< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

KB-Lux

Ongegrond hoger beroep tegen de in eerste aanleg met eenderde van de KB-Luxcorrectie verminderde schatting overeenkomstig het oordeel van dit Hof in zijn uitspraak van 2 juli 2009, LJN BJ1298.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00051, 10/00052, 10/00116 en 10/00117

3 mei 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het onder kenmerk 10/00051 en 10/00052 ingeschreven hoger beroep van

[X] te [Z], België, belanghebbende,

gemachtigde, mr. J.M.H. Römkens te Maastricht, de gemachtigde,

en

op het onder kenmerk 10/00116 en 10/00117 ingeschreven hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 07/617 en 07/2104 van de rechtbank Haarlem van 19 januari 2010 (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 30 november 2005 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) berekend naar - voor zover thans van belang - een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.989 (hierna ook: de correctie 2002). Tegelijk met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking een boete opgelegd ter grootte van 100% van de belasting verschuldigd over de correctie 2002.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar van 20 december 2006 het inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 6.641.

1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 15 augustus 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag opgelegd in de IB/PV berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.885, waarvan een gedeelte ter grootte van € 8.394 bestaat uit een door de inspecteur aangebrachte correctie op het aangegeven inkomen uit sparen en beleggen (hierna: de correctie 2003).

Tegelijk met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking een boete opgelegd ter grootte van 100% van de belasting verschuldigd over de correctie 2003.

Het tegen de aanslag en beschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak, gedagtekend 23 februari 2007, afgewezen.

1.3. In de uitspraak van 19 januari 2010 heeft de rechtbank in de overwegingen opgenomen dat de correcties 2002 en 2003 dienen te worden verminderd met respectievelijk € 2.456 en € 3.367 en dat de boeten dienen te worden gematigd tot respectievelijk 80% en 85% van de – naar het Hof verstaat – belasting verschuldigd over de aldus verminderde correcties 2002 en 2003.

1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep, ingeschreven onder kenmerk 10/00051 en 10/00052, is bij het Hof ingekomen op 26 januari 2010 en aangevuld bij brief van 10 mei 2010.

1.5. Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep, ingeschreven onder kenmerk 10/00116 en 10/0017, is bij het Hof ingekomen op 1 maart 2010 en aangevuld bij brief van 26 april 2010.

1.6. Voor de verdere loop van het geding verwijst het Hof naar de uitspraak van heden met kenmerk 10/00049, 10/00050, 10/00114 en 10/00115, welke aan deze uitspraak is aangehecht en wordt geacht daarvan deel uit te maken (hierna: de aangehechte uitspraak). Het Hof rekent de gedingstukken in de zaken met kenmerk 10/00049, 10/00050, 10/00114 en 10/00115 eveneens tot de gedingstukken in deze zaken.

2. Feiten en geschilomschrijving

Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van het geschil in hoger beroep verwijst het Hof naar de onderdelen 2 en 3 van de aangehechte uitspraak.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Voor de overwegingen met betrekking tot de algemene grieven van de gemachtigde en die met betrekking tot de belasting verwijst het Hof naar de onderdelen 4.1 en 4.2 van de aangehechte uitspraak.

3.2. Uit 's Hofs aldaar gegeven oordeel vloeit voort dat het hoger beroep inzake de algemene grieven en de belasting ongegrond is.

3.3. In onderdeel 4.3.6 van de aangehechte uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat de inspecteur er niet in is geslaagd het door de Hoge Raad in zijn arrest van 15 april 2011, LJN BN6324, bedoelde bewijs te leveren, zodat de boetebeschikkingen dienen te worden vernietigd. Onder verwijzing naar de daaraan ten grondslag liggende motivering, opgenomen in de overwegingen 4.3.1 t/m 4.3.5, neemt het Hof dit oordeel over met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde boeten.

Slotsom

3.4. De slotsom is dat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond is voor zover het de belasting betreft en gegrond voor zover het de boeten betreft. De uitspraak van de rechtbank dient in zoverre te worden bevestigd respectievelijk te worden vernietigd. Het Hof zal het beroep van belanghebbende tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaren en de daarop betrekking hebbende uitspraak van de inspecteur en de boetebeschikkingen vernietigen.

Nu het hoger beroep van de inspecteur uiteindelijk uitsluitend nog de hoogte van de boete betreft, brengt evenvermelde beslissing mee dat dat hoger beroep ongegrond is.

4. Proceskosten, kosten bezwaarfase

Onder verwijzing naar onderdeel 5 van de aangehechte uitspraak stelt het Hof het bedrag van aan de onderhavige hogere beroepen toe te rekenen proceskosten op € 1.147,50 en wordt van de inspecteur een griffierecht geheven € 447.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank uitsluitend wat betreft de boetebeschikkingen ter zake van de aanslagen IB/PV voor de jaren 2002 en 2003,

- verklaart het beroep in zoverre gegrond,

- vernietigt de uitspraken op het tegen de boetebeschikkingen gemaakte bezwaar,

- vernietigt de boetebeschikkingen,

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.147,50,

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 110 te vergoeden en

- bepaalt dat van de Staat een griffierecht wordt geheven van € 447.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter van de belastingkamer, J.P.A. Boersma en A.P.M. van Rijn, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 3 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature