< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand en boete. Aannemelijk is dat appellant heeft kunnen beschikken over de gestorte en door derden bijgeschreven bedragen op de niet door hem gemelde rekening. Dat het college niet eerder diepgaander onderzoek heeft gedaan hoefde niet tot een matiging van de terugvordering te leiden. De verwijzing van appellanten naar de Toeslagenaffaire leidt de Raad niet tot een andere conclusie. Het college heeft de bijstand over periode 1 terecht herzien / ingetrokken en teruggevorderd. Over periode 2 heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Omdat de betaalrekening is gekoppeld aan de spaarrekening, en het saldo van de spaarrekening op enig moment bekend was, waren de afschriften van de spaarrekening niet nodig om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

Uitspraak



20 994 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2020, 18/3022 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

Datum uitspraak: 29 maart 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd enkele in het dossier ontbrekende stukken ingezonden.

De gemachtigde van appellant heeft gereageerd op vragen van de Raad en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2021. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Pot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Te Vrede.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 19 januari 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van informatie uit juni en augustus 2016 van het Inlichtingenbureau heeft een medewerker van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.

1.2.1.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat op naam van appellant een bankrekening bij de ING -bank staat die bij het college niet bekend was (ING-rekening). De ING-rekening omvat een betaalrekening (ING-betaalrekening) en een daaraan gekoppelde Top spaarrekening (Toprekening).

1.2.2.

Op verzoek van de medewerker hebben appellanten bankafschriften verstrekt van de ING-betaalrekening, van de Toprekening en van de bij het college bekende bankrekening van appellanten bij de ABN AMRO-bank (ABN AMRO-rekening) over de periode van januari 2015 tot en met augustus 2016. De medewerker heeft vastgesteld dat op de ING-betaalrekening en de ABN AMRO-rekening een groot aantal kasstortingen en bijschrijvingen van derden te zien is.

1.2.3.

De medewerker heeft appellanten verzocht om deugdelijke en verifieerbare gegevens over deze transacties en over het gebruik van de ING-rekening te verstrekken. In reactie op dat verzoek hebben appellanten een aantal schriftelijke verklaringen overgelegd. Appellant heeft schriftelijk verklaard dat de ING-rekening al een paar jaar in gebruik is bij zijn stiefvader (X) die in [woonplaats] woont, dat X die rekening gebruikt als hij in Nederland verblijft en dat X zelf geen bankrekening kon openen omdat hij niet in Nederland was ingeschreven. Appellant heeft een ondertekende verklaring van X van 5 september 2016 ingezonden. X bevestigt daarin dat hij sinds een paar jaar tijdens zijn verblijf in Nederland gebruik heeft gemaakt van de ING-rekening van appellant. Verder heeft appellant schriftelijk verklaard dat hij binnen een periode van twee tot drie jaar drie ongevallen heeft gehad, waardoor hij zich moeilijk kon bewegen, dat X hem hielp in die tijd door hem naar behandelend artsen en de fysiotherapeut te brengen en dat hij destijds slecht in zijn vel zat en door zijn psychische klachten het bestaan van de ING-rekening was vergeten. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant enkele medische stukken ingezonden.

1.2.4.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 maart 2017.

1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien de volgende besluiten te nemen.

1.3.1.

Een besluit van 1 februari 2017 (besluit 1) tot intrekking van de bijstand van appellanten met ingang van 1 september 2016.

1.3.2.

Een besluit van 6 maart 2017 (besluit 2) tot intrekking van de bijstand over de periode van 19 januari 2015 tot en met 31 augustus 2016.

1.3.3.

Een besluit van 22 maart 2017 (besluit 3) tot terugvordering van appellanten van de over de periode van 19 januari 2015 tot en met 31 augustus 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 32.911,39. Omdat de betaling van de bijstand al per 1 september 2016 was stopgezet heeft vanaf die datum geen terugvordering plaatsgevonden.

1.3.4.

Een besluit van 26 april 2017 (besluit 4) tot oplegging van een boete aan appellanten ter hoogte van € 8.200,-.

1.4.

Bij besluit van 16 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Verder heeft het college naar aanleiding van de bezwaren tegen de besluiten 2 tot en met 4 die besluiten als volgt gewijzigd. De bijstand over de maanden april, mei, juli en september 2015 en februari, april, juni en augustus 2016 wordt herzien. De bijstand over de maanden maart, juni, augustus, oktober, november en december 2015 en januari, maart, mei en juli 2016 wordt ingetrokken. Het terugvorderingsbedrag wordt verlaagd naar € 22.616,41. De boete die is neergelegd in besluit 4 wordt verlaagd naar € 1.691,17. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd.

De intrekking van de bijstand per 1 september 2016 (besluit 1) wordt gehandhaafd op de grond dat appellanten niet hebben voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op hen rustende inlichtingenverplichting. Zij hebben namelijk geen objectieve en verifieerbare verklaringen gegeven voor de vele pinbetalingen bij tankstations en parkeerplaatsen in en buiten Delft en voor de transacties van en naar Poolse bankrekeningen op en vanaf de ABN AMRO-rekening. Hierdoor kan het recht op bijstand vanaf 1 september 2016 niet worden vastgesteld.

De bijstand wordt over diverse maanden herzien dan wel ingetrokken (in plaats van besluit 2) en teruggevorderd (in vervolg op besluit 3) op de grond dat appellanten wel aanvankelijk de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de ING-rekening, maar nadien de bankafschriften van die rekening hebben overgelegd. Hierdoor heeft het college alsnog onderzoek kunnen doen naar de op die bankafschriften vermelde kasstortingen en bijschrijvingen van derden. De kasstortingen en bijschrijvingen van derden op de ING-rekening en de ABN AMRO-rekening in de periode van 19 januari 2015 tot en met 31 augustus 2016 moeten worden aangemerkt als inkomsten in de maanden waarin deze transacties hebben plaatsgevonden. In de periode waar het hier om gaat hebben niet in elke maand kasstortingen of bijschrijvingen van derden plaatsgevonden. Dat leidt bij nader inzien deels tot herziening, deels tot intrekking van de bijstand over de maanden waarin dat wel het geval was. De terugvordering komt hierdoor uit op een lager bedrag.

De boete (zie besluit 4) wordt alleen aan appellant opgelegd omdat appellante geen weet had van de ING-rekening en de boete wordt verlaagd tot € 1.691,17. Het college heeft bij het vaststellen van de hoogte van de boete rekening gehouden met een fictieve draagkracht van 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

1.5.

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tijdens de beroepsprocedure heeft een medewerker van het college bij brief van 7 december 2018 bij appellanten onder meer bankafschriften opgevraagd van de ING-betaalrekening en van de Toprekening over de periode van september 2016 tot en met januari 2017. Appellanten hebben de gevraagde afschriften van de ING-betaalrekening wel overgelegd, maar de gevraagde afschriften van de Toprekening niet.

1.6.

Hierin heeft het college aanleiding gezien om bij aanvullend verweerschrift van 11 februari 2019 de grondslag van het bestreden besluit te wijzigen voor zover daarbij besluit 1 is gehandhaafd. Deze gewijzigde grondslag houdt in dat appellanten over de periode van september tot en met december 2016 de inlichtingenverplichting hebben geschonden door de gevraagde afschriften van de Toprekening over die periode niet te verstrekken. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand van appellanten over de hiervoor genoemde periode niet worden vastgesteld. Verder blijkt uit de aangeleverde bankafschriften dat appellant vanaf 1 januari 2017 inkomsten boven de voor hem geldende bijstandsnorm ontving, zodat appellanten vanaf die datum geen recht meer hadden op bijstand.

1.7.

De rechtbank heeft het aanvullend verweerschrift van 11 februari 2019 aangemerkt als een nader besluit op bezwaar en geduid als bestreden besluit 2. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen dit bestreden besluit 2.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand per 1 september 2016, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit in stand blijven en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Over de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het college naar aanleiding van het beroep de grondslag van de intrekking van de bijstand per 1 september 2016 heeft gewijzigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit in stand gelaten omdat het college met bestreden besluit 2 de intrekking van de bijstand per 1 september 2016 alsnog van een toereikende motivering heeft voorzien.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Om te beginnen stelt de Raad ambtshalve vast dat de rechtbank het aanvullend verweerschrift van 11 februari 2019 ten onrechte heeft aangemerkt als een nader besluit op bezwaar. Het aanvullend verweerschrift bevat een nadere standpuntbepaling van het college over de grondslag van een deel van de besluitvorming, maar daarmee wijzigt niet het rechtskarakter van het aanvullend verweerschrift. Van een situatie als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is dus geen sprake. Gelet hierop zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit mede gericht heeft geacht tegen het als nader besluit op bezwaar aangemerkte aanvullend verweerschrift van 11 februari 2019 en voor zover de rechtbank in zoverre op het beroep heeft beslist.

4.2.

Appellanten hebben bevestigd dat zij vanaf 1 januari 2017 een inkomen boven de bijstandsnorm hebben en daardoor vanaf die datum geen recht op bijstand meer hebben. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 maart 2015 – de eerste maand waarover de bijstand bij het bestreden besluit is ingetrokken – tot en met 31 december 2016. Daarbij worden twee perioden onderscheiden, te weten de periode die loopt van 1 maart 2015 tot en met 31 augustus 2016 (periode 1) en de periode die loopt van 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 (periode 2).

Herziening en/of intrekking en terugvordering over periode 1

4.3.

Vast staat dat appellant bij zijn aanvraag om bijstand en ook nadien het college niet heeft geïnformeerd over het bestaan van de ING-rekening die op zijn naam stond. Pas nadat het college het bestaan van de ING-rekening had ontdekt heeft appellant inzage gegeven in de transacties op die rekening. Daaruit is naar voren gekomen dat in de maanden waarover het college de bijstand heeft ingetrokken of herzien, kasstortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat niet appellant, maar X de ING-rekening gebruikte. Voor zover appellanten hiermee willen aanvoeren dat appellant niet beschikte en ook niet redelijkerwijs kon beschikken over de tegoeden op de ING-rekening en dat de gestorte en door derden bijgeschreven bedragen dus niet aan hem kunnen worden toegerekend, slaagt deze beroepsgrond niet. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, brengt – behoudens tegenbewijs – mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij/zij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Appellanten zijn er niet in geslaagd dit tegenbewijs te leveren. De schriftelijke verklaringen van appellant en X over het gebruik van de ING-rekening zijn daarvoor niet voldoende, alleen al bij gebreke van enige objectieve onderbouwing daarvan. Aannemelijk is dus dat appellant heeft kunnen beschikken over de gestorte en door derden bijgeschreven bedragen op de ING-rekening. Met de verklaringen van hem en X heeft appellant overigens ook niet duidelijk gemaakt dat hij feitelijk geen gebruik heeft gemaakt van de ING-rekening. Daarvoor zijn de verklaringen te algemeen en ook op dit punt hebben appellanten de verklaringen niet onderbouwd met bewijsstukken.

4.5.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat appellant niet bewust het bestaan van de ING-rekening heeft verzwegen. Hij wist ten tijde van de aanvraag om bijstand niet wat de regels hiervoor waren en hij spreekt de Nederlandse taal niet. De gemeente heeft appellanten destijds geholpen met de aanvraag. Appellant wist niet dat de ING-rekening van belang was, temeer omdat hij die ‒ naar zijn zeggen ‒ zelf niet gebruikte.Door psychische klachten was appellant de ING-rekening vergeten. Voor zover appellanten hiermee willen aanvoeren dat hen redelijkerwijs niet duidelijk hoefde te zijn dat zij de ING-rekening moesten melden, zodat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, slaagt deze beroepsgrond niet. Gelet op het vangnetkarakter van de bijstand was het bestaan van die rekening onmiskenbaar van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Appellanten hebben dus de inlichtingenverplichting geschonden door geen opgave te doen van de ING-rekening. Daarbij is niet van betekenis of appellant bewust de informatie over de ING-rekening voor het college heeft achtergehouden. De in artikel 17 van de PW neergelegde verplichting is namelijk een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Evenmin speelt een rol of sprake is van verwijtbaarheid. Beoordeeld moet worden of appellant de hier aan de orde zijnde inlichtingen had moeten verstrekken en dit heeft nagelaten. Dit is het geval. Appellanten hebben namelijk niet bij het college gemeld dat appellant de ING-rekening op zijn naam had staan en ook niet dat op die rekening en op de ABN AMRO-rekening kasstortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden.

4.6.

Daarnaast hebben appellanten aangevoerd dat dat het terug te vorderen bedrag tenminste gematigd dient te worden omdat het college ook fouten heeft gemaakt. Als het college enige tijd na aanvang van de bijstand een onderzoek had gedaan naar het bestaan van andere bankrekeningen van appellanten dan de door hen opgegeven ABN AMRO-rekening was de schade niet zo hoog opgelopen. Men kan hierbij denken aan een termijn van zes maanden waarbinnen relevante onderzoeken moeten zijn gedaan. In die zin zijn appellanten slachtoffer van een trage overheid die zijn eigen verantwoordelijkheden en taken onvoldoende zorgvuldig uitvoert. Ter zitting hebben appellanten in dit verband gewezen op de zogeheten Toeslagenaffaire.

4.7.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van betekenis.

4.7.1.

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen heeft het college geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen naar het bestaan van bankrekeningen naast de door appellanten wel opgegeven ABN AMRO-rekening. Het college had geen enkele indicatie dat appellanten mogelijk meer bankrekeningen op hun naam hadden staan dan zij bij hun aanvraag hadden opgegeven. Het college heeft ter zitting gezegd dat er wel enkele keren een heronderzoek is gedaan door middel van het sturen van een formulier dat appellanten moesten invullen. Het college heeft er hierbij terecht op gewezen dat de op hem rustende onderzoeksplicht niet zo ver voert dat – bijvoorbeeld bij de Belastingdienst – moet worden gecontroleerd of er geen bankrekeningen zijn verzwegen of vergeten op te geven. Ook heeft het college er terecht op gewezen dat dit alleen nodig is als daar aanwijzingen voor zijn, wat hier niet het geval was, dat het de eigen verantwoordelijkheid van appellant is om de juiste informatie te verschaffen en dat hij de consequenties voor zijn rekening moet nemen indien hij dat niet doet. Dat het college niet eerder diepgaander onderzoek heeft gedaan hoefde dan ook niet tot een matiging van de terugvordering te leiden.

4.7.2.

De verwijzing van appellanten naar de Toeslagenaffaire leidt de Raad niet tot een andere conclusie. In die affaire was een stilzitten van de overheid zoals door appellanten gesteld en de eventuele gevolgen daarvan niet aan de orde. De gemachtigde van appellanten heeft er verder op gewezen dat zij de Nederlandse taal niet machtig zijn en gesteld dat het hen destijds bij de aanvraag mogelijk niet duidelijk is geweest wat zij precies moesten opgeven en – wat het aanvraagformulier betreft – wat zij precies ondertekenden. Ook deze stelling leidt de Raad niet tot een andere conclusie. De in het aanvraagformulier opgenomen vraag welke bank- en spaarrekeningen de aanvrager heeft, laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Appellanten hebben het aanvraagformulier ondertekend voor, kort gezegd, het juist en volledig verstrekken van de gevraagde informatie. Voor zover appellanten door hun beperkte kennis van de Nederlandse taal niet hebben begrepen welke informatie zij dienden te verstrekken en waarvoor zij moesten tekenen, lag het op hun weg om de hulp van derden in te roepen. De gemachtigde van appellanten heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat de medewerkers van de gemeente Delft, die appellanten hebben geholpen bij het invullen van het aanvraagformulier, mogelijk niet duidelijk zijn geweest over de door appellanten te verstrekken informatie. Of dit werkelijk zo is geweest, is de gemachtigde niet bekend en de beschikbare gegevens bieden hiervoor geen enkel aanknopingspunt. Alleen al hierom leidt deze suggestie niet tot een ander oordeel.

4.8.

Gelet op 4.3 tot en met 4.7.2 kunnen de herziening, de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de in het bestreden besluit vermelde maanden in periode 1 in stand blijven.

Intrekking van de bijstand over periode 2

4.9.

Uit de bespreking ter zitting van dit onderdeel van de besluitvorming begrijpt de Raad dat appellanten ook hebben willen aanvoeren dat ondanks het ontbreken van de bankafschriften van de Toprekening over periode 2 het recht op bijstand over die periode wel kan worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt. Daarbij is het volgende van betekenis.

4.9.1.

Zoals ter zitting van de Raad is besproken, is de Toprekening een spaarrekening die is gekoppeld aan de ING-betaalrekening. Niet in geschil is dat alleen via de ING-betaalrekening bij- en afschrijvingen van de Toprekening kunnen worden gedaan. Het is niet mogelijk om van andere bankrekeningen dan de ING-betaalrekening bedragen over te maken naar de Toprekening. De afschriften van de ING-betaalrekening zijn wel beschikbaar. Dit betekent dat uit de afschriften van de betaalrekening valt af te leiden welke bedragen zijn overgemaakt van of naar de Toprekening. Voorts kan worden nagegaan wat het saldo op de Toprekening is geweest in periode 2. Het laatst beschikbare bankafschrift van de Toprekening dateert van 4 maart 2016. Het saldo bedroeg toen € 4.051,80. Daarna zijn er blijkens de bankafschriften van de ING-betaalrekening geen overboekingen van of naar de Toprekening geweest tot 18 oktober 2016. Op die datum is het saldo van € 4.051,80 overgemaakt van de Toprekening naar de ING-betaalrekening. Na die datum zijn er in elk geval tot 1 januari 2017 geen overboekingen van of naar de Toprekening meer geweest. Dit betekent dat het saldo op de Toprekening van 1 september 2016 tot 18 oktober 2016 € 4.051,80 bedroeg en daarna tot en met 31 december 2016 nihil was, mogelijk met uitzondering van een eventuele rentebijschrijving, maar daarbij kan het alleen om een klein bedrag gaan. Gelet hierop is het standpunt van het college dat het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld niet juist. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.10.

Uit 4.9.1 volgt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak moet daarom in zoverre worden vernietigd. Het college kan het recht op bijstand over periode 2 alsnog vaststellen aan de hand van de beschikbare bankafschriften van de ING-betaalrekening en daarbij bezien of en, zo ja, in hoeverre de op de bankafschriften vermelde stortingen en bijschrijvingen van derden als inkomsten in aanmerking moeten worden genomen. De Raad zal het college daarom opdracht geven een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellanten tegen besluit 1.

4.11.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Boete

4.12.

Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de boete moet worden gematigd tot € 800,-, gelet op de draagkracht van appellanten. De Raad zal aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden beoordelen of een boete tot dat bedrag passend en geboden is.

4.13.

Uit 4.5 volgt dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de ING-rekening die op naam van appellant staat en van de per kas gestorte en door derden bijgeschreven bedragen op die rekening. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid bij appellant ontbreekt. Deze gedraging wordt appellante niet verweten. Appellanten voeren aan dat de boete verder moet worden gematigd. Zij hebben daarbij verwezen naar hun eerder in de procedure aangevoerde gronden dat appellant de inlichtingenverplichting niet met opzet heeft geschonden en dat bovendien hooguit sprake is van een gedeelde verwijtbaarheid omdat ook het college fouten heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van betekenis.

4.13.1.

Bij de vaststelling van de boete is het college niet uitgegaan van opzet maar van normale verwijtbaarheid. Daarom heeft het college 50% van het benadelingsbedrag als uitgangspunt voor de boete genomen. Vervolgens heeft het college de boete verder gematigd vanwege de draagkracht van appellanten. Anders dan appellanten menen, kan uit de overgelegde medische stukken niet worden afgeleid dat het voor appellant onmogelijk was om bij de aanvraag om bijstand adequaat antwoord te geven op de vraag welke bankrekeningen hij bezat. Hem kan dan ook worden verweten dat hij de ING-rekening niet heeft gemeld. Uit 4.7.1 volgt verder dat die verwijtbaarheid niet wordt weggenomen of verminderd doordat het college niet eerder een onderzoek heeft ingesteld naar het bestaan van andere rekeningen op naam van appellanten dan de bij de aanvraag opgegeven ABN AMRO-rekening.

4.14.

Gelet op het nadere standpunt van het college over de hoogte van de boete is de grondslag aan het bestreden besluit over besluit 4 komen te ontvallen. Dat besluit moet daarom in zover worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb . Ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij het bestreden besluit over besluit 4 in stand heeft gelaten. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en besluit 4 in zoverre herroepen. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal de Raad de boete vaststellen op een bedrag van € 800,-, aangezien een boete tot dat bedrag hier passend en geboden is.

Vernietiging aangevallen uitspraak

4.15.

Uit 4.1, 4.10 en 4.14 volgt dat de aangevallen uitspraak op onderdelen moet worden vernietigd. Met het oog op de inzichtelijkheid van het dictum zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen, met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht.

Schadevergoeding

5. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal om de volgende redenen worden afgewezen. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op de besluitvorming over de periode van 1 maart 2015 tot en met 31 augustus 2016 bestaat geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen omdat de besluitvorming over die periode ook in hoger beroep in stand blijft. Voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op de periode van 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 kan het verzoek nu niet worden toegewezen, omdat nadere besluitvorming door het college noodzakelijk is. Het college zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ook aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre aanleiding bestaat om schade te vergoeden. Weliswaar is de hoogte van de boete gewijzigd, maar appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij daardoor (rente)schade hebben geleden.

Proceskosten

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden, in aanmerking genomen dat de aangevallen uitspraak over de proceskosten in stand blijft, begroot op € 1.082,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift tegen de boete en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, € 541,- per punt) en € 1.897,50 in hoger beroep (1 punt voor het beroepschrift, een halve punt voor het beantwoorden van vragen en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 759,- per punt) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.979,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen over griffierecht en proceskosten;

verklaart het beroep tegen het besluit van 16 maart 2018 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het gaat over de intrekking van de bijstand over de periode van 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 en de hoogte van de boete;

draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2017 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen dat besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

herroept het besluit van 26 april 2017 voor zover het gaat over de hoogte van de boete, stelt het bedrag van de boete vast op € 800,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 16 maart 2018;

wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

veroordeelt het college in de kosten van appellanten in bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag van € 2.979,50;

bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en K.M.P. Jacobs en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2022.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) R.I.S. van Haaren


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature