< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Werknemer wenste het werk niet te hervatten, ook niet toen hij deels weer arbeidsgeschikt was verklaard. Werkgever kon daarom besluiten de salarisbetalingen deels stop te zetten. Arbeidsovereenkomst is geëindigd conform de VUT-regeling die deel uitmaakte van de cao.

Uitspraak



GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[B],

wonende te [X],

APPELLANT,

advocaat: mr. C.J. Blauw, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A. van Hees, kantoorhoudende te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Partijen zullen hierna worden aangeduid als [B] en ABN AMRO.

1.2 [B] is bij exploot van 27 augustus 2007 in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder nummer 773251 CV EXPL 06-12602 op 8 maart 2007 en 7 juni 2007 tussen hem als eiser en ABN AMRO als gedaagde uitgesproken vonnissen, met dagvaarding van ABN AMRO voor dit hof.

1.3 Bij memorie van grieven heeft [B] vier grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en bewijs aangeboden met conclusie dat het hof genoemde vonnissen zal vernietigen en bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaard – arrest de onder 3.2 geformuleerde vordering alsnog zal toewijzen met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.4 ABN AMRO heeft bij memorie van antwoord de door [B] geformuleerde grieven bestreden en bewijs aangeboden met conclusie tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen.

1.5 Partijen hebben de zaak doen bepleiten ter zitting van het hof van 17 november 2009, [B] door mr. L.R.T. Peeters, advocaat te Dordrecht, en ABN AMRO door mr. M.J.M.T. Keulaerds, advocaat te Den Haag, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. [B] is bij die gelegenheid akte verleend van het in het geding brengen van nog één productie. Partijen hebben voorts nadere inlichtingen verschaft naar aanleiding van vragen van het hof.

1.6 Ten slotte hebben partijen de processtukken van beide instanties aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van die stukken geldt als hier ingelast.

2. Grieven

Voor de inhoud van de door [B] geformuleerde grieven wordt verwezen naar de onder 1.3 genoemde memorie.

3. Beoordeling

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

a. [B] (geboren op [datum] 1944) is op [datum] 1960 bij (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO in dienst getreden. Hij was laatstelijk (voordat hij zich op [datum] 1999 ziek meldde) werkzaam als accountmanager.

b. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is in de visie van ABN AMRO geëindigd met ingang van [datum] 2004, de dag nadat [B] de VUT-gerechtigde leeftijd had bereikt. [B] stelt dat de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen op [datum] 2006 wegens het bereiken door hem van de pensioengerechtigde leeftijd op [datum] 2006.

c. Op [datum] 1999 is [B] uitgevallen wegens burn-out klachten. [B] heeft sedertdien geen werkzaamheden meer voor ABN AMRO verricht.

d. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen was de ABN AMRO CAO van toepassing (hierna de cao).

3.2 [B] vordert in deze procedure (na vermindering van eis bij repliek) veroordeling van ABN AMRO om aan [B] ten titel van schadevergoeding te betalen € 36.948,29 bruto vermeerderd met € 10.000,-- aan smartengeld, althans zodanige bedragen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met nevenvorderingen. Hij stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat ABN AMRO tekort is geschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 7:658 en 7:611 BW. De burn-out is volgens [B] ontstaan door de wijze waarop zijn leidinggevende hem voorafgaande aan zijn ziekmelding op [datum] 1999 heeft bejegend en het feit dat hij in de loop van 1999 ten onrechte is overgeplaatst. Het voortduren van zijn arbeidsongeschiktheid is te wijten geweest aan de wijze waarop ABN AMRO hem vervolgens heeft behandeld, aldus [B].

3.3 Bij het tussenvonnis van 8 maart 2007 heeft de kantonrechter naar aanleiding van het desbetreffende verweer van ABN AMRO beslist dat het vorderingsrecht van [B] is verjaard voor dat deel van de schade van [B] dat is ontstaan binnen vijf jaar na [datum] 2000, zijnde de datum waarop [B] in ieder geval ermee bekend was dat zijn klachten als een burn-out moesten worden aangemerkt. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat, voor zover de schade is toegenomen door de houding van ABN AMRO na het ontstaan van de burn-out, vergoeding van die schade in beginsel nog gevorderd kan worden. De kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast opdat partijen zich zouden kunnen uitlaten over de vraag of ABN AMRO in de periode na de ziekmelding zodanig onzorgvuldig jegens [B] heeft gehandeld dat zij voor (een deel van) de gevorderde schade aansprakelijk is. In het eindvonnis van 7 juni 2007 heeft de kantonrechter vervolgens beslist dat, voor zover ABN AMRO onzorgvuldig is opgetreden, dat geen aansprakelijkheid schept en de vordering van [B] afgewezen. Tegen die beslissing en de gronden waarop deze berust richten zich de grieven.

3.4 Grief 1 strekt ten betoge dat de kantonrechter het verjaringsverweer van ABN AMRO ten onrechte gedeeltelijk heeft gehonoreerd. Zoals hierna zal blijken, mist [B] belang bij deze grief, zodat deze verder onbesproken kan blijven.

3.5 [B] heeft een aantal gedragingen van ABN AMRO aangevoerd die in zijn visie aan het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid en het voortduren daarvan ten grondslag hebben gelegen. Hij heeft die als volgt samengevat in punt 19 van de inleidende dagvaarding:

- [B] is ten onrechte verweten dat hij niet goed zou functioneren en op grond daarvan ten onrechte overgeplaatst;

- voorafgaand aan de eerste ziekmelding heeft ABN AMRO [B] onvoldoende ondersteund in zijn relatie met zijn nieuwe leidinggevende;

- na de eerste ziekmelding is van de zijde van ABN AMRO niet gestreefd naar hervatting van de werkzaamheden, althans plaatsing in een passende functie, maar heeft ABN AMRO slechts gestreefd naar beëindiging van het dienstverband;

- ABN AMRO heeft [B] gesommeerd zijn werk te hervatten op een moment waarop hij nog volledig arbeidsongeschikt moest worden geacht;

- ABN AMRO heeft [B] ten onrechte van ongeoorloofd verzuim beticht en zijn salaris stopgezet;

- ABN AMRO heeft ten onrechte de stopzetting van het salaris van [B] niet hersteld, althans onvoldoende inzicht gegeven in het herstel;

- ABN AMRO is nimmer bereid gebleken voldoende compensatie te bieden aan [B] voor het met het voortijdig beëindigen van het dienstverband samenhangende inkomensverlies;

- ABN AMRO heeft [B] zonder overleg tot de VUT-regeling laten toetreden.

De grieven 2 en 3 strekken ten betoge dat de kantonrechter deze gedragingen ten onrechte niet verwijtbaar heeft geacht. Ter zake wordt het volgende overwogen.

3.6 De eerste ABN AMRO verweten gedragingen betreffen het ontstaan van de burn-out klachten op grond waarvan [B] zich op [datum] 1999 heeft ziek gemeld. De klachten waaraan [B] stelt te lijden zijn psychisch. Dat er sprake is geweest van overbelasting naar objectieve maatstaven is gesteld noch gebleken. [B] heeft weliswaar aangevoerd dat hem in het voorjaar van 1999 ten onrechte is verweten dat hij niet goed functioneerde en dat hij naar aanleiding daarvan eveneens ten onrechte per [datum] 1999 is overgeplaatst, maar hij heeft de stelling van ABN AMRO dat de beoordeling en de overplaatsing met hem zijn besproken en dat hij destijds tegen die beoordeling noch tegen de overplaatsing bezwaar heeft gemaakt, niet betwist. Hij kan ABN AMRO daarvan daarom geen verwijt maken. Ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep heeft [B] voorts – desgevraagd – verklaard dat hij niemand binnen ABN AMRO vóór zijn ziekte heeft gemeld dat hij zich onheus behandeld voelde door de nieuwe leidinggevende die hij in de loop van 1997 kreeg na de overplaatsing van zijn vorige chef met wie [B] goed overweg kon. Dat betekent dat ABN AMRO, zoals zij heeft gesteld, niet heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat [B] werkgerelateerde gezondheidsklachten had. ABN AMRO is derhalve in de periode voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid van [B] niet tekortgeschoten in haar zorgplicht uit hoofde van artikel 7:658 BW of in haar verplichtingen als goed werkgever.

3.7 [B] verwijt ABN AMRO vervolgens dat zij, nadat hij met burn-out klachten was uitgevallen, niet heeft gestreefd naar werkhervatting (eventueel in een andere passende functie), maar slechts gericht is geweest op beëindiging van de arbeidsrelatie. ABN AMRO heeft daarvoor al op 28 maart 2000 het initiatief genomen. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, zijn naar aanleiding van die brief geen onderhandelingen over een beëindiging tot stand gekomen. [B] heeft slechts de mogelijkheid van vervroegde pensionering aangedragen, hetgeen zijn gezondheidstoestand gunstig zou hebben beïnvloed omdat hij dan op reële wijze zijn arbeidzame periode bij ABN AMRO had kunnen afsluiten, aldus [B].

3.8 Anders dan [B] suggereert, moet uit de gang van zaken nadat ABN AMRO [B] op [datum] 2000 een beëindigingvoorstel had gedaan, worden afgeleid dat [B] positief stond tegenover een beëindiging van de arbeidsrelatie en niet streefde naar werkhervatting. Bij brief van [datum] 2000 is de advocaat van [B] uitvoerig ingegaan op het beëindigingvoorstel van ABN AMRO en heeft hij aangegeven op welke punten dat voorstel in de visie van [B] zou moeten worden verbeterd (daarbij er onder meer van uitgaand dat [B] in het kader van een beëindigingsregeling op [jaar] leeftijd met pensioen zou kunnen gaan) en gesteld dat hij ervan uitging dat zijn cliënt in afwachting van zijn pensionering vrijgesteld zou worden van arbeid indien hij weer arbeidsgeschikt verklaard zou worden. In die brief is weliswaar ook vermeld dat het in verband met de arbeidsongeschiktheid van [B] nog te vroeg was om aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te denken, maar niet dat het voor de gezondheid van [B] niet goed zou zijn om over een beëindigingsregeling te onderhandelen. Er wordt, zoals reeds overwogen, zelfs een tegenvoorstel gedaan. Dat het onderhandelen over de voorwaarden waarop de arbeids-overeenkomst tussen partijen zou kunnen eindigen, slecht zou zijn voor de gezondheid van [B] heeft zijn advocaat ook in latere correspondentie met ABN AMRO niet vermeld.

3.9 Nadat de medio 2000 aangevangen onderhandelingen niet tot overeenstemming hadden geleid, zijn in april 2002 op initiatief van [B] nieuwe onderhandelingen gestart over een beëindigingsregeling. Aanleiding hiervoor was het feit dat [B] ingaande [datum] 2002 niet langer volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Ook toen streefde [B] niet naar werkhervatting. Op [datum] 2002 schreef zijn advocaat aan ABN AMRO ”Indien u cliënt geen passende functie zou willen aanbieden, hetgeen cliënt zich (...) zeer wel kan voorstellen, ontvang ik gaarne van u een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst”. [B] verwijt ABN AMRO derhalve ten onrechte dat haar streven uitsluitend op beëindiging van de arbeidsrelatie gericht is geweest. Hij heeft immers zelf er ook steeds blijk van gegeven daar de voorkeur aan te geven en op geen enkele manier laten blijken dat hij liever zou re-integreren.

3.10 [B] verwijt ABN AMRO dat zij hem heeft gesommeerd zijn werk te hervatten op een moment dat hij nog volledig arbeidsongeschikt moest worden geacht, dat zij hem ten onrechte van ongeoorloofd verzuim heeft beticht en dat zij zijn salaris ten onrechte heeft stopgezet en die stopzetting niet heeft hersteld althans onvoldoende inzicht heeft gegeven in het herstel. Ook deze verwijten worden ten onrechte gemaakt. In juli 2001 heeft de bedrijfsvereniging beslist dat [B] ingaande [datum] 2001 nog slechts voor 45-55% arbeidsongeschikt werd geacht. Op [datum] 2001 heeft ABN AMRO telefonisch contact met [B] opgenomen om een afspraak te maken om te spreken over werkhervatting. Uit een door ABN AMRO in het geding gebrachte brief aan de advocaat van [B] van [datum] 2001, waarvan [B] de juistheid van de inhoud op dit punt niet heeft betwist, volgt dat [B] niet over werkhervatting wilde praten omdat hij terugkeer “niet zag zitten”. In die situatie kon ABN AMRO besluiten de salarisbetalingen aan [B] stop te zetten voor dat deel daarvan dat [B] arbeidsgeschikt was verklaard, zoals zij heeft gedaan. Zij mocht op dat moment afgaan op de beslissing van UWVGak.

3.11 [B] stelt voorts dat ABN AMRO de betalingen niet heeft hersteld, althans niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij deze heeft hersteld nadat de bedrijfsvereniging naar aanleiding van een door hem ingesteld bezwaar hem met terugwerkende kracht ook na [datum] 2001 volledig arbeidsongeschikt achtte. Ook dit verwijt treft geen doel. Over de periode [datum] 2001 tot [datum] 2002 vordert [B] 30 procent van het hem toekomende salaris. Dat betekent dat hem kennelijk 70 procent van dat salaris is uitbetaald, hetgeen overeenkomt met een WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid. Uit de in het geding gebrachte correspondentie tussen de advocaat van [B] en ABN AMRO (bijvoorbeeld de door [B] als productie 12 bij inleidende dagvaarding overgelegde brief met bijlagen) blijkt voorts dat ABN AMRO [B] genoegzaam heeft voorgerekend wat zij hem over de desbetreffende periode verschuldigd was en wat zij had betaald. Voor zover [B] ABN AMRO verwijt dat hij te lang op een deugdelijke toelichting op de gedane nabetaling heeft moeten wachten, geldt dat dat enkele verwijt, indien al terecht gemaakt, geen grond voor (gehele of gedeeltelijke) toewijzing van de vordering oplevert.

3.12 ABN AMRO heeft naar aanleiding van het verwijt van [B] dat zij hem zonder overleg tot de VUT-regeling heeft laten toetreden, gewezen op artikel 11.1.1 van de cao voor de jaren 2004 tot 2006, waarin een “Overgangsregeling vervroegd uittreden” is opgenomen, luidende:

“De Overgangsregeling vervroegd uittreden geldt voor medewerkers die voor 1 januari 1949 geboren zijn en op 31 december 1998 in dienst van de bank waren.`

Ingevolge deze regeling eindigt voor deze medewerker het dienstverband indien hij is geboren

. vóór 1 januari 1945: als hij [jaar] en [maanden] oud is;

(...)”.

[B] heeft niet betwist dat deze bepaling onderdeel uitmaakte van de cao. Uit de bepaling blijkt dat een dienstverband eindigt zodra de desbetreffende werknemer de in het artikel genoemde leeftijd heeft bereikt zonder dat daarvoor van de zijde van werkgever of werknemer enige actie is vereist. [B] is geboren op [datum] 1944. De arbeidsovereenkomst met hem eindigde dus inderdaad met ingang [datum] 2004, nadat [B] op [datum] 2004 de leeftijd van [jaar] en [maanden] had bereikt. ABN AMRO kan van die beëindiging geen verwijt worden gemaakt.

3.13 Een werkgever is, anders dan [B] blijkbaar meent, ten slotte niet gehouden een werknemer compensatie te geven voor het inkomensverlies dat die werknemer lijdt ten gevolge van het eindigen van de arbeidsovereenkomst door het verstrijken van de termijn waarvoor deze was aangegaan (in dit geval tot het bereiken door [B] van de VUT-gerechtigde leeftijd). Ook ter zake daarvan kan ABN AMRO derhalve geen verwijt gemaakt worden.

3.14 Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat ABN AMRO (ook) nadat [B] arbeidsongeschikt was geworden niet in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen als goed werkgever. De grieven 2 en 3 falen.

3.15 Grief 4 heeft na het vorenstaande geen zelfstandige betekenis en behoeft verder geen behandeling.

3.16 [B] heeft geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel dan het voorgaande zouden nopen. Zijn bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

4. Conclusie en kosten

De grieven kunnen niet tot vernietiging leiden. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. Als in het ongelijk gestelde partij wordt [B] veroordeeld in de kosten van de procedure in appel.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen;

veroordeelt [B] in de kosten van de procedure in appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 251,-- aan verschotten en op € 4.693,-- aan salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, R.J.F. Thiessen en A.M.A. Verscheure en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2010


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature