U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Medeplegen gijzeling. Lezing van de tenlastelegging. Bewijsmotivering en strafmotivering.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



arrestnummer:

parketnummer: 23-003260-07

datum uitspraak: 30 december 2008

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-529136-05 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1959],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

thans gedetineerd in PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de verdachte op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde (vrijspraken).

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens een schrijven van de officier van justitie 15 januari 2008 en mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 30 mei 2006, 14 augustus 2006, 25 oktober 2006, 18 januari 2007, 16 april 2007 en 17 april 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 19 oktober 2007, 9 januari 2008, 4 april 2008, 16 juni 2008, 12 september 2008, 19 september 2008, 29 september 2008, 6 november 2008 en 16 december 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg 22 december 2005 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Uit hetgeen is verhandeld ter terechtzittingen in hoger beroep is gebleken dat niet is komen vast te staan dat het ten laste gelegde gebruik van een vuurwapen door verdachtes mededaders een echt vuurwapen betreft. Het hof verstaat de tenlastelegging aldus, dat de steller daarvan met het opnemen van het element "vuurwapen" mede het oog heeft gehad op een daarop gelijkend voorwerp. Door de lezing van dit -feitelijk minder wezenlijke- onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad, te minder omdat een op de aldus verstane tenlastelegging gegronde bewezenverklaring niet raakt aan de kwalificatiebeslissing of de wettelijke strafpositie.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

in de periode van 12 september 2005 tot en met 15 september 2005 te Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, met het oogmerk anderen, te weten de familie van die [slachtoffer 1], te dwingen iets te doen, immers hebben zijn mededaders, die [slachtoffer 1] in haar huis op de [adres] te Amsterdam op de grond gelegd en haar enkels en haar handen vastgebonden met tape en haar mond afgeplakt met tape en een muts over haar hoofd getrokken en haar een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp getoond en die [slachtoffer 1] laten instappen in een kist waarna deze kist werd afgesloten en vervolgens die [slachtoffer 1] in deze kist in een auto vervoerd naar vakantiepark Stroombroek, Landal Greenpark te Braamt en voorts, die [slachtoffer 1] tegen haar wil vastgehouden in een kamer in een vakantiehuisje op voornoemd park en die [slachtoffer 1] geboeid en vastgebonden aan een bed met handboeien, tie-wraps en touw en haar een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp getoond en in de woning van die [slachtoffer 1] een brief achtergelaten waarin hij, verdachte en zijn mededaders losgeld (300 kilo cocaïne) hebben geëist in ruil voor de vrijlating van de genoemde [slachtoffer 1].

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van 19 december 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en inspecteur van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina’s 262-282).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisanten voornoemd op 16 september 2005 (in aanvulling op het verhoor van 15 september 2005) afgegeven verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]:

Ik ben rond een uur of negen (het hof begrijpt: op de avond van 12 september 2005 ten huize van [slachtoffer 1] aan de [adres] te [woonplaats] gebeld door een engelssprekende man. Hij wilde in oktober een diner organiseren in de ruimte van ons cateringbedrijf en wilde hiervoor een afspraak maken. Hij wilde vanavond nog langskomen. Ik zei hem dat ik geen tijd had, omdat we een partij hadden gehad en ik de boel aan het opruimen was. Verder moest ik de kinderen nog in bed leggen en liep ik al in mijn pyjama. De man zei dat hij vanavond langs wilde komen en was erg vasthoudend. Ik weet niet waarom ik het niet vertrouwde, maar het voelde niet oké. Mijn vader was niet bereikbaar. Hierna heb ik [getuige 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [getuige 1]) gebeld, maar die was ook niet te bereiken. Vervolgens heb ik [getuige 2] (het hof begrijpt hier en hierna: [getuige 2]) gebeld, maar die was aan het bridgen met [getuige 1] en had ook zijn mobiele telefoon uitstaan. Hierna ben ik naar mijn bovenbuurman gegaan en heb hem gevraagd of hij even beneden kon komen zitten, omdat er mensen zouden komen en ik alleen met de kinderen was. [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) is naar beneden gekomen. Uiteindelijk werd er aangebeld en heb ik de deur opengedaan. De man zei dat ik de deur even moest open laten, omdat zijn vrouw even aan het parkeren was of zoiets. Ik vertelde dat de locatie beneden was en zij liepen naar beneden. Toen ik beneden kwam, wilde ik me excuseren voor de troep, maar ik lag direct op de grond. De een pakte mijn voeten vast en de andere hier (aangeefster [slachtoffer 1] wijst naar haar schouders/keel). Ik heb heel hard gekrijst en om hulp geroepen. Vervolgens kwam [slachtoffer 2] naar beneden om mij te helpen. De een was een beer van een vent. [slachtoffer 2] werd direct bedreigd met een pistool. Dit pistool had ik niet eerder gezien.

Was dat die beer of die andere?

Die andere. De een heb ik bij de politie de prater genoemd en de andere de neger. [slachtoffer 2] werd getaped en toen kwamen mijn kinderen van de trap lopen. De mannen raakten vervolgens in paniek, want zij hadden [slachtoffer 2] niet verwacht. De “prater”, de kleine man, zei dat de kinderen de kast in moesten. De andere man heeft niets gezegd. Die kleine man was ook nog aan het bellen. Die man die ging bellen zei in het Engels: "Praat met de kinderen, praat met de kinderen". Zelf had ik mij ondertussen al losgewurmd, de tape van mijn gezicht getrokken en die muts half van mijn hoofd getrokken. Ik heb de kinderen gezegd dat zij rustig moesten blijven en dat ik weg zou gaan. Ik was overal vastgebonden en had die muts op mijn hoofd. Het was heel bizar en vervolgens werd ik weggesleurd naar boven en daar heb ik die neger gezien.

Die neger had je toen nog niet gezien?

Die had ik nog niet gezien en toen stond er een kist in de gang.

Dus dat was een andere man dan de twee mannen die eerst bij de deur stonden?

Ja, die waren nog bij [slachtoffer 2] en de kinderen.

Dus die is later binnengekomen met de kist?

Ik denk dat hij die kist daar heeft neergezet. Ik werd vervolgens in de kist geduwd en ging de klep erop. Die twee grote jongens waren duidelijk gekozen om hun uiterlijk, want dat waren doodenge lui om te zien.

Kun je in je eerste indruk de nationaliteit van de mannen geven?

Zuid-Amerikaans. Toen ik in de kist lag heb ik er voor het eerst over nagedacht en ik dacht meteen aan [verdachte]. Volgens de politie had [getuige 1] een verdachtmaking geuit aan het adres van [verdachte]. Toen de politie het aan mij vroeg, had ik nog niet met [getuige 1] gesproken, maar het was ook mijn eerste indruk.

Wie pakte je eerst dan?

Die kleine, die grote man stond achter me en die had me op de grond gegooid. Die andere stond voor me bij mijn voeten en die pakte hieruit tape. Ik zag dat die man tape uit de tas pakte en vervolgens een pistool toen [slachtoffer 2] naar beneden kwam. Hij gaf die tape aan de andere man en die begon meteen aan mijn voeten.

Toen kwam [slachtoffer 2] dus en die dook er bovenop. Een grote worsteling, dat duurde een seconde. Toen had die meteen zijn pistool en was het gelijk afgelopen. Vervolgens hebben die mensen ons tape gedaan om onze mond, handen en enkels en hierna kreeg ik een muts over mijn hoofd.

Kun je vertellen hoe het met je kinderen is gegaan?

De kinderen zijn de trap afgekomen en stonden onderaan de trap. We stonden allemaal bij de trap. [slachtoffer 2] lag of zat op de grond. Ik moest ook op de grond gaan liggen, maar ik stond toen ik de kinderen zag. Ik zei: "Don't harm my kids, don't harm my kids I beg you, don't harm my kids". Toen zei die man in het Engels: "Nee, we doen niets. Doe ze in de kast". Toen heb ik de kinderen in de kast gedaan. Die kleine man was absoluut in paniek, die schrok van de hele situatie. Hij was absoluut niet voorbereid op de bovenbuurman en op de kinderen, die beneden kwamen.

Hierna moest ik naar boven. Ze hebben me geholpen, want mijn voeten zaten vastgebonden en ik sprong half. Die twee mannen hebben me naar boven gesleurd. Daar zag ik die neger bij de kist staan.

Heeft hij nog iets tegen jou gezegd toen je boven in de gang kwam?

Dat weet ik niet meer of hij iets heeft gezegd, of die ander. Ik moest in ieder geval in die kist en ik ben in die kist gaan liggen. Die kist was van hout. Die kist was kleiner dan ik, want ik moest met opgetrokken benen liggen. Ik lag niet erg comfortabel. Hierna werd de kist opgetild aan het hoofd- en voeteneinde. Ik probeerde de kist open te maken en toen zei de man: "Shut up, shut up."

Die neger, maar echt met een hele rare zware stem. Hij zei: "You relax, shut up, shut up!".

Even terug naar de kist?

Ik bleef even in de gang staan. Op een gegeven moment werd ik opgetild, werd er even gelopen en werd ik in een auto gezet. Toen ik in de auto zat dacht ik in die vijf minuten dat ze [slachtoffer 2] en de kinderen aan het vermoorden waren.

Kun je iets vertellen over de rit in de auto? Bijvoorbeeld hoe lang heb je in de auto gezeten?

Ja, anderhalf à twee uur. We hebben aan een stuk door gereden.

Toen jullie gingen stoppen, hoe ging dat in zijn werk?

De kist werd uit de auto getild en ik werd ergens een heel klein stukje heen gedragen en neergezet. Toen stond ik daar heel kort en werd de kist opengedaan. Ik heb geen buitenlucht gezien. Ik doe een paar stappen, in een gangetje en ga de trap op. Ik had het idee dat die kist in de garage stond en niet in een gang van een huis (het hof begrijpt: het huis waarover is gerelateerd in het proces-verbaal van 26 september 2005 (doorgenummerde pagina 297), inhoudende onder meer de herkenning door mevrouw [slachtoffer 1] van het desbetreffende huisje op vakantiepark Stroombroek, Landal Greenpark te Braamt.

Wat stond er in de kamer?

Er stond een boxspring met matras en daar lagen dekbedden op en kussens lagen er op het bed. En de vloer was helemaal met blauw plastic afgezet en de muur ook met blauw plastic en daar zaten matrassen. Aan mijn kant, rechts, zaten matrassen, misschien voor het geluid. Aan de andere kant zaten ook allemaal matrassen.

En aan de andere kant zat plastic en hier aan mijn kant zat plastic geplakt over de vloer en waar zij zaten zat geen plastic.

Van dat blauwe, van dat dikke plastic dat niet kapot gaat.

Hoe ging het verder in die ruimte?

Toen zeiden ze dat ik al mijn kleren uit moest doen. Ik moest mijn ondergoed aanhouden en dat ik andere kleren aan moest doen, een lichtblauw joggingpak. Het was nieuw, want er zat een kaartje aan.

Wat gebeurde er verder?

Vervolgens kreeg ik handboeien om. Het waren dunne handboeien, glimmend metaal met kleine sleuteltjes en die kreeg ik ook aan mijn voeten. Die handboeien waren hartstikke klein. Die waren duidelijk voor armen, want om mijn enkels zaten ze heel strak.

Hoe werd er voor eten gezorgd?

Ik kreeg thee en toen begon die kleine tegen me te praten, dat ik niet bang hoefde te zijn. Verder zag ik een wc, een soort chemisch toilet, een plastic emmer met een wc bril en een plastic zak met kattengrind.

Nee, verder zeiden ze dat ik alles mocht vragen. Ik vroeg hun wat ze wilden. Verder zeiden zij dat ze drugs wilden hebben.

Hebben ze er nog over gesproken hoe ze de eis hebben neergelegd?

Ze hebben toen gezegd dat ze een brief hebben achtergelaten, gericht aan [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Toen ik zei dat ik [getuige 3] al meer dan een jaar niet gezien had, zeiden ze steeds van: "We know all about you". Ze zeiden dat ik drie vriendjes had. Ik heb hierop gezegd dat ik met [getuige 1] ben en dat ik met [getuige 1] twee kinderen heb. [getuige 2] is onze huisvriend en [getuige 3] (het hof begrijpt: [getuige 3]) is mijn ex-vriend van tien jaar geleden.

Hoe noemden ze [getuige 3]?

Jen en toen dacht ik het is zo. Antillen. Ik heb met [getuige 3] op Curaçao gewoond en ik weet nog dat die lui allemaal Jen tegen hem zeiden.

Wat hebben ze over de brief verteld?

Die kleine man zei dat ze de brief op een tafeltje in de gang hadden gelegd.

De woordvoerder?

Ja, de woordvoerder, en tegen [slachtoffer 2] hadden ze gezegd dat die brief er lag.

Heb je het er niet over gehad hoe de familie aan 300 kilo coke moest komen?

Ik heb meteen gezegd dat mijn vader niets van drugs wist. Ik heb ook meteen gezegd dat wij absoluut niet in de drugswereld zitten. Toen zei hij alleen maar: "You have to think about solutions."Hij zei ook: "Waar heb je allemaal gewoond? Je hebt toch in meer landen gewoond. In Engeland? Hierop zei ik ja. Op dat moment had ik het gevoel dat ik in die 48 uur in een soort spel terechtgekomen was en dat ik [verdachte] moest zeggen. Ik zei dat ik op Curaçao had gewoond. Toen zeiden ze van: "Curaçao, nou drugs. Denk verder, wie ken je op Curaçao?." Ik had gewoon het gevoel dat ze mij wilden leiden naar [verdachte]. Dus ik heb eerst anderen genoemd, gewoon omdat ik dacht dat het niet zo moest zijn dat ik door had dat [verdachte] hier achter zat. Hierna heb ik gezegd: "Ja, en [verdachte]. Ja maar ik heb hem al jaren niet gezien. Ja hij speelt nu bridge in Nederland". Ze deden heel verbaasd over [verdachte], zo van hoe heet hij ook al weer. Het was in ieder geval een vreemd spelletje.

Waarom noemden ze Engeland?

Ik denk dat zij Engeland noemden om mij te laten zeggen van waar heb je allemaal gewoond, zodat ik zou zeggen dat ik op Curaçao heb gewoond. Zodat ik hierna zelf [verdachte] zou zeggen.

Verder zou ik mijn vader moeten helpen bij het vinden van de drugs. Ik moest een bandje inspreken om hem te helpen bij het vinden van de drugs. Ik heb gezegd dat [verdachte] de enige is, die ik ken, die volgens mij in de drugs zit. Vanaf dat moment waren ze heel blij dat ik zelf [verdachte] had genoemd en toen spraken ze over mijn vriend [verdachte]. Ik heb tegen hun gezegd dat [verdachte] mijn vriend niet was en dat ik hem alleen kende. Ik durfde hun ook niet te zeggen dat ik het vermoeden had dat [verdachte] hier achter zat.

Kenden zij [verdachte]?

Ze deden voorkomen of zij [verdachte] niet kenden. Ik had de indruk dat ze [verdachte] zeker kenden, maar dat ze wilden doen voorkomen dat zij hem niet kenden. Dat dat waarschijnlijk ook de opdracht van [verdachte] was en dat hij de grote redder van mij moest zijn. Dat hij naar mijn vader toe moest gaan en zeggen van: "Luister, ik heb een deal gemaakt en ik heb het al gekocht voor jou en jij moet mij betalen". Dat hebben ze meerdere malen gewoon letterlijk gezegd.

Vertel nog eens rustig?

Ik ben de hele nacht daar geweest met die neger. Toen kwam die kleine man weer terug, hebben ze mijn handboeien afgedaan en zeiden ze van: "Nou, je bent vrij rustig en je mag vastgebonden worden aan het bed". Vervolgens ben ik vastgebonden met een voet aan het bed. Toen kwam die neger met tie-wraps om dat met touwen vast te maken aan het bed, zodat ik op kon staan. Ik heb toen nog heel veel gehuild.

De volgende dag kwam die kleine naar mij toe en zei dat we een bandje gingen inspreken. Vervolgens hebben we een bandje ingesproken op een speelgoeddingetje. Dit bericht was voor mijn vader. Hierin kwam naar voren dat de enige die ik kende die in de drugswereld dit zou kunnen regelen voor mijn vader en mij, [verdachte] was.

Hoe kom je daar dan op?

Ik moest dat bandje inspreken en mocht geen namen noemen. Ik moest tegen mijn vader zeggen: Denk aan de bridgevrienden van [getuige 2]. Verder moest ik zeggen: Papa, help me. Je moet betalen. Je mag er absoluut geen politie bij halen. Je moet een oplossing vinden om te doen wat ze zeggen. Denk aan de bridgevrienden van [getuige 2].

Hoezo [getuige 2]?

[getuige 2] is op dit moment de bridgepartner van [verdachte]. Ik mocht echt de naam [verdachte] niet van ze noemen.

Ken je de tekst nog die je hebt ingesproken?

Nou papa, hier is [slachtoffer 1]. Ik neem aan dat je weet wat er aan de hand is. Ik neem aan dat je op de hoogte bent van de eis. Betaal of je moet doen wat ze zeggen. Ik moet er absoluut geen politie bijhalen. En je moet, ik denk niet dat ik letterlijk drugs heb gezegd, proberen te doen wat ze zeggen. En denk aan de bridgevrienden van [getuige 2]. Vervolgens moest ik een boodschap inspreken voor [getuige 1] en de kinderen.

Hoe hebben ze jou op de naam [verdachte] gekregen?

Ja, ik moest dus zeggen waar ik allemaal was geweest onder andere in Nederland. Ik moest zelf Curaçao zeggen. Toen zeiden zij Curaçao daar komt toch drugs vandaan. Vervolgens heb ik eerst een andere naam genoemd en toen de naam van [verdachte]. Toen vroegen zij verder over [verdachte] en zijn achternaam en ze zouden op zoek gaan. 's Avonds is hij - het hof begrijpt: [mededader 1] - teruggekomen en dat was dinsdagavond om een uur of tien. Hij zou die boodschappen doorgeven aan iedereen en zei: "Het is in het nieuws en de politie is overal. Ik kan je vader die boodschap niet geven. Ik heb het niet gedaan en nu moeten we een andere manier bedenken. Toen hoorde ik trouwens voor het eerst dat mijn kinderen hoogstwaarschijnlijk leefden en dat naar mij werd gezocht en dat ik ontvoerd was. Hij zei dat we zouden gaan praten om het te gaan oplossen. Dus ik moest het toen gaan bedenken met hem samen. Hij zei iedere keer over mijn vriend [verdachte], waarbij ik zei tegen hem dat het mijn vriend niet was. Hij zei dat het beste was dat [verdachte] de deal voor mijn vader zou maken en dan moet je vader hem betalen. Ik zei nog tegen hem dat mijn vader [verdachte] helemaal niet zou betalen, want hij vertrouwt hem niet en hij zou waarschijnlijk meteen de politie inlichten. Ik heb gezegd dat de broer van [verdachte] in Rotterdam woont en dat zijn achternaam is [verdachte]. Ze hebben helemaal niet gevraagd hoe je deze achternaam schrijft.

Ik zei dat het beste zou zijn als [verdachte] daar zou komen. Ze zouden contact opnemen met [verdachte], naar hem toegaan en hem dan vragen om mee te komen. Ik moest vervolgens een bandje inspreken voor [verdachte]. Ik moest zeggen: "[verdachte] help me alsjeblieft, ga alsjeblieft mee met deze mensen, want dat is de enige manier om vrij te komen." Het moest de hele tijd duidelijk zijn dat ik [verdachte] had aangebracht als tussenpersoon en dat moest ook duidelijk zijn voor de politie. Dus dat moest op tape.

Ja, voor [verdachte] deze keer. Zij zouden [verdachte] opzoeken en dan met hem gaan praten. Ze zouden hem zeggen dat hij iets kon doen voor zijn vriendin [slachtoffer 1]. Ze zouden dan een bandje laten luisteren, dat ik ingesproken zou hebben. En dan zouden ze hem vragen: kom alsjeblieft mee met deze mensen, je hebt connecties en jij kan ons helpen.

[verdachte] zou eigenlijk de weldoener moeten zijn.

Ja, hij zou [verdachte] hier naar toe halen en dan zou ik met [verdachte] kunnen praten en dan zouden zij ons beiden vrijlaten. Dan konden wij beiden naar mijn vader gaan, samen met [verdachte]. Ik had absoluut het idee dat dit een vooropgezet plan was.

Heb je nooit gezegd: Laat je me dan vrij? En als ik het dan niet regel?

Dat heb ik nooit gezegd. Ik heb altijd gezegd dat ik het zou regelen. Ik ben overal in meegegaan. Die kleine zou met het geld alleen maar goed leven. Hij sprak zich ook constant tegen. Die mannen waren helpers en zouden bijna niets krijgen.

Was het amateuristisch of professioneel?

Hij zei dat ze [verdachte] gingen halen en die moest contact maken met zijn drugsmensen en hij moest alvast gaan kopen. Ik vroeg hoe dat nou kon, want hij had toch geen geld. Toen zeiden ze dat het in de drugswereld niet vreemd is om het alvast mee te nemen en dat het geld vanzelf kwam. Ze gingen mij duidelijk maken dat [verdachte] helemaal in de drugswereld zit en dat het geld vanzelf kwam. [verdachte] moet hier komen om met jou te praten en hopelijk gaat hij dit dan voor jou doen en als het een echte vriend is doet hij het voor jou. Verder zeiden ze dat ik mijn vader moest overtuigen dat [verdachte] het moest regelen. Ook zeiden ze dat ze me geen pijn wilden doen, maar als het niet anders kon dan moest het maar. Toen kreeg ik een huilbui en vroeg wanneer zij [verdachte] dan vinden. Ik zei toen dat ik het niet kon volhouden en dat ik ervoor zou zorgen dat geld betaald zou worden.

Toen zei hij (het hof begrijpt: [mededader 1]) ineens dat hij mij zou vrijlaten. Hij kwam met een schaar en knipte die tie-wraps door. Ik hoorde dat ze beneden alles aan het schoonmaken waren. Toen zeiden ze dat ik moest gaan douchen. Vervolgens heb ik gedouched en toen moest ik dat witte pak aantrekken. Ik moest die muts over mijn hoofd trekken en ik ben meteen in de auto gegaan. Ik wilde niet meer in de box gaan, maar dat hoefde ook niet meer. Ik ben met mijn rug tegen de zijkant van de auto gaan zitten.

We hadden het erover gehad waar hij mij af kon zetten. We hadden afgesproken dat ik een taxi zou nemen en naar huis zou gaan. Ik heb gezegd dat ze mij in Arnhem uit de auto moesten zetten. In Arnhem hebben we enige tijd rondjes gereden en hij zei dat er veel mensen aan de voorkant van het station stonden. Toen reed hij dus naar de achterkant en zei hij dat ik moest uitstappen en niet achterom mocht kijken.

2. Een proces-verbaal van 22 november 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en inspecteur van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina’s 283-288).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisanten voornoemd op 17 september 2005 (in aanvulling op het verhoor van 16 september 2005) afgegeven verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]:

Kun je ons nog iets vertellen over de nieuwe telefoon van [verdachte]?

Vorige week zaterdag (noot verbalisanten:10 september 2005) heeft [verdachte] met [getuige 2] zitten bridgen in het bridge/schaakcafé "2 Klaveren" in de Clerqstraat en ik heb van [getuige 2] gehoord dat [verdachte] tijdens het bridgen opeens weg was. Tijdens het bridgen is [verdachte] opeens een mobiele telefoon gaan kopen. Dat is vreemd omdat [verdachte] een type is dat altijd een mobiele telefoon heeft. Hij is ook demonstratief gaan doen en kwam meteen bij [getuige 2] van geef me je nummer. Ik denk dat hij een soort heldenrol wilde vervullen, want daarvoor moest [getuige 2] hem kunnen bellen.

Hij heeft deze telefoon gekocht tegenover het bridge/schaakcafé "2 Klaveren" in de Clerqstraat en ik hoorde van [getuige 2] dat hij zijn nummer liet zien aan [getuige 2].

Daarvoor hadden we geen nummer van hem en dit is dus wel idioot, want het was uniek om nu een nummer van hem te krijgen.

Was [verdachte] al een tijd in Nederland?

We hadden [verdachte] al drie jaar niet meer gezien en ik denk dat [getuige 2] hem eind juni gezien heeft. Opeens zat hij op een barkruk, waar [getuige 2] zat te bridgen. Toen begon [verdachte] te lachen en vanaf dat moment wilde hij opeens weer bridgen en heel vaak met [getuige 2] spelen.

Maar toen [verdachte] opeens weer kwam opdagen. Wie zocht hij toen als eerste op?

Ons. Hij was daar om [getuige 2] te zoeken. Ik had [verdachte] drie jaar niet gezien. Ik heb hem ook nog bij ons beneden in de keuken gezien. Ik heb toen nog een bridgespelletje met hem doorgenomen en daarna ben ik gaan slapen.

3. Een proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt door mr. Th.J.M. Gijsberts, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 en op 20 april 2006 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 1]:

Ik weet inmiddels dat de man die ik de prater noem, [mededader 1] heet. Ik heb zijn gezicht gezien op de dinsdagavond van mijn ontvoering. Later heb ik hem op een foto herkend (het hof begrijpt: het proces-verbaal van 20 september 2005, dossier doorgenummerde pagina 289, waarin is gerelateerd onder meer de herkenning door mevrouw [slachtoffer 1] van de verdachte [mededader 1]).

4. Een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door de raadsheer-commissaris, in de zaak tegen de verdachte aangewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 september 2008 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

Op een zeker moment zat ik met een van de ontvoerders, die ik de Prater noem in een kamer. Hij vroeg mij of ik mensen kende die drugs konden regelen. Hij heeft het gesprek gebracht op het wonen in het buitenland. Hij hield mij voor dat ik toch in het buitenland heb gewoond. Daarop heb ik hem aangegeven dat ik in Londen heb gewoond. Daarna heeft hij mij voorgehouden dat ik toch ook nog elders in het buitenland heb gewoond, op de Antillen? En zo stuurde hij mij als het ware naar Curaçao.

En ik merk ook overigens op dat de Prater steeds in de Engelse taal met mij sprak. Naar aanleiding van de door hem gestelde vragen heb ik de naam [verdachte] genoemd. Niet direct, ik noemde eerst een andere naam omdat ik niet wilde laten merken dat ik al eerder aan [verdachte] had gedacht.

Ik dacht dat het onmiddellijk noemen van die naam mijn positie in gevaar kon brengen. De naam [verdachte] kwam voor het eerst bij mij op toen ik in die doos lag, nadat ik thuis was overmeesterd. Ik houd het op intuïtie. Ik heb voordat de naam [verdachte] door mij werd genoemd ten overstaan van de Prater ook gedacht dat hij, de Prater, een familielid was van [verdachte]. Ik merk nog op dat ik me herinner dat toen ik in die doos lag dacht aan [getuige 1] die op dat moment aan het bridgen was, twee van de ontvoerders spraken Engels op een manier die mij deed denken aan door Antillianen gesproken Engels zoals ik dat ken van Curaçao, en ik dacht aan [verdachte] die ineens was komen opdagen in Nederland. Dit alles vond ik vreemd en aldus dacht ik zou het iets met [verdachte] te maken hebben.

Ik heb eerder verklaard over de nervositeit van de Prater die uiteindelijk ook trekken van paniek kreeg. Hij heeft met zoveel woorden aangegeven dat hij [verdachte] niet kon bereiken. Aanvankelijk kende hij slechts de naam [verdachte]. In een later stadium heb ik ook nog eens de naam '[verdachte]' opgeschreven. Ik moet dat preciseren. Ik herinner me niet of ik het heb opgeschreven. Ik herinner me in elk geval wel dat het mij opviel dat de Prater aanvankelijk slechts de naam [verdachte] van mij had opgekregen en het verbaasde mij dat hij niet gevraagd heeft hoe die naam moest worden gespeld. De Prater heeft mij gezegd dat hij [verdachte] niet kon bereiken.

5. De verklaring van de getuige [mededader 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2008.

Deze verklaring houdt in - voor zover van belang en zakelijk weergegeven -:

U houdt mij voor hetgeen door de rechtbank is bewezen geacht in het vonnis waarvan beroep. Ik erken mij schuldig gemaakt te hebben aan die misdrijven voor zover het betreft -kort gezegd- het medeplegen van de gijzeling van mevrouw [slachtoffer 1]. Ik ben door een samenloop van omstandigheden tot het plegen van deze strafbare feiten gekomen. De in deze zittingszaal aanwezige [verdachte], mijn neef, stelde op een gegeven moment voor om iemand te ontvoeren. Aanvankelijk wilde ik niet meedoen, maar door mijn slechte financiële positie ben ik overstag gegaan.

[verdachte] wist dat ik in financiële nood verkeerde. Hij wist dit omdat ik ook hem om financiële hulp heb gevraagd. Hij wilde of kon mij toen niet helpen. [verdachte] had zelf ook (financiële) problemen. In of omstreeks de maanden april/mei/juni van 2005 ben ik op verzoek van [verdachte] naar Curaçao gereisd. Ter plaatse gekomen bleek mij dat [verdachte] was gearresteerd omdat hij werd verdacht van betrokkenheid bij een ontvoering. Na verloop van een aantal weken is hij vrijgelaten en heeft hij mij voorgesteld mee te doen aan een project. Dat project hield een gijzeling in waarbij [verdachte] de financiering en onderhandelingen op zich zou nemen. [verdachte] heeft mij overtuigd om mee te doen.

[verdachte] vertelde mij dat hij mensen kende die over erg veel geld beschikten. [verdachte] had het plan bedacht maar hij zou in de feitelijke uitvoering geen rol spelen. De feitelijke uitvoering zou bij mij en bij een derde persoon liggen.

Wij hadden afgesproken om als losgeld 500 kilo cocaïne te vragen. Dit was een bewuste keuze. Volgens [verdachte] wist de desbetreffende familie dat [verdachte] in cocaïne handelde, zodat het niet anders zou kunnen dan dat zij hem zouden benaderen. Door bij wijze van losgeld cocaïne te eisen zouden wij die familie als het ware naar [verdachte] sturen. [verdachte] zou dus een dubbelrol spelen. Wij gingen ervan uit dat de familie, gelet op de cocaïne-eis, geen contact op zou nemen met de politie. Bovendien dachten wij dat deze zaak, gelet op de dubbelrol van [verdachte], snel dat wil zeggen binnen één week, zou zijn opgelost. Ik wist op dat moment nog niet wie er zou worden ontvoerd. Dat wist ik pas kort voor de daadwerkelijke ontvoering. [verdachte] heeft voor de familie [slachtoffer 1] gekozen omdat hij dacht dat die familie veel geld 'had liggen'. Ik kende [slachtoffer 1] niet.

Toen [verdachte] mij vroeg om mee te doen met de ontvoering was er nog geen concreet plan. We hadden ook nog geen geld voor het project. Wij hadden reisgeld nodig; met dit geld zouden de derde man en ik van Curaçao naar Nederland reizen. Verder hadden we natuurlijk in Nederland nog geld nodig voor de uitvoering van de ontvoering. [verdachte] was als organisator verantwoordelijk voor het vergaren van de financiële middelen. Het was de bedoeling dat [Y] de derde man zou zijn. [Y] is een Antilliaanse ex-politieman. De naam [Y] is een codenaam.

In april 2005 belde [verdachte] mij, zoals gezegd. Ik verbleef op dat moment in Nederland. [verdachte] vroeg mij naar Curaçao te komen en dat heb ik ook gedaan. [verdachte] werd in die periode echter aangehouden in verband met een ontvoering op Curaçao.

Ik kon op dat moment dus niet met hem in contact komen. Ik ben daarom naar Brazilië gevlogen. Ik woonde toen in Brazilië. Ongeveer een maand na zijn arrestatie hadden [verdachte] en ik weer contact. [verdachte] zei dat ik alvast naar Nederland moest gaan. Hij had daartoe geld naar Brazilië gestuurd. Van dat geld heb ik een vliegticket naar Nederland gekocht. [verdachte] kwam later - ik meen in juli 2005 - naar Nederland.

Op dat moment had [verdachte] dus een deel van het voor het project benodigde reisgeld op orde. De overige financiële middelen ontbraken nog. Hoewel [verdachte] de financiële kant van het project nog niet op orde had, ben ik toch vast naar Nederland gegaan. Ik ging ervan uit dat [verdachte] het financiële deel van het project tijdig zou regelen. Hij was de organisator en in die hoedanigheid dus ook verantwoordelijk voor het vergaren van de financiële middelen. Dat was zijn afdeling.

Ik was een paar dagen eerder in Nederland dan [verdachte]. Toen ik in Nederland was, heb ik [verdachte] gebeld om te vertellen dat ik er was. Hij is vervolgens vanuit Curaçao naar Nederland gevlogen. Ik heb [verdachte] van Schiphol opgehaald.

Als gezegd had [verdachte] de financiën voor de uitvoering van dit project nog niet op orde. [verdachte] had berekend dat we ongeveer € 50.000,- nodig zouden hebben. Het lukte [verdachte] niet om het geld bij elkaar te krijgen. [verdachte] vroeg mijn hulp en ik heb toen ook vrienden en kennissen gevraagd om mij geld te lenen. Ik heb van een persoon een bedrag van € 5.000,- gekregen. Ik heb die € 5.000,- niet daadwerkelijk aan [verdachte] gegeven. Ik heb tegen hem gezegd dat ik er de beschikking over had en ik heb hem gevraagd wat we ermee gingen doen. Verder heb ik me niet met de financiële kant van het verhaal bemoeid. Ik wist dat de tijd voor [verdachte] begon te dringen. [verdachte] had van zijn schuldeisers tot september 2005 de tijd gekregen om zijn verplichtingen jegens hen na te komen.

In augustus 2005 ben ik vanuit Nederland naar Curaçao gevlogen om [Y] op te halen. Hoewel wij slechts beperkte financiële middelen hadden, wilde [verdachte] toch dat ik naar Curaçao vloog om [Y] op te halen. [verdachte] zou in de tussentijd in Nederland contact maken met het beoogde slachtoffer. Ik wist op dat moment nog steeds niet om wie het ging. Ik had toen wel de familienaam gehoord, maar wist nog niet om welk lid van de familie het ging. Volgens mij ben ik in die periode zelfs al een keer langs een huis gereden.

Ik moest om meer redenen van [verdachte] naar Curaçao. In de eerste plaats moest ik dus [Y] ophalen. Ik had van [verdachte] een telefoonnummer gekregen om met [Y] in contact te komen. Op dat nummer kreeg ik evenwel geen gehoor. In de tweede plaats moest ik via [X] een boodschap doorgeven aan de schuldeisers van [verdachte]. Die boodschap luidde, naar ik meen, dat [verdachte] het op 15 september zou regelen. Ik dacht dat hij het in Rotterdam althans Nederland zou regelen, maar dat weet ik niet meer zeker. Ten derde moest ik een derde man zoeken en meenemen naar Nederland. [verdachte] liet de beslissing ten aanzien van die derde man aan [Y] en mij over.

Ik heb toen [mededader 2] - een goede vriend van mij - als derde man gevraagd. Hij werd uiteindelijk de tweede man omdat het mij niet lukte om met [Y] in contact te komen. Ik heb [mededader 2] niet onder druk gezet om mee te doen. Hij liet zich gemakkelijk overhalen. [mededader 2] en ik hebben er uiteindelijk voor gekozen om een vierde man in het plan te betrekken. Dat werd [mededader 3].

Ik ben daarop als eerste teruggegaan naar Nederland. [mededader 2] en [mededader 3] zijn kort na mij naar Nederland gekomen. Ik heb de nacht dat ik in Nederland aankwam contact gehad met [verdachte].

Het plan van de ontvoering was ongewijzigd ten opzichte van het plan dat [verdachte] in april 2005 met mij had besproken. Het kwam er dus op neer dat [verdachte] geen rol had bij de feitelijke uitvoering van de ontvoering. Voor dat deel waren [mededader 2], [mededader 3] en ik verantwoordelijk.

[verdachte] en ik probeerden ervoor te zorgen dat onze contacten niet traceerbaar waren. Steeds als wij elkaar zagen, maakten wij een afspraak voor de volgende ontmoeting. Wij zouden elkaar niet bellen, faxen of e-mailen. Door dat niet te doen zou het traceren van gehouden of toekomstige onderlinge contacten sterk worden bemoeilijkt.

Ik kon op geen enkele manier met [verdachte] in contact treden. Wij hebben hier bewust voor gekozen. Dat was op zich zelf ook niet nodig omdat [verdachte] ons zou bellen zodra wij de gegijzelde los mochten laten. Bovendien maakten [verdachte] en ik tijdens een bespreking steeds een afspraak voor een volgende bespreking. Achteraf is wel duidelijk geworden dat we niet echt goed over de details hebben nagedacht.

Een à twee dagen voor de ontvoering heb ik [verdachte] in Rotterdam ontmoet. Wij spraken altijd op straat af. Bij deze gelegenheid heb ik van [verdachte] een zak gekregen met daarin een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Ik heb wel eens een vuurwapen gezien. Ik heb ook wel eens geschoten. Ik had niet het idee dat dit wapen echt was vanwege een soort van palletje dat ik waarnam in de loop van dat wapen. In het tasje dat ik van [verdachte] kreeg zat maar één wapen.

Als ik een bespreking had met [verdachte] waren de anderen -[mededader 2] en [mededader 3]- daar niet bij aanwezig. Ik sprak altijd met [verdachte] zonder dat daarbij derden aanwezig waren. [mededader 2] wist wel dat [verdachte] de vierde man was. [mededader 2] was van alles op de hoogte. [mededader 3] wist ook dat er een vierde man was.

Ik weet niet of [mededader 3] wist dat [verdachte] de vierde man was. Ik weet niet of ik aan [verdachte] heb verteld dat [mededader 2] volledig op de hoogte was.

Ik was al in Nederland voordat [mededader 2] en [mededader 3] arriveerden. Ik logeerde bij vriendinnen totdat [mededader 2] en [mededader 3] in Nederland aankwamen. Wij zijn toen met z'n drieën naar het vakantiehuisje gegaan. Voordat [mededader 2] en [mededader 3] in Nederland aankwamen, zijn [verdachte] en ik één à twee keer langs het huis van het slachtoffer gereden. Ik ken de weg in Amsterdam niet goed. Doordat wij twee keer langs die woning zijn gereden, wist ik waar ik moest zijn.

[verdachte] had contact met het beoogde slachtoffer. Hij wist dat zij op maandagavond alleen thuis zou zijn. Wij zouden dan bij haar aanbellen, haar meenemen en een brief achterlaten. [verdachte] had bedacht dat we 500 kilo cocaïne zouden eisen. Dat heeft hij later bijgesteld naar 300 kilo cocaïne. [verdachte] dacht dat 300 kilo cocaïne ongeveer 8 à 10 miljoen euro waard zou zijn. [verdachte] en ik hebben nooit gesproken over hoeveel ik precies zou krijgen voor mijn aandeel in het geheel. [verdachte] wist van mijn problemen met de belastingdienst. Ik ging er dus vanuit dat ik minimaal 2 miljoen euro zou ontvangen.

[mededader 2] en ik hebben de losgeldbrief ongeveer een uur voor de ontvoering geschreven. Ik bedoel daarmee dat ik heb geschreven en dat [mededader 2] mij heeft geholpen met het vinden van de juiste woorden. Ik heb de brief in de auto geschreven. [verdachte] had ons verteld wat er in de brief moest staan, de in de aanhef van die brief genoemde namen daaronder begrepen. We zouden de brief richten aan de vrienden van [slachtoffer 1]. Die vrienden zijn kapitaalkrachtig en zouden dus vrij eenvoudig aan onze wensen kunnen voldoen. [verdachte] had mij verteld dat die mannen alle drie wat met [slachtoffer 1] hadden. Ik kende die vrienden niet van gezicht, wel van naam.

Ik heb zondagavond voor het laatst contact gehad met [verdachte]. Die ontmoeting vond plaats in Rotterdam bij onze vaste ontmoetingsplek, te weten op straat in de buurt van het huis van de broer van [verdachte]. [verdachte] vertelde toen dat het die maandag moest gebeuren. Ik kan me nog herinneren dat [verdachte] zich niet erg lekker voelde. Hij had kiespijn. De ontvoering had op zichzelf op iedere willekeurige maandag kunnen plaatsvinden. [verdachte] had besloten dat het die maandag zou gaan gebeuren. Wij hebben toen in Rotterdam specifiek over de maandag van de ontvoering gesproken.

Vlak voor de ontvoering heb ik met [slachtoffer 1] gebeld en een afspraak gemaakt om haar later die avond te ontmoeten. Ik wilde er zeker van zijn dat zij die avond thuis zou zijn. [mededader 2] en ik hebben ons uiterlijk voor die gelegenheid iets aangepast. [mededader 2] had zijn snor afgeschoren en ik ging anders gekleed dan ik normaal gesproken gekleed ga. [mededader 3] zou in de auto blijven. Hij was dan ook niet vermomd. [verdachte] liet de feitelijke uitvoering van de ontvoering volledig aan ons over.

Dat geldt dus ook voor het plan om [slachtoffer 1] in een doos/kist te vervoeren. Het ging steeds als volgt. [mededader 2] en ik bedachten een plan. Ik legde dat plan dan voor aan [verdachte] en [verdachte] zei dan of het goed was of niet. Als [verdachte] zei dat het niet goed was, deden we het niet. Van de doos of kist zei [verdachte] dus dat het goed was.

Pas toen we [slachtoffer 1] in haar huis hadden overmeesterd, merkten we dat haar bovenbuurman in de woning aanwezig was en ook dat haar kinderen nog wakker waren. Met die mogelijkheid hadden we eigenlijk geen rekening gehouden. Wij hadden gedacht dat zij alleen thuis zou zijn.

Het is nooit de bedoeling geweest om echt 300 kilo cocaïne als losgeld te ontvangen. We hebben dat alleen geëist om de familie in de richting van [verdachte] te leiden. Wij hadden nooit verwacht dat de familie ruchtbaarheid aan de ontvoering zou geven, mede gelet op de cocaïne-eis. Wij hebben [slachtoffer 1] na de ontvoering meegenomen naar het vakantiehuisje. Tot dinsdagavond ging alles nog goed. Maar dinsdagavond werd alles bekend in de media. De media-aandacht heeft ons drieën enorm overvallen. Ik dacht daardoor dat het plan niet zou lopen als [verdachte] had gedacht. Kijk, het was de bedoeling dat de vader van [slachtoffer 1] zou betalen. Dat was het plan. Ik zag echter op televisie dat de vader van [slachtoffer 1] werd afgeschermd. Met afgeschermd bedoel ik dat hij onbereikbaar was. Het leek mij daarom vrijwel onmogelijk dat [verdachte] dicht genoeg in de buurt zou kunnen komen van de heer [Z]. Ik begon sterk te twijfelen of het allemaal wel zo zou gaan als we hadden gedacht dat het zou gaan.

Het begon zich te wreken dat ik geen contact kon opnemen met [verdachte]. Ik hoopte dat hij contact zou opnemen met mij, maar dat gebeurde niet. Het contact bleef uit. We hadden van te voren de volgende afspraak gemaakt: als alles binnen drie dagen zou zijn geregeld, dan zou [verdachte] contact met mij opnemen en zouden we haar mogen laten gaan. Als ik niet van hem zou horen, zouden wij elkaar in ieder geval de vrijdag na de ontvoering bij de McDonald's in Rotterdam treffen.

Ik heb tijdens het verblijf van [slachtoffer 1] in het huisje met haar gesproken. Ik heb niet met haar over het verloop van de ontvoering gesproken. Zij dacht dus dat wij echt 300 kilo cocaïne in ruil voor haar vrijlating wilden hebben. Wij hebben haar een bandje laten inspreken voor [verdachte]. Ik heb de naam van [verdachte] niet genoemd, maar ik heb haar naar die naam geleid. Hoe sneller [verdachte] immers in de zaak zou worden betrokken, hoe beter. Ik wilde er bijna zeker van zijn dat het zo zou lopen als ik had gedacht. Daarom ik heb ik haar in de richting van [verdachte] geleid.

Het klopt dat ik op een gegeven moment afstand heb genomen van het plan van [verdachte].

Kijk, ik wilde vasthouden aan het aanvankelijke plan van [verdachte]. Maar toen ik niets meer van hem hoorde, trok ik de conclusie dat hij ons had laten vallen. Ook nadien heb ik niets meer van hem gezien of gehoord. Ik heb nog een tijd op [verdachte] gewacht. Ik had ook eerder uit Nederland kunnen vertrekken.

[verdachte] en ik hadden de vrijdag na de ontvoering een zogenaamde 'open' afspraak. Daarmee bedoel ik dat wij ervan uitgingen dat de zaak voor die tijd al zou zijn opgelost. De vrijdag-afspraak diende als 'back up'-afspraak voor het geval er nog geen oplossing zou zijn bereikt. Wij - [mededader 2], [mededader 3] en ik - konden uiteindelijk gewoon niet meer tot vrijdag wachten. Wij sliepen niet meer. We waren in paniek door alle media-aandacht en bovendien zagen we haar verdriet. Achteraf snap ik niet hoe ik hierin verzeild ben geraakt.

Het klopt dat [verdachte] had laten doorschemeren dat het geen 'echte' ontvoering zou zijn. Hij bedoelde daarmee dat hij die mensen goed kende en dat die mensen wisten dat [verdachte] in verdovende middelen handelde. Anders dan een tas met geld, is cocaïne niet te traceren voor de politie. Door cocaïne te vragen verzekerde [verdachte] zich van het feit dat de familie er geen politie bij zou halen. De 'zaak' zou dus opgelost worden voordat er ruchtbaarheid aan de ontvoering zou worden gegeven in de media.

6. De verklaring van de getuige [mededader 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2008.

Deze verklaring houdt in - voor zover van belang en zakelijk weergegeven -:

U vraagt mij naar het[B.B.]-verhaal. Alles wat ik over die zaak weet, heb ik van [verdachte] gehoord. Zo weet ik dat [B.B.] drugs heeft gestolen van Colombianen. Ik weet niet meer precies wanneer dat was, maar in ieder geval in 2005. Ik was in die periode regelmatig op Curaçao maar verbleef er niet permanent. Ik kan me niet herinneren dat ik iets over deze situatie in de kranten op Curaçao heb gelezen.

U houdt mij voor een passage uit de door mij in Brazilië afgelegde verklaring van 8 november 2005 (dossierpagina 437), inhoudende dat:

"Ik heb ingestemd met het plan van de ontvoering. Die andere persoon, is een ex-politieman op Curaçao. Ik heb deze man een paar keer ontmoet waar [verdachte] bij aanwezig was. Ik noemde deze ex-politieman [Y]".

Ik heb die andere persoon één à twee keer ontmoet bij [verdachte] thuis en ook één keer op de bowlingbaan. Die ontmoetingen vonden plaats kort nadat [verdachte] mij had voorgesteld om mee te doen met de ontvoering. Ik weet niet meer precies wanneer die ontmoetingen hebben plaatsgevonden. Ze vonden in ieder geval kort na elkaar plaats, ik denk binnen één week. Ik denk dat het ergens in de maand mei van 2005 moet zijn geweest.

De eerste twee ontmoetingen vonden plaats bij [verdachte] thuis. [verdachte] heeft mij toen verteld dat [Y] ook zou komen. Wij zaten met z'n drieën aan tafel. We hebben toen ongeveer 30 à 45 minuten met elkaar gesproken. Volgens mij vond die eerste ontmoeting in de avond plaats.

Wij hebben toen met elkaar afgesproken om elkaar niet bij de echte naam maar met een codenaam aan te spreken. Ik had [Y] voor de eerste ontmoeting bij [verdachte] thuis nog nooit gezien. Ik weet verder dat [Y] een Curaçaoënaar is en dat wij Papiaments met elkaar spraken. [Y] is tussen de 30 en de 40 jaar oud.

Tijdens die eerste ontmoeting legde [verdachte] zijn plan aan ons voor. Hij vertelde ons dat het zijn bedoeling was om iemand in Nederland te ontvoeren en om als losgeld 500 kilo cocaïne te eisen.

Ik weet niet meer precies wat er tijdens die ontmoeting allemaal is besproken. Ik vermoed dat [verdachte] voorafgaand aan deze ontmoeting ook al een keer alleen met [Y] had gesproken. Ik had het volgens mij bij een eerdere gelegenheid ook al met [verdachte] over cocaïne gehad. Volgens [verdachte] was een hoeveelheid van 500 kilo cocaïne tussen 10 en 12 miljoen euro waard. Dat had hij zo berekend aan de hand van de [B.B.]-situatie. Volgens mij hebben [Y], [verdachte] en ik tijdens die eerste ontmoeting van gedachten gewisseld over de ontvoering. Wij spraken daarover in algemene termen, zeker niet in detail.

Die eerste ontmoeting eindigde met de toezegging van [verdachte] dat hij voor de benodigde financiële middelen zou zorg dragen. Hij schatte dat een bedrag van € 50.000,- euro voor de uitvoering van het plan nodig was.

Het tweede gesprek vond ongeveer 2 à 3 dagen, in ieder geval niet meer dan 5 dagen, later plaats. Volgens mij duurde die ontmoeting ongeveer een half uur. En voorzover ik me kan herinneren hebben we ongeveer hetzelfde besproken als bij die eerste ontmoeting. We hebben toen aan [verdachte] gevraagd wanneer hij dacht dat hij het geld bij elkaar zou hebben. [Y] en ik zouden een gelijkwaardige rol gaan vervullen. [Y] had dus net als ik een serieuze rol in de uitvoering van de ontvoering.

Het derde gesprek vond plaats op een bowlingbaan. Het kan zijn dat dit de vierde keer was dat wij samenkwamen. Elke keer als wij bij elkaar waren, maakten wij een afspraak voor de volgende bijeenkomst. Alle gesprekken die [verdachte], [Y] en ik hebben gehad, vonden plaats in een tijdsbestek van maximaal twee weken. We leefden als het ware van gesprek naar gesprek.

Ik heb in ieder geval nooit telefoonnummers met hem uitgewisseld. [verdachte] wilde trouwens ook niet dat [Y] en ik telefoonnummers met elkaar zouden uitwisselen.

Ik ben op een gegeven moment naar Brazilië vertrokken. Toen ik vetrok was het zo dat [verdachte] druk doende was om het voor de ontvoering benodigde geld te vergaren.

Op een gegeven moment vroeg [verdachte] mij om hem te helpen met het vergaren van voldoende financiële middelen. [verdachte] vertelde dat hij in de tussentijd druk doende was om de contacten met het latere slachtoffer te verstevigen.

We hebben het er de vorige keer al over gehad dat ik heb verklaard dat de ontvoering doorgestoken kaart was. Dat had betrekking op de dubbelrol die [verdachte] zou gaan spelen. Ik wist pas ongeveer één week voor de ontvoering wie er zou worden ontvoerd. Voor die tijd wist ik dus niets over de relatie tussen het slachtoffer en [verdachte].

Dat het uiteindelijke slachtoffer een vrouw zou zijn, heb ik afgeleid zowel uit de gesprekken die [verdachte] en ik op Curaçao hebben gevoerd als uit onze gesprekken in Nederland. [verdachte] wilde aanvankelijk niet zeggen om wie het ging.

Ik weet niet meer of ik hem er specifiek naar heb gevraagd. Eén week voorafgaand aan de ontvoering wist ik precies om wie het ging.

Ik ben begin juli 2005 in Nederland aangekomen. Diezelfde dag heb ik [verdachte] ontmoet. Twee dagen later zag ik hem weer. Dat was in Amsterdam bij de Heinekenfabriek. Hij had daar een afspraak met mogelijke geldschieters. [verdachte] en ik spraken regelmatig af in Amsterdam. Ook hadden wij ontmoetingen in Rotterdam.

[mededader 2] en ik hebben de losgeldbrief ongeveer 30 minuten voor de ontvoering in de auto geschreven. Ik had [verdachte] de avond ervoor ontmoet en hij heeft mij toen verteld dat in die brief in ieder geval moest staan dat we in ruil voor [slachtoffer 1] 300 kilo cocaïne wilden hebben. Hij vertelde me ook dat de brief moest worden gericht aan de vrienden van [slachtoffer 1], zijnde [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 1]. Aanvankelijk had [verdachte] het met mij gehad over een hoeveelheid van 500 kilo cocaïne. In het gesprek dat [verdachte] en ik de dag voor de ontvoering hadden, vertelde hij dat een hoeveelheid van 300 kilo cocaïne voldoende was. [verdachte] heeft dus bepaald tot wie we onze eis zouden richten, hij heeft bepaald hoeveel cocaïne we zouden eisen en hij heeft bepaald dat de losgeldbrief in het Engels moest worden opgesteld.

[verdachte] had bepaald dat het tijdstip van de ontvoering moest samenvallen met het tijdstip waarop hij aan het bridgen was, dus ergens tussen 20.00 uur en 23.30 uur. [verdachte] wist dat [getuige 1] op dat tijdstip ook aan het bridgen was. We hadden afgesproken dat [verdachte] mij zou bellen als bleek dat [getuige 1] niet zou komen bridgen. Het klopt dat ik [verdachte] niet kon bellen. Zo hadden we dat afgesproken.

Als wij niets van [verdachte] zouden horen, zouden wij naar het huis van [slachtoffer 1] gaan om haar te ontvoeren.

Ik was bang voor represailles uit de richting van [verdachte]. Ik ken hem op zich niet als een gewelddadig persoon, maar ik was ook bang voor de mensen met wie [verdachte] problemen had.

U houdt mij voor dat door de afspraken die [verdachte] en ik met betrekking tot de ontvoering hebben gemaakt het zo was dat ik hem niet telefonisch kon bereiken en dat [verdachte] bovendien volledig buiten de ontvoering zou blijven. Dat klopt. We hebben dat zo afgesproken vanwege de dubbelrol die [verdachte] zou gaan vervullen. Volgens [verdachte] was het zo het best.

Toen[verdachte] mij voorstelde om iemand te ontvoeren, vertelde hij me direct dat het om een bridger zou gaan. Hij heeft mij dit verteld omdat hij mij moest overtuigen met betrekking tot de kans van slagen van het plan. Hij vertelde dat het goede vrienden van hem waren met wie hij een vertrouwensband had. In die periode hadden wij meer gesprekken en ontvouwde het plan zich langzaam.

[verdachte] verstrekte aan mij die informatie die ik nodig had. Hij heeft mij bijvoorbeeld ook verteld dat hij op het landgoed van de heer [Z] had gelogeerd. Dit om aan te geven dat hij bij de familie in beeld was.

Nadat we [slachtoffer 1] hebben vrijgelaten, heb ik tot vrijdag op [verdachte] gewacht. Toen ik niets van hem hoorde, ben ik naar Brazilië vertrokken. Ik had toen sterk het gevoel dat hij zijn handen van de zaak had afgetrokken.

De verdachte vraagt of het klopt dat [mededader 2] en ik in Nederland samen op zoek zijn gegaan naar een appartement of een huisje om de te ontvoeren persoon vast te houden.

Nee, toen [mededader 2] in Nederland aankwam had ik het huisje al geregeld. Als dit ergens in de stukken anders staat vermeld is dat niet juist.

De verdachte vraagt me het plan met betrekking tot het noemen van zijn naam nogmaals uit te leggen.

Ik antwoord dat wij ervan uitgingen dat [Z] zijn hulp zou inschakelen. Toen dat niet gebeurde, moesten wij wat anders bedenken. Ik kon niet met [verdachte] in contact komen. [mededader 2] en ik hebben toen bedacht dat wij [slachtoffer 1] een bandje zouden laten inspreken, waarop zij de naam [verdachte] zou noemen. Wij hebben ervoor gezorgd dat wij die naam niet zelf noemden, omdat wij hem dan verdacht zouden maken. Wij gingen ervan uit dat als [slachtoffer 1] de naam van [verdachte] zou noemen op een bandje aan haar vader, hij misschien toch diens hulp zou inroepen.

De getuige [mededader 1] heeft opgemerkt dat in het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 september 2008 enkele onjuistheden staan. De voorzitter stelt hem thans in de gelegenheid een en ander nader toe te lichten.

De getuige merkt het volgende op.

Op pagina 4 in de vierde alinea staat: "Ik heb die € 5.000,- niet daadwerkelijk aan [verdachte] gegeven." Dit is niet juist. Dit moet zijn: "Van die € 5.000,- heb ik € 2.000,- aan [verdachte] gegeven. De rest had ik in mijn bezit."

Op pagina 5 in de tweede zin staat: "Ten derde moest ik een derde man zoeken en meenemen naar Nederland." Het woord "derde man" impliceert een hiërarchie tussen de uitvoerders van de ontvoering. Daarvan was echter geen sprake. De rollen die [mededader 2] en ik zouden gaan vervullen, waren vergelijkbaar. Alleen [mededader 3] had een kleinere rol.

7. Een proces-verbaal met nummer 2005222209 van 20 september 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en brigadier van de politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina’s 165-168).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 september 2005 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 2]

[verdachte] is bij mij thuis gekomen dat was om ongeveer zeven uur. Wij zijn ongeveer een kwartier tot twintig minuten bij mij thuis geweest.

Waar hebben jullie over gesproken?

Over [slachtoffer 1] en de ontvoering. Verder hebben we het gehad over de afloop van de ontvoering. Hierop reageerde [verdachte] dat het Zuid-Amerikanen waren en dat die nu wel weer in hun eigen land zouden zijn. Verder zei [verdachte] dat hij niets van de afloop van de ontvoering begreep, aangezien er zoveel voorbereidingen gedaan zijn en dat ze dan met lege handen naar huis gaan. Ik vond dat raar omdat hij nooit met 100% zekerheid kon zeggen dat er niet was betaald.

Hoe is [verdachte] verder te bereiken?

Verder weet ik niet hoe ik hem kan bereiken. Ik heb in een vorig verhoor gezegd dat [verdachte] de telefoon op 10 september 2005 gekocht had, maar dit is op 9 september 2005 geweest. Vandaag zei [verdachte] dat ik de enige was die dit nummer van hem heeft. Dit vond ik vreemd.

8. De verklaring van de getuige [mededader 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 6 november 2008.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het is juist dat ik mijn aandeel in de vrijheidsberoving heb erkend. [mededader 3], [mededader 1] en ik hebben de ontvoering met z'n drieën uitgevoerd.

Het is juist dat ik op 2 mei 2006 bij de rechter-commissaris ben gehoord. U houdt mij voor dat ik toen heb verklaard dat ik op de tweede avond in het vakantiehuisje te Braamt met [slachtoffer 1] heb gesproken. Zij begon toen te praten over 300 kilogram cocaïne. Ook noemde zij in dat gesprek de naam van [verdachte]. Nu u mij dit zo voorhoudt kan ik het me weer herinneren. Ik vond dat toen al een gek verhaal worden en dat vind ik eigenlijk nog steeds. Op dat moment werd dus de naam van [verdachte] genoemd.

[mededader 3] is door mij in deze kwestie betrokken.

Het is juist dat ik in het huisje te Braamt met [slachtoffer 1] heb gesproken. Ik kan me niet meer herinneren of ik met haar de details van haar vrijlating heb besproken. Ik weer ook niet meer of ik na haar verhaal over die 300 kilo cocaïne verder met haar heb gepraat of dat ik uit haar kamer ben weggegaan. Wat ik wel weet, is dat ik het niet meer zag zitten. Ik wilde niets meer met de ontvoering te maken hebben. Ik moest er dus voor zorgen dat [mededader 1] en [slachtoffer 1] met elkaar in gesprek zouden raken en een oplossing voor het probleem zouden vinden. Ik kan me een zogenaamd 'vrijlatingsgesprek' niet meer herinneren. Ik ga er dus vanuit dat [mededader 1] dat toen heeft gevoerd.

In mijn optiek was [mededader 1] de leider van ons drieën.

[mededader 1] heeft aangegeven dat ik me geen zorgen hoefde te maken omdat die klus alleen inhield dat ik moest autorijden en dat ik gedurende vier tot tien dagen iemand moest bewaken. Ik wil wel benadrukken dat het woord 'bewaken' in deze verklaring verkeerd wordt uitgelegd. Ik heb dit bij de rechter-commissaris en bij de rechtbank al uitgelegd. Door een miscommunicatie is het woord 'bewaken' in mijn verklaring terecht gekomen in plaats van het woord 'oppassen'.

[mededader 3] heeft verklaard (dossierpagina 416 e.v.) dat hij op Curaçao is bezocht door [mededader 1] en door mij, dat [mededader 1] tegen hem heeft gezegd dat hij voor de duur van drie weken naar Nederland moest komen en dat hij in Nederland op een mevrouw moest passen.

Ik antwoord dat het klopt dat [mededader 1] en ik [mededader 3] in Curaçao hebben bezocht. [mededader 1] heeft bij die gelegenheid met [mededader 3] gesproken. Ik was tijdens dat gesprek volgens mij in de tuin.

In diezelfde verklaring heeft [mededader 3] aangegeven dat [mededader 1] tegen hem heeft gezegd dat hij er goed voor zou worden betaald. Ik antwoord daarop dat ik nooit met [mededader 1] over de financiële afwikkeling heb gesproken.

U vraagt mij naar de situatie in het huisje te Braamt. Ik antwoord dat ik me niet kan herinneren dat we met meer dan één persoon tegelijk in de kamer bij [slachtoffer 1] zijn geweest.

Tijdens een gesprek dat ik met haar had, noemde zij op een gegeven moment de naam [verdachte]. Ik weet dat ik dat gek vond, maar ik kan me mijn reactie van toen niet meer herinneren. Ik was in een soort trance. [mededader 1] heeft het gesprek toen overgenomen.

9. Een proces-verbaal van aanhouding van 28 september 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren nummers 0707 en 0717 werkzaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, standplaats Curaçao (ongenummerd).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één of meer van hen:

Op woensdag 28 september 2005 omstreeks 21.10 uur hebben wij, arrestatieleden 0707 en 0717, op last van de officier van justitie mr. G. Rip

als verdacht van: vrijheidsberoving en afpersing

op/in: het perceel [adres]

aangehouden: een man

naam: [verdachte]

voornamen: [verdachte]

geboorteplaats: [plaats]

datum: [1959].

10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2007.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Toen ik net in Nederland was, in 2005, heeft [mededader 1] mij wel eens een lift gegeven en dan praat je wel eens over dingen. Ik ben eerder dat jaar, in februari 2005, ook in Nederland geweest. Begin juni 2005 ben ik vervolgens weer naar Nederland gekomen. Ik heb [mededader 1] tussen februari 2005 en juni 2005 wel gesproken op Curaçao.

Ik ben naar café ‘2 Klaveren’ gegaan aan De Clerqstraat. Daar kwam ik [getuige 2] tegen. Ik bridgede samen met [getuige 3] en met [getuige 2].

[mededader 1] was al in Nederland toen ik hier kwam. Toen wij allebei op Curaçao waren, hebben we erover gesproken dat wij beiden in Nederland zouden zijn. Hij ([mededader 1]) is mij komen afhalen van het vliegveld. Hij heeft mij een keer opgehaald en een lift gegeven van Rotterdam naar Amsterdam. Ik denk dat ik [mededader 1], in het begin dat ik in Nederland was, zo’n 4 à 5 keer heb gezien.

Ik bridgede samen met [getuige 2]. Normaliter spelen wij met z’n vieren. Ik speelde dan in ieder geval met [getuige 1] en [getuige 2]. Ik speelde elke maandagavond.

U vraagt mij naar het gebruik van een mobiele telefoon. Ik gebruikte nooit een mobiele telefoon omdat het ongezond is. Die maandag voelde ik mij een beetje vreemd. [getuige 3] was van de kaart en ik had geen verblijfplaats. Ik ben toen vertrokken. U zegt dat [getuige 2] heeft verklaard dat ik tot eind oktober zou blijven. Ik had toch op het laatste moment besloten eerder terug te gaan.

Ik verbleef eerst in het huis van [getuige 3] aan de [adres]. Van 5 tot 13 september verbleef ik op de [adres]. Ik had 2 nachten geboekt in hotel Ibis (het hof begrijpt: telkens te Amsterdam). Ik ben daar uiteindelijk één nacht gebleven. Ik ben toen in Rotterdam naar een hotel gegaan.

Een week voor de ontvoering heb ik [mededader 1] nog gesproken. Dat was volgens mij op maandag 5 september 2005.

Dinsdag 20 september 2005 was ik weg.

Ik heb [X] gebeld, om hem te vertellen dat ik vast zat.

Het klopt dat ik op 15 september 2005 in Rotterdam was.

11. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 29 september 2008.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

U houdt mij voor dat mijn vertrek uit Nederland op 20 september 2005 minstgenomen overhaast lijkt. Ik antwoord dat het juist is dat ik eigenlijk pas op 1 december 2005 uit Nederland zou vertrekken.

Het is juist dat ik het vliegticket op 20 september 2005 contant heb betaald.

U houdt mij voor dossierpagina 755 betreffende mijn vertrek uit het Ibis Accor hotel. Het klopt dat ik een dag eerder dan gepland ben vertrokken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Op grond van de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof de volgende gang van zaken vast.

Op 12 september 2005 rond 21.00 uur is mevrouw [slachtoffer 1] door drie mannen ontvoerd uit haar woning te Amsterdam. Daarbij is gebruik gemaakt van een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp. Haar kinderen zijn gedwongen enige tijd in een kast te verblijven en een buurman die in de woning aanwezig was is daar door die mannen geboeid achtergelaten. Nadat mevrouw [slachtoffer 1] is gedwongen in een kist plaats te nemen is zij haar woning uitgedragen. Vervolgens is zij, nog immer in die kist verblijvend, in een auto naar een vakantiepark te Braamt gevoerd en is zij aldaar in een huisje vastgehouden. In de nacht van 14 op 15 september 2005 is zij nabij een (trein)station in Arnhem vrijgelaten.

Bij de uitvoering van deze gijzeling zijn [mededader 1] (hierna ook te noemen: [mededader 1]), [mededader 2] en [mededader 3] metterdaad betrokken geweest.

Tijdens haar verblijf in het huisje heeft mevrouw [slachtoffer 1] gesprekken gevoerd met vooral [mededader 1], waarbij zij is gebracht onder meer tot het inspreken van twee geluidsbandjes. Op het ene bandje heeft zij een boodschap ingesproken, gericht aan haar vader, op een ander bandje een boodschap gericht aan [verdachte].

De eerste boodschap behelsde het dringende verzoek om aan de eisen van de ontvoerders gevolg te geven en daarbij te denken aan de bridgevrienden van [getuige 2]. In de tweede boodschap heeft mevrouw [slachtoffer 1] [verdachte] om hulp gesmeekt met het oog op haar vrijlating.

Op 20 september 2005 is de verdachte per vliegtuig vanuit Nederland naar Curaçao vertrokken, alwaar hij op 28 september 2005 als verdachte in deze zaak is aangehouden. Van hem staat vast dat hij lange tijd behoord heeft tot de vaste (bridge)contacten van mevrouw [slachtoffer 1] en na een afwezigheid van vele jaren sedert omstreeks 23 juli 2005 in Amsterdam weer met de in de bewijsmiddelen genoemde [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] regelmatig het kaartspel bridge heeft gespeeld.

De verdachte heeft ontkend dat hij strafbaar betrokken is geweest bij of zelfs maar voorwetenschap heeft gehad van de gijzeling van mevrouw [slachtoffer 1]. De door zijn neef [mededader 1] afgelegde verklaringen berusten op een leugen; naar de reden van dit liegen kan slechts worden gegist, aldus de verdachte.

In het verlengde van deze ontkenning is door de raadsvrouw uitvoerig betoogd dat op grond van de inhoud van het strafdossier door het hof niet tot een bewezenverklaring zou moeten worden geconcludeerd, omdat het bewijs jegens [verdachte] slechts berust op de verklaring van één getuige, namelijk [mededader 1] en er dus niet voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum. Technisch bewijs op grond waarvan de verdachte aan de gijzeling kan worden gekoppeld ontbreekt, terwijl het voorhanden tactische materiaal voor een bewezenverklaring ontoereikend is.

Wat dit laatstgenoemde onderdeel betreft komt het betoog van de raadsvrouw erop neer, dat er sterk getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de door [mededader 1] afgelegde verklaringen. Zij heeft gesteld dat die verklaringen inconsistent en ongeloofwaardig zijn, en dat [mededader 1] de op het slachtoffer en haar directe omgeving betrekkelijke informatie ook uit open bronnen en/of de verdachte (als misbruikte bron) kan hebben verkregen. [mededader 1] heeft zijn eigen verklaringen gestuurd en aangepast aan verkregen dossierinformatie hetgeen heeft geleid tot een scenario dat blijkens het vonnis uiteindelijk door de rechtbank is overgenomen. Voorts heeft de raadsvrouw gewezen op gewetenloosheid en op eigen belang aan de zijde van [mededader 1].

Wanneer het door de rechtbank als steunbewijs gebezigde materiaal kritisch wordt getoetst blijkt, dat voor dat gebruik in rechte geen grond bestaat. Het gedurende de gedingfase in hoger beroep gegenereerde materiaal (in het bijzonder de door de getuigen [mededader 2] en [getuige 4] ter terechtzitting afgelegde verklaringen) is als steunbewijs evenmin toereikend. Tot slot wordt door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep ten onrechte betekenis toegekend aan “verdachte omstandigheden” waarover de verdachte niet of onvoldoende helderheid zou hebben verschaft, aldus zakelijk weergegeven de raadsvrouw.

Het hof overweegt naar aanleiding van het voorgaande als volgt.

Het betoog van de verdediging impliceert, dat het verblijf van de verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte]) in Nederland (Amsterdam) en zijn met de naasten van mevrouw [slachtoffer 1] onderhouden (bridge)contacten, voorafgaand aan de gijzeling tot en met zijn vertrek uit Nederland op 20 september 2005 in het geheel niet met die gijzeling van doen hebben gehad. De verdachte heeft er eenvoudigweg geen weet van gehad, totdat het bestaan van de gijzeling hem bleek uit berichtgeving in de media. Aldus bezien, is de verdachte het slachtoffer geworden van aantijgingen van zijn neef [mededader 1], die met anderen een plan heeft beraamd en heeft uitgevoerd, te weten de gijzeling van mevrouw [slachtoffer 1], zijnde een zeer goede bekende van de verdachte.

Wanneer het hof deze door de verdachte betrokken stelling tot uitgangspunt neemt volgt daaruit, dat de gelijktijdigheid van de gijzeling, die is uitgevoerd door neef [mededader 1] c.s., en het verblijf van de verdachte te Amsterdam (met inbegrip van de door hem met de naasten van mevrouw [slachtoffer 1] onderhouden contacten), wat de verdachte betreft berust op louter toeval. Dit toeval is door neef [mededader 1] aangegrepen om de verdachte aan te wijzen als zijnde betrokken bij een door een of meer anderen (onder wie [mededader 1]) beraamd en buiten medeweten van de verdachte uitgevoerd misdrijf.

Het hof gaat aan het bestaan van deze mogelijkheid voorbij en overweegt daartoe het volgende.

Uit de inhoud van de door mevrouw [slachtoffer 1], door [mededader 1], als ook uit de door [mededader 2] afgelegde verklaringen volgt, dat al in de loop van de tweede dag van de gijzeling de naam van [verdachte] is gevallen. Met name door [mededader 1] is verklaard, onder meer, dat door hem en [mededader 2] de naam van [verdachte] niet ten overstaan van mevrouw [slachtoffer 1] is genoemd, opdat hij, [verdachte], daardoor niet van betrokkenheid bij de gijzeling kon worden verdacht.

[slachtoffer 1]1 heeft stellig en herhaald als haar sterke indruk verwoord dat zij in de door haar met haar gijzelnemers gevoerde gesprekken ertoe moest worden gebracht [verdachte] als bemiddelaar voor de leverantie van cocaïne te noemen, waarbij de ontvoerders er kennelijk aan hechtten dat die naam niet door hen naar voren werd gebracht maar door haar als eerste werd genoemd. Zij heeft verklaard dit als een opmerkelijk spel te hebben beschouwd. Haar is opgevallen dat toen zij de naam eindelijk noemde na er bewust de tijd voor genomen te hebben, door de ontvoerders eigenlijk niet naar de achternaam werd gevraagd: ze wisten kennelijk wie hij was en waar ze hem konden vinden, zonder dat het een en ander door haar behoefde te worden toegelicht. Vervolgens moest mevrouw [slachtoffer 1] op een geluidsbandje een aan haar vader gerichte boodschap inspreken, waarin hem werd verzocht om aan de eisen van de ontvoerders te voldoen, dat hij een oplossing moest vinden om te doen wat de ontvoerders wilden, en dat hij daarbij aan de bridgevrienden van [getuige 2] moest denken.

Later heeft mevrouw [slachtoffer 1] zich op een tweede bandje rechtstreeks tot de met name genoemde [verdachte] moeten richten met het oog op door hem te verlenen hulp in relatie tot de geëiste cocaïne en haar ontvoerders.

Uitgaande van de door de verdachte betrokken stelling - geen voorafgaande of anderszins betrokkenheid bij de gijzeling, zelfs geen voorwetenschap daaromtrent - zou dat betekenen dat de ontvoerders aan de gijzeling zijn begonnen zonder zekerheid dat er een kanaal beschikbaar was waarlangs de familie van mevrouw [slachtoffer 1], die geen enkele relatie met de drugswereld heeft, aan de bizarre eis om 300 kilogram cocaïne te leveren zou kunnen voldoen. In het kader van een maandenlang voorbereide actie zou dan in de persoon van [verdachte], die tot zijn grote verrassing met een bemiddelende rol zou worden geconfronteerd en die juist alle relaties met de drugswereld ontkent2, bij wege van improvisatie een dergelijk kanaal gevonden moeten worden.

Het hof waardeert het bestaan van deze mogelijkheid als zijnde volkomen onaannemelijk.

Een tweede mogelijkheid zou zijn dat [mededader 1] reeds op dat moment, bijvoorbeeld met het oog op het beïnvloeden van de richting van het opsporingsonderzoek, de verdachte heeft willen belasteren. Ook aan deze mogelijkheid gaat het hof voorbij, omdat het bestaan van motieven voor een dergelijk kwaadaardig opzet in de loop van het onderzoek niet aannemelijk is geworden en er voor het aannemen van deze mogelijkheid ook overigens geen redelijke aanknopingspunten zijn gebleken.

Het hof acht derhalve bij gebreke van het bestaan van redelijke aanknopingspunten daarvoor de kans dat een van een van deze mogelijkheden zich heeft voorgedaan hoogst onaannemelijk en gaat daaraan mitsdien voorbij.

Het hof vindt in het verblijf van de verdachte in Nederland, zijn ontmoetingen met [mededader 1] hier te lande3, en in het bijzonder in de door hem met de naasten van mevrouw [slachtoffer 1] onderhouden contacten, welk verblijf en welke contacten zich simultaan met de (voorbereiding van de) gijzeling hebben afgespeeld, verankering voor de juistheid van wat [mededader 1] in de kern heeft verklaard, niet alleen over zijn eigen betrokkenheid maar daarnaast ook over de betrokkenheid van de verdachte bij de (voorbereiding van de) gijzeling en een beoogde rol bij de verwerving van losgeld.

In dit verband overweegt het hof voorts, dat volgens de door de evengenoemde [getuige 1]4, [getuige 3]5 en [getuige 2]6 afgelegde verklaringen de onaangekondigde komst in Nederland van de verdachte nadat hij gedurende een periode van vele jaren zich niet had gemeld, hen heeft verrast.

Daarbij komt, dat in weerwil van door de verdachte gedane uitlatingen7 over de datum van zijn vertrek, hij onaangekondigd8 en in zoverre voortijdig uit Nederland is vertrokken9.

Het is bovendien de verdachte geweest, die op grond van het verleden als zeer goede bekende van mevrouw [slachtoffer 1] c.s. heeft te gelden, terwijl vast is komen te staan dat een of meer van de genoemde personen [mededader 1] niet kennen10. Zo blijkt bijvoorbeeld ook uit door [getuige 1] afgelegde verklaringen dat [verdachte] op basis van zijn bekendheid met mevrouw [slachtoffer 1] en [getuige 1] wetenschap heeft van hun financiële positie en van de afwezigheid van [getuige 1] thuis op de maandagavond in verband met diens kaartavond11.

Het hof overweegt in dit verband nog voorts, dat niet aannemelijk is geworden dat [mededader 1] c.s. de voor de gijzeling nodige informatie heeft verkregen door raadpleging van open bronnen en/of door misbruik te maken van door de verdachte terloops en te goeder trouw aan [mededader 1] verstrekte en op mevrouw [slachtoffer 1] c.s. betrekkelijke informatie, zoals door de verdediging is gesuggereerd.

Dat de verdachte met zijn verblijf in Nederland en de evenbedoelde contacten mogelijk het vizier mede gericht heeft gehad op het beoefenen van het kaartspel bridge doet daaraan op zichzelf niet af, al moet worden aangenomen dat de sleutel waarin de verdachte zijn verblijf ten overstaan van de justitiële autoriteiten hier te lande heeft geplaatst, in wezen geen ander doel heeft gehad dan het bemantelen van zijn eigenlijke motief, dat heeft bestaan in het bijdragen en deelnemen aan (de voorbereiding van) de gijzeling, in het zicht hebben en houden op de gangen van (de naasten van) mevrouw [slachtoffer 1], in het bijzonder op de avond van de ontvoering, en daarnaast in het bijdragen aan de verwezenlijking van het beoogde doel, te weten: het incasseren van losgeld.

Een tweede verankering vindt het hof in het opmerkelijke gedrag van de verdachte rondom zijn mobiele telefoon. Uit de verklaring van de verdachte komt naar voren dat hij de laatste tijd geen gebruik meer maakt van mobiele telefoons in verband met door hem aan het gebruik van mobiele telefoons toegeschreven gezondheidsrisico’s12. In vele zich in het dossier bevindende verklaringen komt naar voren dat de verdachte telefonisch niet kan worden bereikt. Zo is door de getuige [getuige 4], een goede vriendin van de verdachte, verklaard dat zij niet beschikt over een mobiel telefoonnummer waarop zij de verdachte (wanneer hij niet op Curaçao verblijft) kan bereiken13.

Door de getuige [getuige 2] is echter verklaard dat hij op 9 september 2005 heeft gezien dat de verdachte opeens en opvallend kenbaar voor [getuige 2] een telefoon koopt en aan hem, [getuige 2], het nummer ervan opgeeft14. Het aldus bereikbaar zijn voor de relevante omgeving van mevrouw [slachtoffer 1] past goed in hetgeen door de getuige [mededader 1] is verklaard over de door de verdachte gespeelde dubbelrol.

De door [mededader 1] -in het bijzonder zijn ter terechtzitting in hoger beroep als getuige- afgelegde verklaringen, bezien in het verband met hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot verdachtes verblijf in en vertrek uit Nederland (Amsterdam), vormen de kern van het materiaal op grond waarvan tot de strafbare betrokkenheid kan worden geconcludeerd.

De inhoud van deze verklaringen -waarin [mededader 1] bovendien zichzelf onomwonden als pleger van een gijzeling en een vrijheidsberoving aanwijst- dienen door het hof op hun betrouwbaarheid te worden getoetst. In het bestek van deze betrouwbaarheidstoetsing is naast hetgeen hiervoor is overwogen voorts van belang of, en zo ja, in welke mate, de door [mededader 1] afgelegde verklaringen verankering vinden in nog ander materiaal dat voor de bewijslevering in aanmerking komt.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Na zijn detentie in Brazilië is door [mededader 1] over de betrokkenheid van de verdachte bij de gijzeling consistent verklaard. Samengevat heeft [mededader 1] gesteld, dat hij door [verdachte] met het oog op de gijzeling van mevrouw [slachtoffer 1] is benaderd, dat aanvankelijk ook een man, bijgenaamd [Y] zou meedoen, dat [Y] uiteindelijk niet meedeed en dat [mededader 1] de verdachte [mededader 2] heeft benaderd en zij vervolgens de verdachte [mededader 3] hebben benaderd.

Volgens plan zou bij wijze van losgeld aan de achterban van mevrouw [slachtoffer 1] om de levering van een zeer grote hoeveelheid cocaïne worden gevraagd, hetgeen -doordat de verdachte zich in de omgeving van de naasten van het slachtoffer zou bevinden- tot een door de verdachte te spelen dubbelrol zou moeten leiden. Weliswaar heeft [mededader 1] op ondergeschikte punten wisselend verklaard, het hof ziet daarin op zichzelf, ook gelet op het navolgende, geen reden om aan de consistentie van zijn verklaringen te twijfelen.

Het hof heeft bij de vorming van dit oordeel de positieve overtuiging betrokken die het hof omtrent zijn betrouwbaarheid heeft bekomen bij gelegenheid van de verhoren ter terechtzittingen in hoger beroep van [mededader 1] als getuige.

Het hof heeft voorts onder ogen gezien dat de door de getuigen [mededader 1] en [mededader 2] ter terechtzittingen in hoger beroep afgelegde verklaringen elkaar tegenspreken voor zover het gaat om het bestaan van (voor)wetenschap van [mededader 2] over de betrokkenheid van ook de verdachte bij de gijzeling en de voorbereiding daarvan.

Met het enkele bestaan van die discrepantie is de onbetrouwbaarheid van de door getuige [mededader 1] afgelegde en voor de verdachte belastende verklaringen echter nog niet gegeven en in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen brengt die discrepantie het hof niet tot het oordeel dat hetgeen door [mededader 1] in de kern is verklaard omtrent verdachtes strafbare betrokkenheid wegens onbetrouwbaarheid van die verklaringen niet voor de bewijslevering in aanmerking dient te komen.

Ten aanzien van de getuige [getuige 4] overweegt het hof het volgende.

Door haar is ter terechtzitting van het hof op 12 september 2008 stellig verklaard onder meer, dat zij op Curaçao uit de mond van een bekende van de verdachte, namelijk [X] heeft gehoord, dat de verdachte na diens aanhouding telefonisch contact met [X] heeft gezocht en bij die gelegenheid zou hebben gezegd, onder meer, dat hij, de verdachte, de opdracht tot de vrijlating van mevrouw [slachtoffer 1] heeft gegeven. In zoverre heeft de getuige [getuige 4] volhard bij hetgeen door haar eerder, te weten op 6 oktober 2005 is verklaard.

Het is, nu [mededader 1] het bestaan van die opdracht heeft ontkend - hij heeft slechts gewezen op het bellen door [verdachte] als onderdeel van het plan - de vraag of daardoor afbreuk wordt gedaan aan de betrouwbaarheid van zijn voor de verdachte belastende verklaringen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend.

Door de verdachte is erkend dat hij na zijn aanhouding met [X] telefonisch contact heeft gezocht. Wat betreft de waardering van hetgeen door [getuige 4] is verklaard over de inhoud van het door de verdachte met [X] gevoerde gesprek is behoedzaamheid geboden.

Daartoe overweegt het hof dat de verklaring van [getuige 4] inhoudt hetgeen zij stelt te hebben gehoord van [X], te weten dat [verdachte] heeft gezegd dat het zijn opdracht aan [mededader 1] is geweest die heeft geleid tot de vrijlating van mevrouw [slachtoffer 1]. Het hof stelt voorop, dat het hof de door [getuige 4] ter terechtzitting van 12 september 2008 als getuige afgelegde verklaring betrouwbaar oordeelt. Van belang is voorts de vaststelling dat het hier besproken onderdeel van die verklaring een van-horen-zeggen-verklaring betreft. Daarmee is gegeven dat misverstanden kunnen bestaan over hetgeen door respectievelijk de verdachte en [X] en [getuige 4] is gezegd en is begrepen.

Overigens verdient op deze plaats aandacht hetgeen met betrekking tot dit punt door [mededader 1] als getuige is verklaard, te weten dat in het plan besloten lag dat [verdachte][mededader 1] zou bellen zodra de gegijzelde mocht worden losgelaten15.

Het hof overweegt nog voorts dat hetgeen door [mededader 1] is verklaard omtrent het motief van de verdachte -de druk om met Colombiaanse schuldeisers in het reine te komen- verankering vindt in hetgeen is verklaard door [getuige 1]16 en [getuige 2]17, die beiden hebben gesteld uit de mond van de verdachte te hebben vernomen -samengevat- dat hij een (financieel) probleem met Colombianen moest oplossen. Ook evengenoemde [getuige 4]18 heeft verklaard over haar wetenschap van betrokkenheid van de verdachte bij drugshandel, in welk kader de verdachte aan Colombianen een schuld moet aflossen die is ontstaan naar aanleiding van een mislukt cocaïnetransport.

Voor het bestaan van dit mislukte cocaïnetransport vindt het hof daarnaast bevestiging in de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen19 dat is opgemaakt naar aanleiding van de in een ander onderzoek door zekere [B.B.] afgelegde verklaring.

Al het voorgaande voert tot de slotsom dat aan het hof niet is gebleken dat de door [mededader 1] als getuige afgelegde verklaringen wegens onbetrouwbaarheid van de bewijslevering uitgesloten dienen te worden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van gijzeling

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken voor het onder 2 en 3 tenlastegelegde en hem voor het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van de tijd die verdachte voor tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als intellectuele dader schuldig gemaakt aan het medeplegen van gijzeling. Hij heeft daarmee een initiërende en wezenlijke bijdrage geleverd aan de volvoering van een misdrijf, dat niet alleen naar zijn aard maar ook in feite tot een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer heeft geleid. Naast deze schending is ook aan de naasten van het slachtoffer grote vrees aangejaagd. Bovendien is door de bewezen geachte gijzeling de rechtsorde ernstig geschokt.

De verdachte en zijn mededaders zijn bereid en in staat gebleken een ander te degraderen tot een instrument, dat door hen op gewelddadige wijze is ingezet met het oog op het nastreven van hun zucht naar geld. Dat het doel in dit geval niet kon worden bereikt is vooral te danken aan de reactie van de familie en vrienden van het slachtoffer - en mogelijk ook aan de opstelling van het slachtoffer zelf - die zich niet hebben laten meeslepen in de noodlottige logica van een dergelijk misdrijf, maar de hulp en bijstand van de politie hebben gezocht. Daarmee werd de weg voor de gijzelnemers om in beslotenheid contact te leggen onmogelijk. Juist de met de evenbedoelde reductie van het slachtoffer tot instrument samenhangende machteloosheid heeft op de emoties en geestelijke stabiliteit van het slachtoffer de meest vergaande invloed.

In het ter berechting voorliggende geval gaat het niet om een slachtoffer dat door enige betrokkenheid in het één of andere criminele milieu bekend is met de overige in dat milieu bewegende personen en, zo bezien, met die betrokkenheid moet worden geacht enig risico op slachtofferschap te hebben ingecalculeerd, maar om iemand die tot middel is gemaakt om een volkomen buiten haar liggend doel te verwezenlijken en uitsluitend is uitgekozen, omdat zij en haar naasten door de verdachte en de zijnen als zijnde vermogend is ingeschat.

De ernst van het feit wordt mede gekleurd door het gegeven dat het slachtoffer - een vrouw - door drie mannen in haar eigen woning in het bijzijn van haar kinderen is overmeesterd en ontvoerd. Daarmee is de kring van direct getroffenen met de meest kwetsbaren uitgebreid.

De rol die door de verdachte is vervuld is meerledig en wezenlijk geweest. Immers, het is de verdachte geweest aan wiens brein het plan is ontsproten en heeft kunnen ontspruiten, in het bijzonder gelet op de exclusief bij de verdachte bestaande kennis met betrekking tot de persoon van het latere slachtoffer. Zonder dit plan en de door de verdachte aan zijn mededaders beschikbaar gestelde informatie, moet worden aangenomen dat de gijzeling van mevrouw [slachtoffer 1] zich niet zou hebben voorgedaan.

In het bestek van hetgeen hiervoor over de keuze van het slachtoffer is overwogen, rekent het hof de verdachte zwaar aan dat het slachtoffer een goede bekende van hem is. Die relatie heeft de verdachte bovendien uitgebuit door voorafgaand aan en tijdens de gijzeling contacten met de naasten van het slachtoffer te onderhouden met het heimelijke doel zicht te krijgen en te houden op de gangen van het slachtoffer en haar naasten, en voorts om uiteindelijk de (dubbel)rol van verbindende schakel tussen slachtoffer/naasten enerzijds en de gijzelnemers anderzijds feitelijk te kunnen vervullen. In het bijzonder dit handelen getuigt van een in het oog springende doortraptheid aan de zijde van de verdachte. Aangenomen moet worden dat in dit aspect een oorzaak zal zijn gelegen dat het vertrouwen dat door het slachtoffer in haar medemens pleegt te worden gesteld ernstig zal zijn beschadigd.

Het hof betrekt voorts in zijn overwegingen dat het slachtoffer temidden van haar mannelijke gijzelnemers onder vernederende omstandigheden ruim achtenveertig uur in grote angst en onzekerheid heeft moeten doorbrengen. Het hof heeft evenwel onder ogen gezien dat de gijzeling niet gepaard is gegaan met nog meer geweld dan reeds in het bewezen geachte misdrijf besloten ligt.

Volgens verklaring van de verdachte20 is hij meermalen met politie en justitie ter zake van overtreding van de Opiumwet in aanraking geweest, zowel op Curaçao als in Nederland. Het hof stelt vervolgens vast dat blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 september 2008 hij in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Blijkens de justitiële gegevens van de verdachte zoals die op Curaçao op zijn naam zijn geregistreerd, is hij daar evenmin eerder veroordeeld.

In het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen is de duur van de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde langjarige gevangenisstraf begrijpelijk. Niettemin ziet het hof aanleiding om van de door de advocaat-generaal opgelegde en gevorderde straf af te wijken, mede gelet op hetgeen hier te lande voor soortgelijke feiten door de strafrechter aan straf wordt opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 282a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. H.W.J. de Groot en mr. R.P. IJland-van Veen, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 december 2008.

Mr. IJland-van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een (ongenummerd) proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1], opgemaakt op 22 november 2005, door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en inspecteur van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 283-288) en een proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] opgemaakt op 11 september 2008 door de raadsheer-commissaris van het gerechtshof Amsterdam.

2 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 16 april 2007.

3 Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte (nr. 2005222209), opgemaakt op 28 februari 2006 door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 1053-1067) en de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 16 april 2007.

4 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], opgemaakt op 12 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

5 Een (ongenummerd) proces-verbaal van verhoor van [getuige 3], opgemaakt op 22 september 2005 door [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 184-190) en een proces-verbaal van verhoor van [getuige 3], opgemaakt op 13 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

6 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] (nr. 2005222209), opgemaakt op 14 september 2005 door [verbalisant 9] en [verbalisant 10], beiden specialist recherche van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 156-159) en een proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], opgemaakt op 13 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

7 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 29 september 2008.

8 Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte (inbewaringstelling), opgemaakt op 1 oktober 2005 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

9 De processen-verbaal van verhoor van [getuige 3] en [getuige 2], opgemaakt op 13 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

10 De verklaring van [mededader 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2008, de processen-verbaal van verhoor van [getuige 3] en [getuige 2], opgemaakt op 13 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam en een (ongenummerd) proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1], opgemaakt op 22 november 2005 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en inspecteur van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 283-288).

11 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] (nr. 2005222209), opgemaakt op 13 september 2005 door [verbalisant 11] en [verbalisant 6], beiden hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 143-147) en een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], opgemaakt op 12 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

12 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 16 april 2007 en de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2008.

13 De verklaring van [getuige 4], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 12 september 2008.

14 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], opgemaakt op 13 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

15 De verklaring van de getuige [mededader 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2008.

16 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], opgemaakt op 12 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

17 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], opgemaakt op 13 april 2006 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam.

18 De verklaring van [getuige 4], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2008.

19 Een ongenummerd proces-verbaal, opgemaakt op 4 juli 2006 door [verbalisant 12], agent voor het grondgebied van de Nederlandse Antillen (doorgenummerde pagina’s 1085-1086).

20 Een ongenummerd proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 31 oktober 2005 door [verbalisant 5] en [verbalisant 13], beiden brigadier van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina’s 504-511).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature