< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Onvoorwaardelijk strafontslag. Straf is niet onevenredig aan aard en ernst van het plichtsverzuim. Toerekenbaar plichtsverzuim bestaande uit het onvoldoende (professionele) afstand houden tot leerlingen en dan met name tot één leerling. De maatregel is, gezien de aard en de ernst van de gedragingen, en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant op de school, niet onevenredig aan het vastgestelde plichtsverzuim.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



20 4488 AW, 21/932 AW

Datum uitspraak: 4 maart 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 november 2020, 19/6481 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het College van Bestuur van het Stedelijk Dalton Lyceum (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. van Glabbeek hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. S.A. Geerdink een verweerschrift ingediend en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Van Glabbeek een zienswijze naar voren gebracht in reactie op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Glabbeek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Geerdink, drs. M.E.M. van der Krogt en drs. L.L. Jongejans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die v óór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Appellant is door de rechtsvoorganger van het college op 14 april 1998 aangesteld als [beroep] aan [school] (school) te [vestigingsplaats] . Hij was werkzaam als [functie] .

1.3.

Bij besluit van 17 september 2013 is aan appellant een schriftelijke berisping opgelegd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door het onderhouden van privécontacten met een minderjarige leerling van de school, onder meer door het maken van een gezamenlijke reis naar de Verenigde Staten zonder dat de ouders daarbij aanwezig waren. Bij de berisping is aan appellant de opdracht gegeven zich te onthouden van elk één-op-ééncontact met leerlingen op school en daarbuiten. Daarnaast dient appellant zich te houden aan de gedragscode 2013 van de school. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.

1.4.

Op 7 juli 2019 heeft de school een klacht ontvangen van ouders van een leerling van de school over ongepast gedrag van appellant. Naar aanleiding van deze klacht heeft op 8 juli 2019 een gesprek met de ouders en op 9 juli 2019 een gesprek met de leerling plaatsgevonden. Op 16 juli 2019 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden.

1.5.

Na daartoe een voornemen aan appellant kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 19 september 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 november 2019 (bestreden besluit), appellant met toepassing van artikel 10.b.3, aanhef en elfde lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Voortgezet Onderwijs (CAO VO) de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Appellant wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door opnieuw en in strijd met de afspraken op een niet te tolereren en niet bij zijn functie passende wijze om te gaan met (één van de) minderjarige leerlingen. Appellant wordt verweten dat hij:

A) Een leerling foto’s en een filmpje heeft gestuurd via WhatsApp.

B) Met 2 leerlingen in een donker lokaal op een laptop foto’s heeft bekeken. C) Heeft gegeten bij de McDonald’s met een groepje leerlingen en desgevraagd heeft aangeven dat een leerlinge daar geen toestemming voor moest vragen aan de locatiedirecteur.D) Niet heeft opgetreden tegen een nepformulier waarop naam en handtekening van appellant staan waarbij het schoolbeleid belachelijk wordt gemaakt. E) Posters heeft opgehangen voor een verkiezing voor één van de leerlingen voor de leerlingen/medezeggenschapsraad. F) In een filmpje heeft opgetreden als Donald Trump en op Instagram flexuren heeft vergeleken met Flexit.

G) Met leerlingen heeft gesproken over afkeer van het schoolbeleid (flexuren).

H) WhatsAppcontact heeft onderhouden met een leerling, waarbij hij zich als vriend heeft gedragen in plaats van als docent. I) Deze leerling heeft uitgenodigd om alleen met hem thee te gaan drinken en heeft aangegeven een cadeau te hebben. J) Deze leerling heeft uitgenodigd om alleen met hem in zijn auto mee te gaan naar de Biesbosch.

K) De leerling heeft uitgenodigd om samen met hem naar Venlo te gaan en toen de leerling aangaf niet mee te kunnen te kennen heeft gegeven dat hij dat vervelend vond.

L) De leerling buiten schooltijd bij zijn bijbaantje in de supermarkt heeft opgezocht.

M) Nalatig heeft gehandeld door zorgen over de leerling niet intern te delen.

Subsidiair heeft het college appellant ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid verleend en meer subsidiair heeft het college appellant ontslag op grond van andere redenen van gewichtige aard verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

Plichtsverzuim

4.2.

Appellant wordt door het college verweten dat hij onvoldoende (professionele) afstand heeft gehouden tot leerlingen en dan met name tot één leerling. Het gaat met name om gedragingen A tot en met C en H tot en met M, genoemd onder 1.5. Appellant heeft deze gedragingen niet ontkend, maar heeft betoogd dat geen sprake is van plichtsverzuim, omdat hij de desbetreffende leerling wilde helpen. Het college was hiervan volgens appellant ook op de hoogte. Dit betoog slaagt niet. Zoals onder 1.3 is vermeld is appellant in 2013 berispt en heeft hij de opdracht gekregen niet meer één-op-ééncontact met leerlingen te hebben en zich te houden aan de gedragscode van de school. In deze gedragscode 2013 staat dat de [functie] leerlingen op een prettige en respectvolle wijze behandelt, maar niet als vrienden en zich niet in de begeleiding in de privésfeer van leerlingen mengt, maar dat hij de zorgcoördinator informeert bij signalen van privéproblemen van leerlingen. Appellant heeft tijdens de zitting erkend dat hij sinds de berisping het idee had dat hij op eieren liep. Hij was zich dus bewust van de opdracht na de berisping in 2013. Uit onder andere de WhatsAppberichten blijkt dat appellant zich niet aan deze opdracht heeft gehouden. Regelmatig Whatsappen op late tijdstippen gaat verder dan normaal contact tussen een leerling en docent. De leerling heeft achteraf (via zijn ouders) een klacht ingediend bij de school en verklaard dat hij zich ongemakkelijk voelde door de gedragingen van appellant. Uit de verklaringen van de zorgcoördinator en de teamleider blijkt niet dat zij op de hoogte waren van het contact tussen appellant en de leerling. Uit de verklaringen die appellant in hoger beroep heeft overgelegd kan evenmin geconcludeerd worden dat het college hiervan op de hoogte was. Ook het eten met de leerlingen bij de McDonald’s is in strijd met de aan appellant gegeven opdracht. Appellant heeft niet gedaan wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen, zodat van ernstig plichtsverzuim sprake is. De Raad is van oordeel dat de gedragingen genoemd onder A, C, en H tot en met M op zichzelf beschouwd reeds de opgelegde disciplinaire straf van ontslag kunnen dragen, zodat de overige gedragingen geen afzonderlijke bespreking behoeven.

Toerekenbaarheid

4.3.

Appellant heeft niet gesteld dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Het college is daarom bevoegd aan appellant een disciplinaire maatregel op te leggen.

Evenredigheid

4.4.

Naar aanleiding van wat partijen over de (on)evenredigheid van de opgelegde disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende. De maatregel is, gezien de aard en de ernst van de gedragingen, en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant op de school, niet onevenredig aan het vastgestelde plichtsverzuim. Appellant heeft door zijn gedrag het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en aldus het belang van de school en van de leerlingen ten onrechte niet zwaarder laten wegen dan zijn eigen belang. Appellant was een gewaarschuwd man en op de hoogte van de gedagscode waarop jaarlijks aan het begin van elk schooljaar werd gewezen. Hij was er ook van op de hoogte dat hij bij serieuze problemen van een leerling, contact moest zoeken met de zorgcoördinator en niet zelf in actie moest komen. Door de eerdere berisping wist appellant dat dergelijk gedrag gevolgen kon hebben. Dat appellant een lange staat van dienst heeft, goede beoordelingen kreeg als [beroep] en de gevolgen van het ontslag ingrijpend zijn, maakt niet dat het strafontslag onevenredig is.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Aan de bespreking van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van het college komt de Raad daarom niet toe. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en T. Avedissian en J.C. Boeree als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2022.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.E. van Donk


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature