< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De kamer heeft uitvoerig uiteengezet en gemotiveerd dat de klacht gegrond is, aangezien de oud-notaris niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de nadelen van de flitsscheiding in verband met de Duitse nationaliteit van klaagster met klaagster zijn besproken. Uit het onderzoek in hoger beroep is naar voren gekomen dat klaagster betwist dat zij de informatieve brief heeft ontvangen met daarin een waarschuwing met betrekking tot de eventuele rechtsgevolgen van een flitsscheiding. Nu de oud-notaris niet voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat klaagster voormelde informatieve brief heeft ontvangen en het onderzoek in hoger beroep voorts niet heeft geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die zijn vervat in de beslissing van de kamer, verenigt het hof zich met de beslissing van de kamer. Het hof bekrachtigt de beslissing van de kamer van toezicht.

Uitspraak



GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 14 december 2010 in de zaak onder nummer 200.062.078/01 NOT van:

[de oud-notaris],

oud-notaris te [plaatsnaam],

APPELLANT,

tegen

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

gemachtigde: A.H.M. Chyla,

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Namens appellant, verder te noemen de oud-notaris, is bij op 9 april 2010 ter griffie ingekomen verzoekschrift - met bijlage - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing met het nummer 08/2009 van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Assen, verder te noemen de kamer, van 8 maart 2010, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder ook te noemen klaagster gegrond is verklaard en aan de oud-notaris de maatregel van berisping is opgelegd.

De oud-notaris heeft bij voormeld beroepschrift - met bijlagen - de gronden waarop zijn beroep stoelt nader toegelicht.

1.2. Van de zijde van klaagster is op 20 mei 2010 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2010, alwaar de klaagster, vergezeld van haar gemachtigde, en de oud-notaris zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

- klaagster heeft de Duitse nationaliteit en was gehuwd, in algehele gemeenschap van goederen, met een man van Nederlandse nationaliteit;

- op 2 mei 2002 is het huwelijk van klaagster met haar toenmalige echtgenoot door de oud-notaris omgezet in een geregistreerd partnerschap, welk geregistreerd partnerschap vervolgens is ontbonden;

- uit het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut van 20 december 2007 blijkt dat de flitsscheiding mogelijkerwijs in Duitsland wordt erkend, maar dat dit niet zeker is;

- de oud-notaris is op 1 oktober 2005 gedefungeerd als notaris.

4. De ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht

4.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of klaagster in haar klacht tegen de oud-notaris, gezien het tijdstip van indiening, kan worden ontvangen. Het hof dient de ontvankelijkheid te beoordelen aan de hand van het bepaalde in artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt , hierna WNA.

4.2. Ingevolge artikel 99 lid 12 WNA kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaar na de dag waarop de tot klachtgerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

4.3. Bij de kamer is op 9 april 2009 het klaagschrift van klaagster binnen gekomen, dat betrekking heeft op het handelen van de oud-notaris als instrumenterend notaris ter zake van de omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap waarna bij notariële akte houdende ontbinding van het geregistreerd partnerschap, dit partnerschap is ontbonden (een zogenaamde flitsscheiding). Bij het passeren van de akte op 1 mei 2002 was klaagster, tezamen met haar toenmalige echtgenoot, aanwezig en heeft zij de akte ondertekend. In deze akte wordt de beëindiging van het huwelijk, na omzetting hiervan in een geregistreerd partnerschap, door middel van een overeenkomst tot beëindiging van een geregistreerd partnerschap geregeld. De gevolgen van deze wijze van beëindiging van het huwelijk vormen aanleiding voor de klacht van klaagster.

Klaagster heeft op 1 mei 2002 kennis kunnen nemen van het handelen van de notaris, doch heeft voldoende aannemelijk kunnen maken dat zij pas in 2007, nadat zij informatie had ingewonnen bij het Duitse consulaat, kennis kreeg van de voor haar mogelijk nadelige gevolgen van de flitsscheiding.

De hiervoor sub 4.2 genoemde termijn van drie jaren is dan ook aangevangen medio 2007, zodat klaagster binnen de gestelde termijn haar klacht heeft ingediend.

Het verweer van de oud-notaris dat hij voorafgaand aan de flitsscheiding een informatieve brief aan klaagster en haar toenmalige echtgenoot heeft verzonden, met daarin de waarschuwing met betrekking tot de eventuele rechtsgevolgen van de flitsscheiding, zal het hof passeren. Dit omdat klaagster de ontvangst van deze brief voldoende heeft betwist en de oud-notaris niet aannemelijk heeft kunnen maken dat klaagster deze brief heeft ontvangen en dat deze daadwerkelijk een waarschuwing bevatte.

4.4. Op grond van het vorenstaande is klaagster ontvankelijk.

5. De klacht

Klaagster verwijt de oud-notaris dat hij haar en haar toenmalige echtgenoot ten onrechte niet heeft voorgelicht over de eventuele nadelen van een zogenaamde flitsscheiding, indien één van de echtelieden, zoals klaagster, een buitenlandse nationaliteit heeft. Dit vanwege onzekerheden over de erkenning van de flitsscheiding in het buitenland.

6. Het standpunt van de oud-notaris

6.1. De oud-notaris heeft de stelling van klaagster betwist en verweert zich als volgt.

6.2. De oud-notaris stelt allereerst dat klaagster onderhavige klacht niet heeft opgenomen in haar klachtschrift, maar dat zij haar klacht eerst ter zitting van de kamer heeft opgevoerd. Hierdoor had de kamer de klacht niet in behandeling mogen nemen.

6.3. De oud-notaris heeft vervolgens betoogd dat de bezwaren van een flitsscheiding in verband met de Duitse nationaliteit van klaagster met haar zijn besproken. De oud-notaris verwijst in dat verband naar het verslag van de mediation van 10 april 2002 en de navraag die hij hiertoe bij de mediator, tevens zijn kantoorgenote, heeft gedaan. Voorts wijst de oud-notaris erop dat in het mediationverslag staat vermeld dat aan klaagster en haar toenmalige echtgenoot de instructie zou worden verzonden. De oud-notaris geeft aan dat deze instructie een standaardbrief betreft met informatie over hoe een flitsscheiding wordt gerealiseerd, met aan het einde van de brief een aantal contra-indicaties voor gevallen waarvoor de weg van de flitsscheiding niet geschikt is.

7. De beoordeling

7.1. Het hof stelt voorop dat hetgeen door de oud-notaris in hoger beroep naar voren is gebracht omtrent het eerst indienen van de klacht ter zitting van de kamer, door de oud-notaris onvoldoende is gemotiveerd. De oud-notaris heeft geen verdere onderbouwing van het door hem naar voren gebrachte gegeven, waardoor het hof dit wegens onvoldoende motivering zal passeren.

7.2. Ten aanzien van de klacht die in hoger beroep ter beoordeling voorligt, overweegt het hof het volgende. De kamer heeft uitvoerig uiteengezet en gemotiveerd dat de klacht gegrond is, aangezien de oud-notaris niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de nadelen van de flitsscheiding in verband met de Duitse nationaliteit van klaagster met klaagster zijn besproken. Uit het onderzoek in hoger beroep is naar voren gekomen dat klaagster betwist dat zij de informatieve brief, gericht aan klaagster en haar toenmalige echtgenoot, heeft ontvangen met daarin een waarschuwing met betrekking tot de eventuele rechtsgevolgen van een flitsscheiding. Nu de oud-notaris niet voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat klaagster voormelde informatieve brief heeft ontvangen en het onderzoek in hoger beroep voorts niet heeft geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die zijn vervat in de beslissing van de kamer, verenigt het hof zich met de beslissing van de kamer.

8. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Huijzer, M.W.E Koopmann en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 december 2010 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Assen

Beslissing van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Assen, gegeven op de klacht van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam],

hierna: klaagster,

tegen

[de oud-notaris],

voorheen notaris te [plaatsnaam],

hierna: de oud-notaris

OVERWEGINGEN

1. De procedure

1.1. Bij brief van 8 april 2009 heeft klaagster een klacht ingediend tegen de oud-notaris.

1.2. Bij schrijven van 26 juni en 7 augustus 2009 heeft de oud-notaris gereageerd op de klacht.

1.3 Klaagster heeft bij brief van 28 september 2009 gereageerd op de reactie van de oud-notaris.

1.4 De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van de Kamer van Toezicht van 3 februari 2010. Klaagster, bijgestaan door de heer A.H.M. Chyla, was daarbij aanwezig. De oud-notaris is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

Klaagster heeft de Duitse nationaliteit. Op 2 mei 2002 is het huwelijk van klaagster met haar voormalig echtgenoot door de oud-notaris omgezet in een geregistreerd partnerschap, welk geregistreerd partnerschap vervolgens is ontbonden. De oud-notaris is op 1 oktober 2005 gedefungeerd als notaris.

3. De klacht

Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster haar klacht in die zin beperkt dat zij erover klaagt dat de oud-notaris haar en haar voormalig echtgenoot ten onrechte niet heeft voorgelicht over de eventuele nadelen van een zogenaamde flitsscheiding indien één van de echtelieden, zoals klaagster, een andere nationaliteit heeft, dit vanwege onzekerheden over de erkenning van de flitsscheiding in het buitenland.

4. Het verweer

De oud-notaris bestrijdt dat klaagster onvoldoende is voorgelicht over de bezwaren van een flitsscheiding in verband met haar Duitse nationaliteit. Uit het verslag van de mediation van 10 april 2002 en navraag door de oud-notaris bij de mediator blijkt volgens hem dat deze bezwaren, afgezet tegen de normale wettelijke scheidingsroute via de rechtbank, zijn besproken. Voorts wijst de oud-notaris erop dat in het mediationverslag staat vermeld dat aan klaagster en haar voormalig echtgenoot de instructie zou worden verzonden. De oud-notaris geeft aan dat deze instructie een standaardbrief betreft met informatie over hoe een flitsscheiding gerealiseerd wordt, met aan het einde van de brief een aantal contra-indicaties voor gevallen waarvoor de weg van de flitsscheiding niet geschikt is.

5. De beoordeling

5.1 De Kamer ziet zich gesteld voor de vraag of de oud-notaris tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld en overweegt hieromtrent als volgt.

5.2 Ingevolge artikel 98, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

5.3 De Kamer overweegt in de eerste plaats dat het feit dat de oud-notaris inmiddels is

gedefungeerd als notaris niet afdoet aan het feit dat hij aan tuchtrechtspraak onderworpen blijft ter zake van enig in het eerste lid van artikel 98 Wna bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat hij als notaris werkzaam was. De Kamer stelt vast dat niet in geschil is dat de oud-notaris in zijn functie van notaris betrokken was bij de echtscheiding van klaagster en haar voormalig echtgenoot.

5.4 Voorts stelt de Kamer vast dat de Duitse nationaliteit van klaagster niet in geschil is. Ook bestrijdt de oud-notaris niet de risico’s van een flitsscheiding in geval één van de partners niet de Nederlandse nationaliteit heeft, zoals verwoord in het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut. Anders dan de oud-notaris in zijn verweer heeft aangegeven, stelt de Kamer vast dat uit de verslagen van de mediation niet blijkt dat de nadelen van de flitsscheiding in verband met de Duitse nationaliteit van klaagster zijn besproken. Voorts is de Kamer van oordeel dat, ook al zouden vorenbedoelde nadelen tijdens de mediation zijn besproken, dit niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van de oud-notaris om te verifiëren of deze nadelen inderdaad door de mediator zijn besproken en voorts in zijn functie van notaris klaagster en haar voormalig echtgenoot zelf te informeren over de onzekerheden van een flitsscheiding in verband met de Duitse nationaliteit van klaagster. De oud-notaris heeft niet betwist dat hij deze voorlichting niet zelf heeft gegeven. Uit het voorgaande volgt dat de oud-notaris niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht en daarmee de tuchtnorm van artikel 98, eerste lid, Wna heeft geschonden. De Kamer ziet dan ook aanleiding om de klacht van klaagster gegrond te verklaren.

5.5 Bij het bepalen van de maatregel neemt de Kamer mede in aanmerking dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gevolgen van het feit dat de oud-notaris heeft nagelaten klaagster te informeren groot (kunnen) zijn voor klaagster en er hoge kosten mee zijn gemoeid om duidelijkheid en zekerheid te verkrijgen over de erkenning van haar echtscheiding in Duitsland. De Kamer acht in verband hiermee de maatregel van berisping passend.

BESLISSING

De Kamer van Toezicht:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de oud-notaris de maatregel van berisping op;

- bepaalt dag en uur waarop de berisping zal worden uitgesproken nadat de vaststelling heeft plaatsgevonden dat tegen de onderhavige beslissing geen rechtsmiddel meer openstaat.

Aldus gegeven te Assen op 8 maart 2010 door mr. P.J. Duinkerken, voorzitter, mrs. M.C.D. Boon-Niks, H.A. Bongers-Kuipers, J.F.H. de Jong Posthumus, leden, mr. S. Fissering, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. ten Hoopen, secretaris, en door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

mr. M.J.C. ten Hoopen, mr. P.J. Duinkerken,

secretaris. voorzitter.

Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de aangetekende brief waarin van bovenstaande beslissing wordt kennisgegeven, kan hoger beroep tegen deze beslissing worden ingesteld. Dit dient te geschieden door middel van een verzoekschrift bij de griffie van het Gerechtshof te Amsterdam, Prinsengracht 436, correspondentieadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature