< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening en terugvordering van bijstand. Toepassing kostendelersnorm.

Artikel 22a van de PW is dwingend recht en biedt geen ruimte om af te wijken van de kostendelersnorm of die buiten toepassing te laten, behalve in de uitzonderingssituaties die staan in het derde en vierde lid van dit artikel. Daar komt bij dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen dat de kostendelersnorm ook van toepassing is op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste of tweede graad, ook als zij een zorgbehoefte hebben. De situatie van appellante vormt geen zeer bijzondere situatie die noopt tot afstemming met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW .

Uitspraak



21 896 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 februari 2021, 20/851 en 20/1630, (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak: 28 juni 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft samen met de zaken 20/1725, 21/759, 21/760, 21/761 en 21/897 plaatsgevonden op 17 mei 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Dijkman-Dulkes Wan. In de zaken 20/1725, 21/759, 21/760, 21/761 en 21/897 zijn partijen ter zitting een schikking overeengekomen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW). Haar inwonende, meerderjarige zoon ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2.

Bij besluit van 28 augustus 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 januari 2020 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 17 oktober 2017 tot en met 3 juni 2019 op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de PW herzien. Hierbij heeft het college ook de kosten van bijstand over de periode van 17 oktober 2017 tot en met 16 april 2018 tot een bedrag van € 1.701,66 van appellante teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW . Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de zoon van appellante op 17 oktober 2017 21 jaar is geworden en dat vanaf die datum de kostendelersnorm in de situatie van appellante van toepassing is. Het college heeft de periode waarover is teruggevorderd beperkt door de zogenoemde zes maandenjurisprudentie toe te passen.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Dit hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft als meest verstrekkende grond aangevoerd dat in haar geval de kostendelersnorm niet van toepassing is. Zij is mantelzorger van haar zoon en verschillende instanties en organisaties, zoals de Nationale Ombudsman en het Nibud, dringen aan om voor mantelzorgers de kostendelersnorm niet toe te passen.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat in artikel 22a van de PW staat is dwingend recht en biedt geen ruimte om af te wijken van de kostendelersnorm of die buiten toepassing te laten, behalve in de uitzonderingssituaties die staan in het derde en vierde lid van dit artikel. Daar komt bij dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen dat de kostendelersnorm ook van toepassing is op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste of tweede graad, ook als zij een zorgbehoefte hebben (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). Dit is eerder overwogen, onder andere in de uitspraak van 19 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3211. De voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt zijn ook aanwezig als sprake is van mantelzorg en de wetgever heeft de mantelzorgsituatie bewust niet willen uitzonderen van de kostendelersnorm. Het doel van de bijstandsuitkering is om een inkomen te bieden op het bestaansminimum voor mensen die (tijdelijk) niet kunnen werken. De bijstand heeft niet als doel om mantelzorg te stimuleren. Dat verschillende partijen in het maatschappelijk debat een andere mening hebben over de toepassing van de kostendelersnorm voor mantelzorgers, kan het feit dat het gaat om dwingend recht niet veranderen. Het college en de rechter kunnen hier niet van afwijken.

4.3.

Appellante heeft verder aangevoerd dat het college, gelet op haar financiële problemen, maatwerk had moeten leveren bij de toepassing van de kostendelersnorm. De Raad begrijpt deze beroepsgrond zo dat appellante aanvoert dat het college de bijstand had moeten afstemmen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW . Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Afstemming op grond van deze bepaling is alleen mogelijk in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492). De situatie van appellante is niet zo’n zeer bijzondere situatie. Haar zoon had in de periode waar het hier om gaat een Wajong-uitkering van circa € 900,- per maand. Het gezamenlijke inkomen van appellante en haar zoon lag dus ruim boven de gehuwdennorm. Vergelijk de uitspraak van 17 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1418. Alleen de verwijzing van appellante naar haar financiële problemen is onvoldoende om aan te nemen dat hier sprake is van een zeer bijzondere situatie die aanleiding geeft om de bijstand af te stemmen.

4.4.

Appellante heeft ook aangevoerd dat zij redelijkerwijs niet heeft kunnen begrijpen dat zij ten onrechte teveel bijstand ontving. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.

4.4.1.

De bijstandverlenende instantie is bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de PW een besluit tot toekenning van bijstand in te trekken of te herzien indien om een andere reden dan door het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Dit kan alleen als de betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij/zij te veel of ten onrechte bijstand ontving. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 4 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4317).

4.4.2.

Het college heeft appellante in een brief van 4 mei 2015 de informatie gegeven dat vanaf 1 juli 2015 de kostendelersnorm in haar situatie van toepassing is en dat de hoogte van de kostendelersnorm afhankelijk is van het aantal meerderjarige personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben en waarmee appellante de kosten van het bestaan kan delen. In die brief stond ook dat haar zoon niet als kostendeler werd aangemerkt, omdat hij nog geen 21 jaar was. Op grond van deze brief had appellante redelijkerwijs kunnen begrijpen dat zij vanaf de dag dat haar zoon 21 zou worden een lagere uitkering zou krijgen en dus ook dat zij vanaf dat moment ten onrechte teveel bijstand ontving.

4.5.

Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de berekening van het terugvorderingsbedrag niet duidelijk is en dat het bestreden besluit daarom niet deugdelijk is gemotiveerd.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft ter zitting erkend dat pas in het verweerschrift in beroep de berekening is gegeven van het teruggevorderde bedrag en dat die had moeten worden gegeven in het bestreden besluit. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. De Raad ziet hierin echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting van de Raad kenbaar gemaakt dat de berekening van het teruggevorderde bedrag op zichzelf klopt. Daarom bestaat aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Het is namelijk aannemelijk dat appellante door het motiveringsgebrek niet is benadeeld.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd.

5. Wat onder 4.6 is overwogen, geeft aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.518,- in beroep en € 1.518,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.036‬,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.036‬,-;

bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van A.F. Hulskes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2022.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) A.F. Hulskes


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature