U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Weigering Wajong-uitkering. Appellant heeft op de dag dat hij achttien jaar is geworden geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) omdat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikte. Niet duurzaam. Niet uitgesloten was dat zijn mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich konden ontwikkelen. Geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms.

Uitspraak



23/860 WAJONG

Datum uitspraak: 18 april 2024

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 februari 2023, 20/2800 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op [geboortedatum] 2019 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. ing. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 maart 2024. Voor appellant is mr. ing. Van Ek verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 2001, heeft met een door het Uwv op 29 oktober 2019 ontvangen formulier een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant bekend is met een ASS, een PTSS, angststoornissen en een depressie. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van 13 februari 2019 van een GZ-psycholoog. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 22 januari 2020 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

1.2.

Bij besluit van 22 september 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv toereikend gemotiveerd dat appellant op zijn achttiende verjaardag weliswaar geen arbeidsvermogen had, maar dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet als duurzaam kan worden aangemerkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er daarbij op gewezen dat appellant nog niet uitbehandeld is en dat hij eens per week contact heeft met een begeleider van Columbus die allerlei activiteiten met appellant onderneemt. Op de zitting is duidelijk geworden dat dit traject inmiddels beëindigd is en appellant nu vanuit de gemeente individuele begeleiding van een sociaal werker ontvangt. De huidige situatie is echter bijna drie jaar na de datum in geding en er is sinds geruime tijd geen behandeling geweest. In de brief van november 2022 van de sociaal werker is verder te lezen dat een aanvraag voor de Wet langdurige zorg afgewezen is, omdat appellant nog niet aan zijn ontwikkel-plafond zit. Dit lijkt een bevestiging van het standpunt van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk uiteengezet, dat met de juiste behandeling nog werknemersvaardigheden te ontwikkelen zijn. In beroep heeft appellant verder geen medische informatie ingebracht op grond waarvan er twijfel is ontstaan aan dit oordeel.

Het hoger beroep van appellant

3.1.

Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4.1.

De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de geweigerde Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn ook te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.2.

Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant op de dag dat hij achttien jaar is geworden geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

4.4.

De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheids-beoordeling op grond van de Wet WIA kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn.

4.5.

Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.

4.6.

Met inachtneming van het vorenstaande wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat op de dag dat appellant achttien jaar is geworden niet uitgesloten was dat zijn mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich konden ontwikkelen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden volledig onderschreven en maakt de Raad tot de zijne. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische informatie ingebracht op grond waarvan wordt getwijfeld aan het door de rechtbank gegeven oordeel. Uit de brieven van 11 december 2019 en 1 juli 2020 van het Jeugd Fact team blijkt duidelijk dat er op 2 december 2019 nog behandelmogelijkheden waren. Dat alle tot nu toe ingezette middelen en behandelingen slechts zouden hebben geleid tot een redelijke stabilisatie van de toestand van appellant, leidt evenmin tot een ander oordeel. De vraag of appellant op de datum in geding verkeerde in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet konden ontwikkelen, moet namelijk beantwoord worden aan de hand van de gegevens die bekend zijn op de datum in geding of nadien over die datum bekend zijn geworden. Het betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op dat moment, waarbij de omstandigheid dat – achteraf bezien – die verbetering niet heeft plaatsgevonden geen rol mag spelen.

4.7.

De Raad ziet geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige in te schakelen. Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat de verzekeringsartsen ten onrechte hebben aangenomen dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Appellant heeft in deze procedure medische informatie van GZ-psychologen ingebracht die naar haar aard geschikt is om twijfel te zaaien aan het standpunt van de artsen van het Uwv. Dat appellant zijn stelling dat hij ook in de toekomst niet zal beschikken over arbeidsvermogen, niet met hard bewijs kan onderbouwen, omdat het een toekomstige omstandigheid betreft, maakt dat niet anders.

Er is geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en er bestaat geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Het gestelde financiële onvermogen om zelf een deskundige in te schakelen, kan daarom buiten beschouwing blijven. Omdat er geen twijfel is over het standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv dat het ontbreken van arbeidsvermogen op de dag dat appellant achttien jaar is geworden niet duurzaam was, bestaat ook daarom geen aanleiding een deskundige in te schakelen.

4.8.

Gelet op 4.6 en 4.7 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellant op de dag dat hij achttien jaar is geworden niet duurzaam was en appellant daarom niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek als voorzitter, en D.S. de Vries en A.M. Rentema-Westerhof als leden in tegenwoordigheid van O.N. Haafkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) O.N. Haafkes

Bijlage:

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong

Jonggehandicapte is de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong

Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’

“Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong .

Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.

Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA .

Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong .


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature