U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Weigering toekenning WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft niet meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Hij kan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen.

Uitspraak



23/132 WIA

Datum uitspraak: 18 april 2024

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 december 2022, 21/2967 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 20 november 2020 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Met een besluit van 7 december 2020 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 19 mei 2021 (bestreden besluit) bij de weigering van de uitkering gebleven.

Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Tevens is verzocht om schadevergoeding. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 maart 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als meubelmaker voor gemiddeld 37,47 uur per week. Op 23 november 2018 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijk klachten. Nadat appellant een aanvraag om een WIA-uitkering had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 december 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 7 december 2020 geweigerd appellant met ingang van 20 november 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 19 mei 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant lichamelijk onderzocht en vastgesteld dat de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen grotendeels in lijn zijn met zijn onderzoeksbevindingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wel een aanvullende beperking aangenomen voor frequent buigen tijdens werk. Volgens de rechtbank bevestigt de in beroep overgelegde informatie de klachten van appellant waarvoor de verzekeringsartsen al beperkingen hebben aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het maatmaninkomen correct is vastgesteld. De enkele stelling van appellant dat hij zwart heeft gewerkt, hij € 300,- netto per maand verdiende en zijn overuren zwart werden uitbetaald, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de polisadministratie van het Uwv. Een nadere onderbouwing door appellant – bijvoorbeeld een urenspecificatie – ontbreekt. De rechtbank volgt het standpunt van appellant dat de functie van baliemedewerker (SBC-code 315150) aan de schatting ten grondslag had moeten worden gelegd, omdat dit een van de drie van de functies met de hoogste verdiencapaciteit is. Hiermee komt het arbeidsongeschiktheidspercentage echter niet boven de 35% uit. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien het gebrek aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren onder toekenning van proces- en griffiekosten aan appellant, omdat aannemelijk is dat appellant door het gebrek niet is benadeeld. Volgens de rechtbank zijn de geselecteerde functies geschikt voor appellant. Uit de rapporten van de arbeidsdeskundigen is niet gebleken dat appellant de Nederlandse taal niet goed beheerst. De primaire arbeidsdeskundige heeft appellant telefonisch gesproken en appellant heeft op het WIA-aanvraagformulier vermeld dat hij de Nederlandse taal goed beheerst. Volgens de rechtbank voldoet appellant, anders dan hij betoogt, aan het opleidingsvereiste van de functie van baliemedewerker (SBC-code 315150). Het gevraagde opleidingsniveau is ‘enkele jaren havo/vwo of mbo niveau 3’ en de primaire arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant in Turkije vervolgonderwijs heeft genoten dat gelijk staat aan enkele jaren havo.

Het standpunt van appellant

3.1.

Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft zijn standpunt herhaald aan dat er geen sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek, omdat bij de verzekeringsarts alleen een telefonisch spreekuur heeft plaatsgevonden en heeft er – anders dan de rechtbank heeft overwogen – in bezwaar geen spreekuur maar een hoorzitting plaatsgevonden. Verder voert appellant aan dat de verzekeringsartsen te weinig beperkingen hebben aangenomen. Gelet op de in bezwaar en beroep overgelegde medische informatie had de rechtbank een onafhankelijk deskundige moeten benoemen. Appellant wijst in dit verband op het beginsel van equality of arms, artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Appellant voert verder aan dat de functies niet passend zijn, omdat zijn beperkingen zijn onderschat en er sprake is van een taalbarrière. Daarnaast voldoet hij in de functie van baliemedewerker (SBC-code 315150) niet aan het gevraagde opleidingsniveau. Tot slot voert appellant aan dat zijn maatmaninkomen in verband met het deels zwart uitbetaalde loon niet correct is berekend.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 1 december 2020 blijkt dat wegens de Corona-pandemie is gekozen voor een telefonisch spreekuur. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 april 2021 blijkt dat aansluitend aan de hoorzitting in bezwaar een fysiek spreekuur heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tijdens dat spreekuur een lichamelijk onderzoek verricht waarbij de functionaliteit van de rug en benen van appellant is onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport gemotiveerd welke (aanvullende) beperkingen zijns inziens voor appellant gelden. Daarom is er geen aanleiding appellant te volgen in zijn standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.

4.3.

Verder wordt appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank het beginsel van equality of arms heeft geschonden door af te zien van het benoemen van een onafhankelijk deskundige. In de door appellant genoemde arresten Korošec, Spycher en Letinčić volgt dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vereist dat elke partij een redelijke kans of gelegenheid krijgt om haar zaak te bepleiten zonder dat er sprake is van een substantieel nadeliger positie ten opzichte van de tegenpartij (beginsel van de equality of arms). Vastgesteld wordt appellant in deze procedure tegenover het standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv informatie van zijn behandelaars (fysiotherapeuten, chiropractor, osteopaat, orthopeed, radioloog en huisarts) heeft ingebracht. Deze stukken bevatten relevante informatie en onderzoeksbevindingen over de lichamelijke klachten van appellant omstreeks de datum in geding, 20 november 2020 en zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien over het oordeel van het Uwv. Van een situatie waarin geen evenwicht is tussen partijen in hun mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, is dan ook geen sprake. Dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij het overleggen van medische informatie die een ander licht op de zaak kan werpen en in die zin in bewijsnood is komen te verkeren, is niet gebleken. Ook is niet aannemelijk dat medische informatie heeft ontbroken waardoor de rechter geen goed beeld van de beperkingen van appellant heeft kunnen krijgen. De rechtbank was daarom niet gehouden om in verband met het beginsel van equality of arms een onafhankelijk deskundige te benoemen. Ook in hoger beroep bestaat hiertoe geen aanleiding.

4.4.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn beperkingen, vormt geen aanleiding anders te concluderen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Hieraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 23 april 2021 en van 23 augustus 2022 inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de voorhanden zijnde medische informatie geen aanleiding geeft om een andere beslissing te nemen. Verder heeft appellant nog gewezen op de inmiddels bij hem vastgestelde psychische problematiek, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar gemotiveerd dat de medische informatie geen aanknopingspunt biedt voor de conclusie dat appellant deze klachten ook al had op de datum in geding van 20 november 2020.

Arbeidskundige beoordeling

4.5.

Over de geschiktheid van de geselecteerde functies en het vastgestelde maatmaninkomen heeft appellant in hoger beroep niets anders aangevoerd dan wat hij daarover bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank daarover en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een veroordeling tot vergoeding van schade, zoals door appellant verzocht.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van I. Gök als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) I. Gök

Arresten van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec), 17 november 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1117DEC002627512 (Spycher) en 3 mei 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0503JUD000718311 (Letinčić).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature