< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant misbruik van recht heeft gemaakt neemt de Raad het volgende in aanmerking. Nadat de Raad in zijn uitspraak van 8 juli 1993 had geoordeeld dat het ontslagbesluit niet onrechtmatig is, heeft appellant herhaaldelijk verzocht om vergoeding van de door hem in verband met het verlies van zijn werk geleden schade. Over de afwijzing van deze verzoeken heeft hij herhaaldelijk geprocedeerd tot aan de Raad. Op 10 april 2019 heeft appellant andermaal een verzoek om schadevergoeding ingediend zonder daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te noemen. Daarmee ligt opnieuw de rechtsvraag voor die al keer op keer door de Raad is beantwoord. Dit betekent dat het appellant met het instellen van bezwaar niet daadwerkelijk te doen kan zijn om het verkrijgen van duidelijkheid over zijn rechtspositie, want die duidelijkheid is er al vele jaren. Het ontbreekt dan ook aan een reëel, in de zin van nog niet beslecht, geschilpunt in de rechtsverhouding tussen appellant en het college. Hieruit volgt dat appellant de bevoegdheid om bezwaar te maken zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Hij heeft hiermee misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid om bezwaar te maken. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Uitspraak



21 1484 AW

Datum uitspraak: 1 april 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

2 april 2021, 19/3919 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2022. Appellant heeft telefonisch aan de zitting deelgenomen. Het college heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. E.A. de Jager.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die v óór 1 januari 2020 zijn bekendgemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Appellant was werkzaam als [functie] bij de [muziekschool] . Bij besluit van 27 september 1989 (ontslagbesluit) heeft het bestuur van de [muziekschool] aan hem met ingang van 1 januari 1990 eervol ontslag verleend vanwege opheffing van zijn functie en is aan hem wachtgeld toegekend. Het beroep van appellant tegen dit besluit is door het toenmalige Ambtenarengerecht te Groningen bij uitspraak van 30 juni 1992 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 juli 1993 heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.

1.3.

Op 28 december 1994 heeft appellant verzocht om vergoeding van de door hem in verband met het verlies van zijn werk geleden schade. Bij besluit van 6 februari 1995 heeft het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente [gemeente] als rechtsopvolger van het bestuur van de [muziekschool] (college van [gemeente]) het verzoek van appellant afgewezen. Bij besluit van 19 augustus 1996 heeft het college van [gemeente] een volgend verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen en geweigerd om terug te komen van het besluit van 6 februari 1995.

1.4.

Bij besluit van 7 oktober 1996, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 mei 1997, heeft het college van [gemeente] onder meer een volgend verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met verlies van zijn werk afgewezen. Het college heeft daarbij geen aanleiding gezien om terug te komen van eerder genomen besluiten. De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 18 augustus 1999 het beroep van appellant tegen het besluit van 26 mei 1997 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 oktober 2001 heeft de Raad deze uitspraak bevestigd, onder meer voor zover betrekking hebbend op de schadevergoeding in verband met het verlies aan werk. Daarbij heeft de Raad onder meer overwogen dat appellant bij zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat wat door appellant naar voren is gebracht al bekend was bij de afwijzing van het eerste verzoek om schadevergoeding van appellant op 6 februari 1995. Bij uitspraak van 18 december 2003 heeft de Raad geoordeeld dat de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2001, anders dan appellant meent, niet verplicht tot het toekennen van een schadevergoeding wegens verlies van het werk van appellant. In die uitspraak is immers geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van 26 mei 1997, met uitzondering van het gedeelte dat gaat over het wachtgeld, rechtmatig is.

1.5.

Bij brief van 19 januari 2004 heeft appellant het college van [gemeente] onder meer verzocht om vergoeding van het door hem geleden inkomensverlies vanaf 1990. Bij besluit van 5 februari 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2005, heeft het college van [gemeente] het verzoek van appellant om toekenning van een vergoeding aangemerkt als verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit en dit verzoek afgewezen met verwijzing naar zijn eerdere besluitvorming. Bij uitspraak van 29 november 2005 heeft de rechtbank Leeuwarden het beroep van appellant tegen het besluit van 1 februari 2005 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 maart 2007 heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.

1.6.

Bij brief van 21 december 2009 heeft appellant het college van [gemeente] verzocht om vergoeding van schade door het stopzetten van zijn salaris op 1 januari 1990 en de vordering becijferd op € 1.646.749,85. Bij besluit van 6 januari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2010, heeft het college van [gemeente] het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat het overeenkomt met eerdere verzoeken die appellant heeft gedaan, dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden aandraagt, zodat dat verzoek op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt afgewezen. Bij uitspraak van 21 april 2011 heeft de rechtbank Leeuwarden het beroep van appellant tegen het besluit van 29 juli 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 februari 2013 heeft de Raad deze uitspraak bevestigd.

1.7.

Op 10 april 2019 heeft appellant aan het college, als rechtsopvolger van het college van [gemeente], wederom verzocht om vergoeding van de schade ontstaan door het verlies van zijn werk. Bij brief van 28 mei 2019 heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om nieuwe feiten of omstandigheden in te brengen. Bij brief van 15 juni 2019 heeft appellant hierop gereageerd door mee te delen dat hij een schikking wil treffen van € 1.500.000,- en dat als het college akkoord gaat met dat bedrag, de kwestie na ruim 30 jaar is opgelost.

1.8.

Bij besluit van 17 juni 2019 heeft het college het verzoek van appellant afgewezen onder verwijzing naar eerdere besluitvorming en zich daarbij nogmaals op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt .

1.9.

Bij besluit van 7 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van recht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant al sinds 1994 meerdere verzoeken om vergoeding van door hem in verband met het verlies van zijn werk gestelde geleden schade heeft ingediend en dat appellant over de afwijzing daarvan meerdere procedures heeft gevoerd. Die verzoeken vloeien voort uit het eervol ontslag van appellant per 1 januari 1990. De verzoeken en procedures hebben niet tot het door appellant gewenste resultaat geleid; de rechter heeft daarover tot in hoogste instantie geoordeeld en beslist. Het opnieuw indienen van een dergelijk verzoek en het maken van bezwaar tegen de afwijzing daarvan is zodanig evident zonder redelijk doel dat het aanwenden daarvan blijk geeft van kwade trouw. Appellant had kunnen weten en behoorde ook te weten, gezien de tot in hoogste instantie gevoerde procedures, dat het opnieuw indienen van een dergelijk verzoek en het tegen de afwijzing van dat verzoek opnieuw bezwaar maken, geen kans van slagen heeft. Door dat toch te doen maakt appellant misbruik van recht. Dat heeft de rechtbank tot het oordeel geleid dat het college het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2019 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege misbruik van recht.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van misbruik van recht.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. In het tweede lid van dat artikel is bepaald, voor zover hier van belang, dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Op grond van artikel 3:15 van het BW vindt artikel 3:13 buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld verzetten de in 4.1 genoemde bepalingen zich tegen een inhoudelijke behandeling van een bij een bestuursorgaan ingediend bezwaar dat misbruik van recht behelst en bieden deze bepalingen een wettelijke grondslag om een zodanig bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich mee voor de overheid en benadeelt die overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant misbruik van recht heeft gemaakt neemt de Raad het volgende in aanmerking.

4.3.1.

Nadat de Raad in zijn uitspraak van 8 juli 1993 had geoordeeld dat het ontslagbesluit niet onrechtmatig is, heeft appellant herhaaldelijk verzocht om vergoeding van de door hem in verband met het verlies van zijn werk geleden schade. Over de afwijzing van deze verzoeken heeft hij herhaaldelijk geprocedeerd tot aan de Raad. Bij zijn uitspraken van 25 oktober 2001, 22 maart 2007 en 21 februari 2013 heeft de Raad kort gezegd telkens geoordeeld dat het college de verzoeken om schadevergoeding onder verwijzing naar zijn eerdere besluitvorming heeft mogen afwijzen nu appellant in zijn verzoeken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft genoemd .

4.3.2.

Op 10 april 2019 heeft appellant andermaal een verzoek om schadevergoeding ingediend zonder daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te noemen. Daarmee ligt opnieuw de rechtsvraag voor die al keer op keer door de Raad is beantwoord. Dit betekent dat het appellant met het instellen van bezwaar niet daadwerkelijk te doen kan zijn om het verkrijgen van duidelijkheid over zijn rechtspositie, want die duidelijkheid is er al vele jaren. Het ontbreekt dan ook aan een reëel, in de zin van nog niet beslecht, geschilpunt in de rechtsverhouding tussen appellant en het college. Hieruit volgt dat appellant de bevoegdheid om bezwaar te maken zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Hij heeft hiermee misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid om bezwaar te maken.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.C.F. Talman en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2022.

(getekend) B.J. van den Griend

(getekend) D. Al-Zubaidi

ECLI:NL:CRVB:2003:AO0600.

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1878.

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1882.

Uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature