E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2022:650
Centrale Raad van Beroep, 20/3097 Wajong

Inhoudsindicatie:

Wajonguitkering. Verhuizing naar buitenland. Exportverbod. Hardheidsclausule. Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland. Onbillijkheden van overwegende aard. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is de invoering van het exportverbod niet uitsluitend ingegeven om oneigenlijk gebruik van de regeling of calculerend gedrag te voorkomen. De beroepsgrond van appellant dat in zijn geval geen sprake is van oneigenlijk gebruik van de regeling of van calculerend gedrag, treft dan ook geen doel. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zorgafhankelijk is van zijn moeder en/of zus. Dit betekent dat de rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding wordt gezien om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen. Daarnaast is niet gebleken van een noodzaak om naar Denemarken te verhuizen. Ook anderszins zijn er geen omstandigheden die een grondslag kunnen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Ter zitting heeft appellant nog naar voren gebracht dat toepassing van het exportverbod in zijn geval zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Appellant wordt niet in dit betoog gevolgd. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het woonplaatsvereiste in artikel 3:19 van de Wajong in de situatie van appellant objectief gerechtvaardigd is en een gerechtvaardigde belemmering oplevert van het vrij verkeer van Unieburgers als bedoeld in artikel 21 van het VWEU . Ook is geen sprake van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM . Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie