< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Gedeeltelijke toewijzing van shock-schade. Vader (benadeelde partij) werd bij thuiskomst rechtstreeks geconfronteerd met de gevolgen van doodslag op zijn dochter.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



arrestnummer:

parketnummer: 23-004732-05

datum uitspraak: 24 maart 2006

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 18 augustus 2005 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-124399-04 en

13-441550-05, van het openbaar ministerie tegen

[verdachted]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 augustus 2005 en op de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2006.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen 13/124399-04 en 13/441550-05. Van die dagvaardingen zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

De daarin vermelde tenlasteleggingen worden hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair (onder parketnummer 13/441550-05) is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 (13/124399-04) en subsidiair (13/441550-05) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (parketnummer 13/124399-04):

hij op 1 december 2004 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes gestoken, te weten in de hals en in de linkerschouder en in de flank en in de rug en in de onderbuik en elders in het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (parketnummer 13/124399-04):

hij op 6 november 2004 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijf gelegen aan de Hestiastraat heeft weggenomen een personenauto, merk Volvo , kenteken [kenteken] en een flatscreen beeldscherm, merk Neon en een digitale camera, merk Sony en een gereedschapskar, merk Forge en een hoeveelheid gereedschap toebehorende aan [eigenaar], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde (parketnummer 13/441550-05):

hij op 1 december 2004 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk

- met kracht met zijn handen de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en

- de broek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en

- bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen en

- zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd.

Hetgeen onder 1 en 2 (13/124399-04) en subsidiair (13/441550-05) meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet is vast komen te staan dat de verdachte bij de levensberoving van [slachtoffer] heeft gehandeld met voorbedachten rade. Van enig moment van kalm beraad en rustig overleg daartoe is het hof niet gebleken.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte (parketnummer 13/124399-04):

doodslag;

Ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte (parketnummer 13/124399-04):

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van het subsidiair bewezengeachte (parketnummer 13/441550-05):

poging tot verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis en met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft eerst getracht zijn ex-vriendin te verkrachten en heeft haar daarna op gruwelijke wijze met een groot aantal messteken om het leven gebracht. Nadat de verdachte eerder een kortstondige relatie met het slachtoffer had gehad, bleef hij -naar eigen zeggen- gevoelens voor haar houden. Deze gevoelens werden niet door het slachtoffer beantwoord. Toen de verdachte op 1 december 2004 bij het slachtoffer thuis op bezoek was en een sms-bericht las waaruit bleek dat zij weer contact had met de man door wie zij eerder zou zijn verkracht, ontstond bij de verdachte het gevoel dat hij door haar werd gebruikt. Hierop ontstond een heftige discussie, welke is geëindigd in de dood van het slachtoffer.

Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij het kostbaarste bezit, het leven, van het slachtoffer ontnomen. De verdachte heeft hierdoor onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, waaronder haar vader, die zijn dochter als eerste aantrof, en haar, destijds 8 maanden oude, dochtertje. Daarnaast is ook de rechtsorde door deze feiten ernstig geschokt.

Tevens heeft de verdachte een inbraak in een bedrijfspand gepleegd, waarbij hij diverse goederen heeft buitgemaakt. Dergelijke feiten brengen naast materiële schade ook overlast voor de gedupeerden met zich mee.

De terbeschikkingstelling

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de volgende over de verdachte uitgebrachte gedragsrapportages:

- Een pro justitia rapport van 28 juni 2005, opgemaakt door W.M.J. Hassing, psychiater en A.E. Haan, psycholoog, dat onder meer als conclusie en advies inhoudt -zakelijk weergegeven- :

Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met gemengd narcistische, antisociale en afhankelijke kenmerken. Ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van bovengenoemde gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

De narcistische en antisociale kenmerken van zijn persoonlijkheidsstoornis brengen met zich mee dat hij zich minder dan de gemiddelde jongeman van zijn leeftijd adequaat kan beheersen bij oplopende frustraties of krenkingen. Dit geldt voor wat betreft het tenlastegelegde sub. 1, zoals in de beschouwing uiteengezet. Bij deze geweldsuitbarsting heeft hij minder dan de gemiddelde jongeman van zijn leeftijd zijn gedrag in vrijheid conform zijn wil kunnen bepalen. Daarom adviseren wij om betrokkene voor het tenlastegelegde sub 1, indien bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Voor het tenlastegelegde sub 2 is niet komen vast te staan dat hij hierbij werd beïnvloed door zijn gebrekkige ontwikkeling. Hierbij heeft hij duidelijk een bewuste afweging gemaakt vanuit opportunistische motieven. Daarom adviseren wij om betrokkene voor het tenlastegelegde sub 2 als toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Recidivegevaar voor wat betreft toekomstig gewelddadig delinquent gedrag is zeker aanwezig. De specifieke factoren die bepalend zijn voor het recidiverisico zijn in de beschouwing nader toegelicht.

Behandeling is naar ons inzicht zeker aangewezen, in het bijzonder voor wat betreft zijn gebrekkige impulsbeheersing en het gevaar voor agressieve impulsdoorbraak. Zoals in de beschouwing uiteengezet kan behandeling op vrijwillige basis niet worden geadviseerd. Aangezien wij verplichte behandeling wel geïndiceerd vinden rest ons geen ander advies dan om betrokkene voor het tenlastegelegde feit 1, indien bewezen, de maatregel van tbs met bevel tot verpleging op te leggen.

- Een rapport van 12 januari 2006, opgemaakt door H.E. Sanders, psychiater, dat onder meer als conclusie en advies inhoudt -zakelijk weergegeven- :

Onderzochte is een man waarbij geen sprake is van psychiatrische stoornissen. Wel is er evident sprake van een zeer verstoorde, volstrekt ontoereikende, verwaarlozende opvoedingssituatie, die geleid heeft tot een persoonlijkheid met antisociale trekken.

Echter, het vermogen van betrokkene om de realiteit naar waarde te schatten en zich rekenschap te geven van zijn handelen, acht ik over de hele linie voldoende, en uitsluitend in de extreme situatie met betrekking tot zijn vriendin, waarin hij zich op het moment suprème extreem bedreigd voelde, en zich toen niet meer kon beheersen, heeft hij de consequenties van zijn handelen uit het oog verloren. Echter, ik meen toch te moeten concluderen dat er onvoldoende argumenten zijn om vanuit psychiatrisch oogpunt zijn handelen niet geheel aan hem toe te kunnen rekenen.

(...)

Uiteraard zou het gewenst zijn als betrokkene op enigerlei wijze beter voorbereid zou worden op de toekomst die hem wacht, want de kans op herhaling van (niet agressieve) vermogensdelicten acht ik zeker niet klein.

Echter, de kans op herhaling van een agressief delict zoals hem nu ten laste wordt gelegd lijkt me verwaarloosbaar klein: immers het gebeuren heeft zich afgespeeld in een extreme situatie, voortkomend uit een unieke relatie met een unieke vrouw die hem langdurig 'het leven zuur maakte', door gebruik te maken van zijn onvermogen, cq. onwil om in te zien dat hij ieder contact met haar allang had moeten afbreken. Daarbij speelt zeker ook een rol dat er in zijn directe omgeving, zoals gebruikelijk, onvoldoende op hem werd gepast, voor hem werd gezorgd, en niemand hem voldoende en met klem heeft willen behoeden tegen continuering van deze relatie.

Een poging om onderzochte nu via psychiatrische zorg, en zelfs via een onvoorwaardelijke TBS, te "leren" zich in de toekomst anders te gaan gedragen om herhaling van een zelfde unieke relatievorming tegen te gaan lijkt mij niet reëel of zinvol: immers een 'stoornis' ligt mijns inziens niet ten grondslag aan deze relatie, maar een 'domme', 'verkeerde' of 'onhandige' keuze, een keuze die slecht zeer ten dele op basis van zijn persoonlijkheid begrepen kan worden. Evenmin is er een basis om betrokkene te 'behandelen' tegen zijn (onbegrepen) agressieve impulsen, want zijn agressieve impulsen heeft hij heel goed begrepen, en nooit eerder in zijn leven heeft hij zijn toevlucht moeten zoeken in agressie, behoudens dan in bovengeschetste extreme relatie.

Concluderend kan ik dan ook niet instemmen met het eerdere advies tot onvoorwaardelijke TBS: betrokkene, die de reikwijdte van zijn handelen kan, en heeft kunnen inzien, dient mijns inziens niet behandeld, maar gestraft te worden, en, hopelijk, na het uitzitten van zijn gevangenisstraf, een strak en disciplinerend reclasseringscontact te krijgen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft psychiater Sanders zijn conclusie en advies toegelicht. Psychiater Hassing en psycholoog Haan zijn ook in de gelegenheid geweest ter terechtzitting hun rapportage en advies toe te lichten. De deskundigen hebben op elkaars bevindingen gereageerd.

Het hof neemt, na afweging van een en ander de conclusie van de deskundigen Hassing en Haan, dat de bewezengeachte doodslag de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend wegens de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, bestaande tijdens het begaan daarvan over en maakt die tot de zijne.

Het rapport van psychiater Hassing en psycholoog Haan houdt voorts in -zakelijk weergegeven-:

Bij onbehandeld blijven van zijn persoonlijkheidsstoornis bestaat de reële kans dat hij in de toekomst, vanuit zijn ziekelijke afhankelijke manier van relatievorming, opnieuw in afhankelijke relaties verzeild zal raken, waarin krenkingen en frustraties aan de orde zijn. Opnieuw zal hij dan zijn onlustgevoelens opkroppen met een reëel gevaar op agressieve ontlading van deze gevoelens, hetgeen uiteindelijk kan resulteren in soortgelijke feiten als hem thans ten laste gelegd. Recidivegevaar zal op korte termijn waarschijnlijk niet verhoogd zijn, maar vooral op langere termijn speelt het gevaar op recidive zoals beschreven.

(...)

De ernst van het tenlastegelegde feit 1, de relatie tussen de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van betrokkene en het tenlastegelegde feit 1 en het daarmee samenhangende recidiverisico maken behandeling noodzakelijk. Betrokkene heeft echter nauwelijks weet van zijn innerlijke motieven die hebben geleid tot het tenlastegelegde, laat staan dat hij lijdensdruk ervaart vanwege zijn gebrekkige ontwikkeling. Daarmee is er onvoldoende basis om op langere termijn motivatie voor behandeling op vrijwillige basis vol te houden. De voorwaarden voor een vrijwillige behandeling zijn dan ook niet aanwezig.

Met de laatst genoemde rapporteurs is het hof van oordeel dat, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en de ernst en omstandigheden waarin de feiten hebben plaatsgevonden, een behandeling van de verdachte noodzakelijk is en dat deze behandeling slechts kan plaatsvinden in een intramurale setting.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat sprake is van een reële kans dat de verdachte, zonder behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek, zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan een (dergelijk) ernstig agressiedelict.

Nu de verdachte weinig tot niet in staat is gebleken zijn persoonlijkheidsproblematiek onder ogen te (willen) zien acht het hof een dwingend strafrechtelijk kader geboden.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 februari 2006 is de verdachte eerder veroordeeld.

Al het voorgaande in aanmerking nemende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden en is het hof voorts van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, hetgeen mogelijk is nu het door hem begane feit een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel met dat bevel eist.

Het hof acht zich door voormelde deskundigen voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak om nadere rapportage bij het Pieter Baan Centrum aan te vragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 (13/124399-04) tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 (13/124399-04) bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof zal de verdachte, die naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is, voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 (13/124399-04) tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van ? 20.541,18,- te vermeerderen met de wettelijke rente over ? 20.000,- vanaf 4 augustus 2005 tot de datum van algehele voldoening, zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De benadeelde partij heeft door middel van haar ter terechtzitting verschenen wettelijke vertegenwoordiger, mr. M.R. Jöbsis, gesteld dat de benadeelde partij "shock"-schade heeft geleden. Immers de benadeelde partij, de vader van het slachtoffer, bij wie het slachtoffer samen met haar 8 maanden oude dochtertje inwonend was, heeft het slachtoffer badend in het bloed en door ongeveer 37 messteken om het leven gebracht, aangetroffen in zijn woonkamer.

De vader en het slachtoffer hadden een heel intense band.

Deze confrontatie heeft bij de vader een grote psychische schok teweeggebracht en het beeld van dit vreselijke tafereel staat nog steeds op zijn netvlies gegrift.

Ondanks het ontbreken van een psychiatrische rapportage, waarvan het opstellen voor de vader een psychische en financiële belasting zou vormen dient de benadeelde partij voor toewijzing van "shock"-schade in aanmerking te komen, aldus mr. Jöbsis.

Namens de verdachte is de vordering betwist.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Het hof overweegt als volgt.

De benadeelde partij, hierna ook te noemen de vader, is rechtstreeks geconfronteerd met de omstandigheden waaronder de poging tot verkrachting van en de doodslag op zijn dochter hebben plaatsgevonden. Deze feiten hebben zich in zijn woonkamer afgespeeld en bij thuiskomst heeft de vader zijn dochter levenloos, in gedeeltelijk ontklede toestand, badend in het bloed als gevolg van zeer vele steekletsels, aangetroffen.

Aannemelijk is geworden dat vader en dochter een nauwe emotionele band hadden.

De vader heeft gesteld, zoals uit de toelichting van mr. Jöbsis, maar ook de voorlezing van vaders slachtofferverklaring ter terechtzitting duidelijk is geworden, dat deze confrontatie bij hem een grote psychische schok heeft teweeggebracht.

Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken kan worden afgeleid dat vader onder behandeling is bij de [zorginstelling].

De sociaal psychiatrisch verpleegkundige [verpleegkundige] relateert dat de gebeurtenis de vader heeft genoodzaakt een andere woning te betrekken omdat de beelden van het gebeuren telkens bij het binnenkomen van zijn woning hem teveel werden.

Het hof heeft zich ook zelf een beeld kunnen vormen van de omstandigheden waaronder vader zijn dochter heeft aangetroffen, waarvan de diverse foto's in het dossier op schokkende wijze getuigen.

Het hof is van oordeel dat het op grond van het voorgaande zo evident is dat geestelijk letsel bij de vader bestaat, waardoor hij in zijn persoon is aangetast, een en ander als gevolg van (de confrontatie met de gevolgen van) het onder 1 bewezengeachte feit (13/124399-04) dat voor toekenning van het na te noemen gedeelte van de vordering dan ook geen nadere psychiatrische en/of psychologische rapportage is geboden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot een bedrag van ? 5.000,- worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Met betrekking tot dit deel van de vordering zou het hof een nadere toelichting van een psychiater en/of een psycholoog verlangen. Dit deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof zal de verdachte, die naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is, voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 242, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht .

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair (13/441550-05) tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 (13/124399-04) en subsidiair (13/441550-05) tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 (13/124399-04) en subsidiair (13/441550-05) meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 1], wonende te Amsterdam, rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 4.087,77 (vierduizend zevenentachtig euro en zevenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 januari 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening en met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld , groot

? 4.087,77 (vierduizend zevenentachtig euro en zevenenzeventig eurocent), zulks ten behoeve van [benadeelde partij 1].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 81 (eenentachtig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 2], wonende te Amsterdam, rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot

? 5.000,- (vijfduizend euro), zulks ten behoeve van [benadeelde partij 2].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 5e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. L.A.J. Dun en mr. J.W. Wabeke, in tegenwoordigheid van mr. K. van Oirschot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2006.

mr. Wabeke is buiten staat dit arrest te onderteken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature