< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De Svb heeft het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak



21 3677 AOW

Datum uitspraak: 21 juli 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2021, 21/134 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2022. Appellant en mr. Vlieger zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren op [geboortedatum] 1946 en heeft in oktober 2011 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Hij heeft op 16 december 2011 een ouderdomspensioen aangevraagd op grond van de op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Bij besluit van 18 januari 2012 heeft de Svb aan appellant met ingang van februari 2012 een ouderdomspensioen toegekend ter hoogte van 52%. Verder is een toeslag toegekend voor zijn partner, die voorlopig verlaagd is met 10% omdat het totale gezinsinkomen van appellant en zijn partner niet bekend is. In totaal ontvangt hij € 515,85 per maand.

1.3.

Appellant heeft in maart 2012 een aanvullende inkomens voorziening ouderen (AIO-aanvulling) aangevraagd. Bij besluit van 8 mei 2012 heeft de Svb appellant met ingang van 13 april 2012 een AIO-aanvulling toegekend voor hem en zijn partner. Bij afzonderlijk besluit van 8 mei 2012 heeft de Svb, onder verwijzing naar het besluit van 18 januari 2012, besloten dat de algemene verlaging van de partnertoeslag van 10% niet wordt toegepast op de toeslag voor de partner van appellant omdat uit de opgave van het inkomen is gebleken dat het gezinsinkomen lager is dan € 2.530,97.

1.4.

Vanwege detentie van appellant is zijn AOW tussentijds beëindigd. Bij besluit van 8 november 2019 is aan appellant met ingang van 19 juli 2019 weer een ouderdomspensioen toegekend ter hoogte van 52%. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 februari 2020 ongegrond verklaard.

1.5.

In zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 8 november 2019 heeft appellant verzocht om herziening van het besluit van 18 januari 2012. Bij besluit van 24 april 2020 heeft de Svb dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.6.

Bij brief van 1 december 2020 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 januari 2012. Appellant heeft hierbij gesteld het besluit van 18 januari 2012 nooit te hebben ontvangen noch eerder een brief te hebben ontvangen met de inhoud van dit besluit.

1.7.

Bij besluit van 10 december 2020 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank acht het, alle omstandigheden in samenhang bezien, aannemelijk dat appellant het besluit van 18 januari 2012 in 2012 heeft ontvangen. Het door appellant ingediende bezwaarschrift is buiten de bezwaartermijn ingediend. Niet gebleken is van een omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. De Svb heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij het besluit van 18 januari 2012 nooit heeft ontvangen en dat de rechtbank heeft miskend dat het aan de Svb is om aan te tonen dat het besluit van 18 januari 2012 daadwerkelijk aan appellant is verzonden. Appellant had destijds geen vaste woon- of verblijfplaats. Verder ontkent appellant dat hij in maart 2012 het kantoor van de Svb zou hebben bezocht om een AIO-aanvulling aan te vragen en dat hij de AIO-aanvulling heeft aangevraagd naar aanleiding van het besluit van 18 januari 2012. Appellant ontkent ook dat hij de besluiten van 8 mei 2012 heeft ontvangen. Appellant zou in 2012 meerdere malen gedetineerd zijn geweest.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb van gt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.2.

Indien de geadresseerde stelt dat hij – zoals in dit geval – een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verder dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Contra-indicaties kunnen meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is (uitspraken van de Raad van onder meer 26 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1501 en 29 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:808). Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden.

4.3.

Niet in geschil is dat het besluit van 18 januari 2012 is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum, maar dat de Svb geen verzendadministratie kan overleggen. In dit geval is echter sprake van een contra-indicatie op grond waarvan moet worden geoordeeld dat appellant het besluit van 18 januari 2012 wel moet hebben ontvangen. Uit een rapport van 9 maart 2012 blijkt onmiskenbaar dat een medewerker van de Svb te Zaanstad op 7 maart 2012 heeft gemeld dat appellant op die dag aan het loket is geweest om een AIO-aanvulling aan te vragen en dat hij daar heeft doorgegeven zijn post niet langer op het eerder als postadres gebruikte adres van zijn dochter, maar op zijn eigen adres in Nederland te willen ontvangen. Appellant stelt dat hij de AIO-aanvulling niet heeft aangevraagd naar aanleiding van het besluit van 18 januari 2012. De Svb heeft ter zitting toegelicht dat de AIO-aanvulling alleen kan worden aangevraagd naar aanleiding van een besluit over het ouderdomspensioen, omdat de hoogte van de AIO-aanvulling afhangt van de hoogte van het ouderdomspensioen. Verder blijkt uit een telefoonrapport van 1 mei 2012 dat appellant die dag telefonisch contact heeft opgenomen met de Svb om te informeren naar de afhandeling van zijn AIO-aanvraag. Hierbij heeft appellant toegelicht dat het aan hem toegekende ouderdomspensioen van € 500,- te laag is om in aanmerking te komen voor een woning. Verder blijkt dat de Svb in het telefoongesprek met appellant nog heeft gesproken over het verloop van de uitbetaling van het ouderdomspensioen en het daarvoor te gebruiken rekeningnummer. Dit alles wijst erop dat appellant op de hoogte was van het toekenningsbesluit van 18 januari 2012 en dat hij dit besluit heeft ontvangen. Uit de door hem ingebrachte stukken blijkt overigens niet van een detentie in 2012.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat moet worden aangenomen dat het besluit van 18 januari 2012 op de juiste wijze bekend is gemaakt. Appellant heeft zijn bezwaarschrift niet tijdig ingediend. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond te vinden voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2022.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) R. van Doorn


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature