegen de verdachte. Zij heeft bij die gelegenheid geen afstand genomen van haar eerdere verklaring, integendeel. Zij heeft benadrukt dat zij op 20 juni 2011 tegen de politie heeft gezegd wat zij (naar het hof begrijpt:) toen wist en hoe zij zich de housewarming en wat daar tegen haar over de gang van zaken tijdens de overval was gezegd herinnerde. De enkele omstandigheid dat zij op een later moment, in het bijzonder tijdens het verhoor ten overstaan van de raadsheer-commissaris - door het verstrijken van de tijd en/of door de werking van haar geheugen, zoals ook door haar zelf is

gesuggereerd - ten aanzien van bepaalde onderdelen niet meer weet of het eigen wetenschap betreft of kennis op basis van het dossier, maakt dat niet anders.

De stukken in het dossier bieden geen enkele grond voor de veronderstelling dat [C.L.] op 20 juni 2011 niet uit eigen wetenschap heeft verklaard. Bovendien vindt haar verklaring, juist waar het de gebeurtenissen op 30 maart 2011 en 2 april 2011 betreft, op essentiële punten en relevante details, die ook bevestiging vinden in de aangiftes van [J.W.] en [S.S.], steun in de verklaring van [R.E.] van 28 juli 2011. Gelet daarom is er geen aanleiding de verklaring van [C.L.] als onbetrouwbaar terzijde te schuiven.

Ook [R.E.] heeft op 28 juli 2011 verklaard over het voorgevallene tijdens de voorverkenning op 30 maart 2011 en de housewarming op 2 april 2011. De stukken in het dossier bieden geen enkele grond voor de veronderstelling dat hij toen niet uit eigen wetenschap of naar waarheid zou hebben verklaard. Evenals de verklaring van [C.L.] van 16 juni 2011 laat ook de genoemde verklaring van [R.E.] zich kenschetsen als uitgebreid en gedetailleerd alsmede bevestigd op essentiële punten en relevante details door de aangiftes van [J.W.] en [S.S.].

[R.E.] heeft weliswaar bij de raadsheer-commissaris op 25 januari 2013 verklaard dat tijdens het gesprek op de housewarming waarin de verdachte en [A.S.] verslag deden van de overval op [J.W.], geen namen van daders zijn genoemd, maar hij is bij die gelegenheid op verschillende momenten ook zeer expliciet geweest over zijn angst voor het noemen van namen. Tegen die achtergrond en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de inhoud van deze verklaring van [R.E.], ziet het hof geen grond de verklaring van [R.E.] van 28 juli 2011 als onbetrouwbaar terzijde te schuiven.

Het hof komt derhalve tot de conclusie dat de verklaringen van [C.L.] en [R.E.] zowel op significante hoofdlijnen als op relevante details de voor verdachte belastende verklaringen van [R.A.] ondersteunen, zodat het hof de belastende verklaringen van [R.A.] betrouwbaar acht en voor het bewijs zal gebruiken.

Voorwaardelijk verzoek

Nu het hof de verklaringen van [R.A.] wel voor het bewijs zal gebruiken, is de voorwaarde zoals verbonden aan het verzoek om heropening van het onderzoek en tot toevoeging van het omtrent [R.A.] opgemaakte psychologisch rapport aan het dossier van de verdachte, vervuld.

Het hof is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de verklaringen van deze medeverdachte, van oordeel dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, de noodzaak tot inwilliging van genoemd verzoek niet is gebleken. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

D. Alternatief scenario

De verdachte heeft op 22 augustus 2011 bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd die er - kort gezegd - op neerkomt dat hij op 30 maart 2011 met [R.E.], [C.L.], [A.S.] en [R.A.] bij de voorverkenning aanwezig is geweest. Op de dag van de overval is hij met [R.A.] en twee hem onbekende blanke jongens van Den Haag naar Aalsmeer gereden. Bij het pand aangekomen zijn [R.A.] en de twee anderen uitgestapt, de verdachte is in de auto blijven zitten. Na enige tijd kwam [R.A.] de verdachte halen en heeft de verdachte een raampje dat al openstond verder open gebogen. Daarna is hij weer in de auto gaan zitten. Hij heeft daar één à anderhalf uur gewacht. Toen pingde [R.A.] dat hij alvast maar terug moest gaan. De verdachte heeft geprobeerd [R.A.] telefonisch te bereiken, maar deze nam zijn telefoon niet op. De verdachte is vervolgens naar Den Haag gereden. Onderweg heeft [R.A.] hem gebeld. Zij spraken af op de parkeerplaats bij [adres]. Daar heeft de verdachte de telefoon van [A.S.], die in de door de verdachte teruggereden auto lag, aan [R.A.] gegeven. De verdachte weet zich nog te herinneren dat [R.A.] die avond de telefoon van [A.S.] had meegenomen en gedurende de hele avond en nacht had gebruikt om met [S.H.] te pingen. Hij kon niet zien wat [R.A.] pingde.

Deze verklaring heeft de verdachte ter terechtzitting van rechtbank en hof in grote lijnen herhaald.

[R.A.] heeft bij de rechter-commissaris op 27 februari 2012 een verklaring afgelegd, waarin hij dit relaas van de verdachte op verschillende onderdelen bevestigt en voorts gezegd dat [A.S.] in het geheel niet betrokken is geweest bij de uitvoering van de overval. Hoewel [R.A.] in deze verklaring niet met zoveel woorden spreekt over de rol van de verdachte begrijpt het hof deze verklaring van [R.A.] aldus dat hij verdachtes betrokkenheid heeft beperkt en hem niet langer aanwijst als een van de drie personen die aan het geweld tijdens de woningoverval heeft deelgenomen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

- Op 23 augustus 2011 is [R.A.] bij de rechter-commissaris voor het eerst met voornoemde verklaring van de verdachte geconfronteerd. Hij is dan zelfs niet op de hoogte van het feit dat de verdachte de dag daarvoor als getuige en als verdachte in zijn eigen zaak was gehoord. [R.A.] verklaart dan direct en onomwonden dat de verklaring van de verdachte onjuist is.

- De stukken in het dossier, in het bijzonder de verklaringen van [R.E.] en [C.L.], die beiden eensluidend en gedetailleerd verklaren over hetgeen zij tijdens de housewarming hebben vernomen van [A.S.] en de verdachte, bieden geen enkele grond voor de veronderstelling dat niet drie maar vier personen voor het plegen van de overval van Den Haag naar Aalsmeer zijn gereden, noch voor de stelling dat [A.S.] niet één van die personen was.

- De verklaring van [R.A.] van 27 februari 2012 en de verklaring van de verdachte van 22 augustus 2011 (alsmede zijn latere verklaringen) houden in dat zij op 30 maart 2011 in een bepaalde samenstelling bij het - die vrijdag - te overvallen object zijn gaan kijken, terwijl de daadwerkelijke overval door [R.A.] en twee anderen, voor de verdachte onbekenden, zou worden gepleegd en dat de verdachte daarin slechts een zeer beperkte rol zou vervullen. Dit op zichzelf acht het hof al niet voor de hand liggend. Daar komt nog bij dat de verdachte het bestaan en/of de aanwezigheid van die twee anderen op geen enkele wijze nader heeft geconcretiseerd. Een verdergaande omschrijving dan dat het twee blanke jongens betreft wordt door hem niet gegeven, ook niet in latere verklaringen.

- Datzelfde geldt voor [R.A.], die daarnaar gevraagd tijdens zijn getuigenverhoor op 27 februari 2012, verklaart dat hij de desbetreffende personen al ongeveer een jaar kent, maar over hun identiteit geen verdere mededelingen doet. Een uitleg over de reden waarom hij die personen heeft benaderd de dag na de voorverkenning en over de gang van zaken daarbij kan hij evenmin geven.

- Het hof acht het volstrekt niet aannemelijk dat [R.A.] op 31 mei 2011 en 16 juni 2011 gedetailleerde verklaringen aflegt, waaruit in samenhang met de verklaringen van [R.E.] en [C.L.] te herleiden valt dat hij twee (goede) vrienden, te weten [A.S.] en de verdachte, aanwijst als medeplegers van een zeer gewelddadige overval, wetende dat één van die vrienden in het geheel niet bij de overval aanwezig zou zijn geweest en de ander slechts een zeer beperkte rol zou hebben vervuld. Daar komt nog bij dat door [R.A.] geen aannemelijke verklaring is gegeven waarom hij niet van meet af aan heeft verklaard over de twee andere personen en deze al dan niet nader heeft omschreven.

Het hof overweegt nog het volgende.

[R.A.] heeft op 4 februari 2013 als getuige gehoord, ook in de zaak van de verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep, zich telkens beroepen op zijn verschoningsrecht. Na een aantal vragen, waarbij hij telkens afzag van beantwoording, heeft hij op een vraag van de raadsman over het al dan weggegaan zijn van de persoon die het raam zou hebben opengebroken, geantwoord: 'weggegaan'. Na herhaalde formulering van de vraag heeft hij zich opnieuw verschoond en na overleg met zijn raadsman het antwoord niet herhaald.

Naar het oordeel van het hof kan aan dit antwoord, bezien in de context van het gehele verhoor, niet de slotsom worden verbonden dat de getuige [R.A.] een verklaring heeft afgelegd die steun biedt aan de verklaring van de verdachte over de gang van zaken direct voorafgaand aan en tijdens de overval.

Het hof verweegt voorts dat op grond van de stukken in het dossier kanttekeningen bij de verklaring van de verdachte van 22 augustus 2011, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, kunnen worden geplaatst. Deze doen afbreuk aan de geloofwaardigheid hiervan.

Zo heeft de verdachte verklaard dat [R.A.] die avond (het hof begrijpt: de avond van de overval) de hele tijd de telefoon van [A.S.] heeft gebruikt om met [S.H.] te pingen, al kon hij niet zien wat [R.A.] aan haar schreef.

[S.H.] heeft - daarover op 29 februari 2012 bevraagd - ieder contact tussen haar en [R.A.] via de telefoon van [A.S.] gedurende het jaar daaraan voorafgaand - en dus ook op de avond van de overval - ontkend.

De verdachte heeft voorts verklaard dat [R.A.] hem op een gegeven moment een pingbericht heeft gestuurd, inhoudende dat hij maar vast naar Den Haag moest rijden.

De door de verdachte betrokken stelling dat hij (veel) eerder dan [R.A.] (en de anderen) de plaats delict heeft verlaten en naar Den Haag is gereisd, vindt geen steun in de telecomgegevens. Uit die gegevens blijkt immers dat de telefoon van [R.A.] op 2 april 2011 om 03:55:22 een mast in Oude Meer (directe omgeving van de plaats van het delict) aanstraalt, om 04:12:37 een mast te Schiphol en om 04:38:53 een mast in Den Haag (dossierpagina 332 e.v.), terwijl de telefoon van de verdachte op 2 april 2011 om 04:22:48 een mast in Oude Meer aanstraalt, om 04:25:34 een mast in Aalsmeer en om 04:48:07 een mast in Den Haag (dossierpagina 464 e.v.).

Ook dit past niet bij de door de verdachte gegeven versie van het voorgevallene, terwijl deze gegevens wel passen bij hetgeen [R.A.] eerder over het vertrek vanaf de plaats van de overval heeft verteld, namelijk dat hij in de Seat van de bewoners, die voor de woning stond geparkeerd, is gestapt en dat de anderen met zijn auto - die volgens [R.A.] een eind verderop stond (en volgens de verdachte op een minuut of tien lopen van het pand) - en dus ná [R.A.], van de plaats delict zijn vertrokken.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof het door de verdediging geschetste alternatieve scenario in het geheel niet aannemelijk geworden.

Op grond van al het voorgaande worden alle verweren zoals gevoerd met betrekking tot het bewijs verworpen.

E. Ondervragingsrecht beperkt

[R.A.] heeft zich als getuige ter terechtzitting in hoger beroep op zijn verschoningsrecht beroepen. Gelet daarop heeft de verdediging gesteld dat de verdachte het in artikel 6, derde lid, onder d, van het EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht niet in volle omvang heeft kunnen uitoefenen. Op grond daarvan is de verdediging van mening dat de door [R.A.] bij de politie afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Allereerst dient te worden vastgesteld dat de getuige [R.A.] op vordering van de advocaat-generaal is gehoord en dat namens de verdachte om dit verhoor niet is verzocht.

Indien en voor zover op grond van voornoemde gang van zaken geoordeeld moet worden dat de verdachte zijn ondervragingsrecht heeft willen uitoefenen, moet hij geacht worden in de uitoefening ervan te zijn beperkt.

Het hof is evenwel van oordeel dat artikel 6, derde lid, onder d, van het EVRM niet in de weg staat aan het gebruik tot het bewijs van bij de politie door medeverdachte [R.A.] - de verdachte belastende - afgelegde verklaringen, indien verdachtes betrokkenheid bij het hem ten laste gelegde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op onderdelen van de verklaringen van [R.A.] die door de verdachte worden betwist. Hiervan is blijkens al hetgeen hiervoor is overwogen sprake.

Het hof komt, op grond van het voorgaande, tot de slotsom dat voor uitsluiting van het bewijs van de door [R.A.] afgelegde (belastende) verklaringen vanwege schending van artikel 6 van het EVRM geen grond bestaat.

Het daartoe strekkende verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 april 2011 te Aalsmeer in een woning, [adres], omstreeks 03.00 uur, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto, [merk], een mobiele telefoon, een kluis en een geldbedrag van ongeveer 1200 euro, toebehorende aan [S.S.] en/of [J.W.], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [S.S.] en die [J.W.], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en zijn mededaders opzettelijk gewelddadig, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders bivakmutsen en donkere kleding droegen,

- de slaapkamer van die [S.S.] en die [J.W.] hebben betreden en

- die [S.S.] en die [J.W.] vanuit hun bed op de grond hebben gegooid en

- vervolgens op die [S.S.] zijn gaan zitten en

- met kracht met een koevoet, meermalen tegen het gezicht en de borst en de benen van die [J.W.] hebben geslagen en tegen het gezicht en de borst van die [J.W.] hebben geschopt en

- tegen de knie en benen van die [S.S.] hebben geschopt en

- die [S.S.] in het gezicht hebben geslagen en

- de mond van die [J.W.] hebben dicht getaped

tengevolge van welk feit die [J.W.], zwaar lichamelijk letsel, te weten twee gebroken ribben met een klaplong, heeft bekomen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen volledig toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft in dit verband gewezen op de in de Richtlijn voor strafvordering overvallen op woningen en bedrijven genoemde factoren die bij het bepalen van haar strafeis tot uitgangspunt hebben gediend. In het bijzonder heeft zij erop gewezen dat de strafeisen in de richtlijnen voor overvallen zijn verhoogd en landelijk zijn geüniformeerd, met welke verhoging een algemene en speciaal preventieve werking wordt beoogd. Daarnaast heeft zij gevorderd dat het hof ten aanzien van de benadeelde partijen zal beslissen overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank ter zake.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een zeer brute en gewelddadige overval in een woning gedurende de nachtelijke uren. De verdachte en zijn mededaders zijn volgens een tevoren opgezet plan te werk gegaan. Zij hebben die nacht staan wachten totdat de lichten in de woning waren gedoofd. Enige tijd daarna zijn de verdachte en zijn mededaders - gehuld in bivakmutsen en donkere kleding - de woning binnengedrongen en hebben zij [J.W.] en [S.S.] op een zeer kwetsbaar moment, namelijk toen zij lagen te slapen, in de slaapkamer van hun woning, hetgeen een veilige plaats zou moeten zijn, overvallen.

Hetgeen zich vervolgens in die slaapkamer heeft afgespeeld is schokkend.

[J.W.] is op de grond gegooid, zijn gezicht en borst zijn met tape omwikkeld, waarna hij meermalen met een (vooraf meegebrachte) koevoet tegen het gezicht, de borst en zijn benen is geslagen. Ook is hij tegen het hoofd en de borst geschopt. [J.W.] heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Ook jegens [S.S.] is geweld gepleegd. Zij is uit haar bed getrokken en op de grond gegooid. Zij is in haar gezicht geslagen en tegen haar benen geschopt. Eén van de daders heeft op haar gezeten terwijl zij machteloos moest toezien hoe met een koevoet op haar partner werd ingeslagen. [S.S.] is vervolgens meegevoerd in de zoektocht van de daders naar geld en de kluis en de daders hebben haar daarna, terwijl zij in onzekerheid verkeerde over het lot van haar partner, in het ketelhok opgesloten.

Bij de overval is een personenauto, een mobiele telefoon, een kluis en een geldbedrag van ongeveer 1200 euro buitgemaakt. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij enkel uit winstbejag een woningoverval heeft gepleegd, waarbij hij bereid was voorbij te gaan aan de ernstige gevolgen die de uitvoering van zijn plannen voor de slachtoffers zouden hebben.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk gewelddadige feiten daarvan langdurig psychische klachten kunnen ondervinden. Het moge duidelijk zijn dat deze overval voor de slachtoffers een zeer traumatiserende gebeurtenis is geweest. De (totale) ontreddering die op de direct na de overval van [J.W.] gemaakte foto's van diens gezicht is af te lezen, spreekt boekdelen. In hun slachtofferverklaringen zoals ter terechtzitting in hoger beroep door hen voorgelezen hebben [J.W.] en [S.S.] bovendien op heldere en indringende wijze uiteen gezet welke zeer ingrijpende gevolgen deze overval voor hun leven heeft gehad en nog altijd heeft.

De verdachte heeft aldus op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, en heeft op geen enkele wijze respect getoond voor hun privacy en eigendommen. Voorts versterkt een overval als deze de in de samenleving bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS). In het geval van een woningoverval met ander geweld dan licht geweld of dreiging met geweld geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. Als strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren worden genoemd de kwetsbaarheid van de slachtoffers, de omvang van de schade, de aard en ernst van het letsel, het samenwerkingsverband, de professionele werkwijze, recidive en het soort wapen/voorwerp.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van rapportages betreffende de verdachte, te weten:

- Reclasseringsadvies (beknopt) van 9 juni 2011;

- Reclasseringsadvies ten behoeve van de terechtzitting van Palier van 21 september 2011.

Het hof houdt er rekening mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 januari 2013 eerder - ter zake van uiteenlopende strafbare feiten, waaronder in een ver verleden diefstal en mishandeling - is veroordeeld. Het hof stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Gelet op al het hiervoor overwogene, in het bijzonder de zeer gewelddadige uitvoering van deze overval, acht het hof een straf die uitstijgt boven het in de oriëntatiepunten genoemde uitgangspunt van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren aangewezen, zij het niet in de door de advocaat-generaal gevorderde mate. De ernst van het feit noopt hier bepaaldelijk toe. In hetgeen door de raadsman overigens is aangevoerd kan, met inachtneming van het vorenstaande, geen grond worden gevonden voor het opleggen van een straf die lager is dan als hierna is bepaald.

Algemene overweging met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partijen mede als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks schade hebben geleden. Het hof ziet in de onderlinge verhoudingen en posities van deelnemers aan deze overval, geen aanleiding om van het wettelijk uitgangspunt van hoofdelijkheid af te wijken, nu daarin immers voor de slachtoffers een mogelijkheid van gemakkelijke inning en een waarborg voor betaling is gelegen.

Wel zal het hof hiermee rekening houden bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Dit houdt in dat het hof aan de medeplichtigen ([C.L.] en [R.E.]) de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen telkens voor een vijfde deel van de toe te wijzen bedragen aan schadevergoeding, terwijl aan de medeplegers ([R.A.], [A.S.] en de verdachte) de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd telkens voor drie vijfde deel van deze bedragen.

Vordering van de benadeelde partij [J.W.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.875,43. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [S.S.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.426,44. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [J.W.]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [J.W.] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.875,43 (zesduizend achthonderdvijfenzeventig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 1.875,43 (duizend achthonderdvijfenzeventig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [J.W.], een bedrag te betalen van € 4.125,26 (vierduizend honderdvijfentwintig euro en zesentwintig cent) bestaande uit € 1.125,26 (duizend honderdvijfentwintig euro en zesentwintig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [S.S.]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [S.S.] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.426,44 (tweeduizend vierhonderdzesentwintig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 176,44 (honderdzesenzeventig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [S.S.], een bedrag te betalen van € 1.455,87 (duizend vierhonderdvijfenvijftig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 105,87 (honderdvijf euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 1.350,00 (duizend driehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. G. Oldekamp en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder en mr. N. van Dijk, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 februari 2013.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature