< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Opleggen disciplinaire straf van onvoorwaardelijk strafontslag. Toerekenbaar plichtsverzuim.

Uitspraak



21 3996 AW, 22/394 AW

Datum uitspraak: 10 november 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2021, 19/4595 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens de korpschef heeft mr. M.P.W. Steuten, advocaat, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Van Bremen een zienswijze naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2022. Namens appellant is verschenen mr. A. Šimičevič, kantoorgenoot van mr. Van Bremen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Steuten en T. Topcu.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 16 augustus 2010 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van [naam functie] .

1.2.

Op 27 februari 2017 heeft de Dienst Regionale Recherche in samenwerking met de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) een strafrechtelijk onderzoek ingesteld onder de naam ‘Inline’. Naar de verdachte in dit onderzoek is tevens een financieel onderzoek ingesteld. Uit dit financiële onderzoek is gebleken dat sprake is van meerdere verdachte transacties tussen de verdachte en appellant. Naar aanleiding van deze verdachte transacties is een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarbij appellant is aangemerkt als verdachte van witwassen. Het strafrechtelijk onderzoek is afgerond op 5 juni 2018.

1.3.

Op 13 juli 2017 heeft appellant aangifte gedaan van bedreiging door collega X, waarna een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld. De zaak is door de officier van justitie geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs.

1.4.

Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek naar het vermoeden van witwassen door appellant is de afdeling VIK opdracht gegeven om een disciplinair onderzoek naar appellant in te stellen. Het disciplinair onderzoek is afgerond op 11 oktober 2018. Uit dit onderzoek is – onder meer – naar voren gekomen dat appellant een bedrag van € 8.000,- van collega Y op zijn rekening heeft ontvangen en dat in telefonisch contact tussen appellant en zijn broer werd gesproken over het huren van een auto om in een klein land geld op te halen, dat het een auto moet zijn zonder reclame, omdat zijn broer een onopvallende auto nodig heeft.

1.5.

Na daartoe een voornemen aan appellant kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de korpschef bij besluit van 21 januari 2019 met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) appellant met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Appellant is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door gedrag te vertonen dat in ieder geval dicht aanligt tegen witwassen, misbruik te maken van de door het korps ter beschikking gestelde faciliteiten in het kader van zijn re-integratie, tijdens zijn ziekte activiteiten te verrichten zonder overleg met de leiding en/of bedrijfsarts en ondanks daartoe meerdere malen verzocht te zijn, geen openheid van zaken te geven dan wel niet transparant te verklaren over de hiervoor vermelde verwijten, alsmede over het feit dat hij flauw zou zijn gevallen na het vermeende incident met X. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2019 heeft de strafrechter appellant vrijgesproken van het witwassen van in totaal € 26.145,- aan contante geldbedragen.

1.7.

Bij besluit van 9 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2019 gegrond verklaard voor zover appellant als plichtsverzuim is verweten dat hij gedrag heeft vertoond dat in ieder geval dicht aanligt tegen witwassen. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant wordt nog verweten dat hij, ondanks daartoe herhaaldelijk te zijn verzocht, geen of onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven dan wel niet transparant heeft verklaard over zijn financiële transacties, de inhoud van tapgesprekken op 21 juni 2017 en 27 juli 2017, alsmede over het feit dat hij flauw zou zijn gevallen na het vermeende incident met X. Gelet op de omvang van de transacties en de inhoud van de tapgesprekken is er twijfel aan de integriteit en betrouwbaarheid van appellant en mocht van appellant worden verwacht die twijfel weg te nemen. Dit heeft hij niet gedaan. Verder wordt appellant nog verweten dat hij misbruik heeft gemaakt van de door de korpschef ter beschikking gestelde faciliteiten in het kader van re-integratie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Onschuldpresumptie

3.1.

Appellant heeft aangevoerd dat in de strafrechtelijke procedure alle financiële transacties en de tapgesprekken aan bod zijn gekomen. Daarmee, zo begrijpt de Raad, acht appellant het bestreden besluit in zoverre in strijd met de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van die bepaling wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze onschuldpresumptie brengt volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (bijvoorbeeld het arrest van 12 juli 2013 in de zaak Allen tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, punten 92 tot en met 104) mee dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een latere bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvan hij is vrijgesproken. Voor een geslaagd beroep op dit aspect van de onschuldpresumptie dient de betrokkene te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband (“link”) bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure. Indien een dergelijk verband is vastgesteld, is van belang dat de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel dienen te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak. Daarbij is tevens van belang dat de autoriteiten zich dienen te onthouden van strafrechtelijke karakterisering van de gedragingen van de betrokkene en hun eigen forum niet te buiten gaan (vergelijk de uitspraak van 6 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1777).

3.2.

In de onderhavige situatie is geen sprake van een voldoende verband (“link”) tussen het strafrechtelijk vonnis van 8 mei 2019 en de aan appellant bij het bestreden besluit verweten gedragingen. Dat appellant de bij de korpschef aanwezige twijfel aan zijn integriteit en betrouwbaarheid niet heeft weggenomen doordat hij geen of onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven dan wel niet transparant heeft verklaard over zijn financiële transacties en de inhoud van de tapgesprekken is een ander verwijt dan “witwassen”. Het oordeel van de korpschef leidt niet tot twijfel over de onschuld ten aanzien van het strafbare feit waarvan appellant is vrijgesproken. Dit betekent dat het beroep van appellant op de onschuldpresumptie niet slaagt en dat geen sprake is van schending van artikel 6, tweede lid, van het EVRM .

Plichtsverzuim

3.3.

In artikel 76, eerste lid, van het Barp is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt disciplinair kan worden gestraft. Volgens het tweede lid van dat artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan als straf ontslag worden opgelegd.

3.4.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

3.5.

Appellant wordt onder meer verweten dat hij, ondanks daartoe herhaaldelijk te zijn verzocht, geen/onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven dan wel niet transparant heeft verklaard over zijn financiële transacties, de inhoud van de tapgesprekken op 21 juni 2017 en 27 juli 2017, alsmede over het feit dat hij flauw zou zijn gevallen na het vermeende incident met X en daarmee de twijfel aan zijn integriteit en betrouwbaarheid niet heeft weggenomen (gedraging 1).

3.6.

Met de algemene stukken over posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft appellant onvoldoende onderbouwd dat hij vanwege zijn PTSS niet in staat was de gevraagde openheid te geven. Doordat die openheid achterwege is gebleven heeft hij de bij de korpschef gerechtvaardigde twijfel aan de integriteit en/of betrouwbaarheid van appellant niet weg kunnen nemen en heeft hij zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

Toerekenbaarheid

3.7.

Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Op grond van eveneens vaste rechtspraak moet het bestuursorgaan een onderzoek doen naar mogelijke verminderde toerekenbaarheid indien er aanwijzingen zijn dat het plichtsverzuim (mede) samenhangt met psychische klachten (uitspraak van 8 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2253)

3.8.

Appellant heeft aangevoerd dat bij hem sprake is van verminderde toerekenbaarheid, gezien zijn PTSS. Dit betoog slaagt niet. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn PTSS de ontoelaatbaarheid van het hem verweten gedrag niet heeft kunnen inzien of mogelijk niet overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zijn PTSS meebrengt dat het plichtsverzuim hem niet (volledig) toegerekend kan worden. Voor een medisch onderzoek heeft de korpschef dan ook terecht geen aanleiding gezien.

Evenredigheid

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat de korpschef bevoegd was aan appellant vanwege gedraging 1 een disciplinaire straf op te leggen. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag is, gezien de ernst en de aard van deze gedraging, de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politieorganisatie en de terecht door de korpschef gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van medewerkers van die dienst niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

3.10.

Uit 3.1 tot en met 3.9 volgt reeds dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bespreking van de andere aan appellant verweten gedraging, te weten dat hij misbruik heeft gemaakt van de door de korpschef ter beschikking gestelde faciliteiten in het kader van re-integratie, kan daarom achterwege blijven.

3.11.

Nu het hoger beroep van appellant niet slaagt, vervalt het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de korpschef en behoeft deze geen bespreking.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2022.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) L.C. van Bentum


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature