E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2022:136
Centrale Raad van Beroep, 19/4073 WAZ

Inhoudsindicatie:

De Raad heeft eerder geoordeeld dat de keuze voor een aanvraagtermijn van viereneenhalve maand niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, gelet op het feit dat de regelgever heeft ingestoken op een kortdurende, snel en simpel uit te voeren regeling en op het feit dat in de media ruime aandacht is besteed aan de Tijdelijke Regeling en de manier waarop en de termijn waarbinnen compensatie moest worden aangevraagd. Artikel 7, tweede lid, van de Tijdelijke Regeling bevat de dwingende regel dat degene die in aanmerking wil komen voor compensatie, voor 1 oktober 2018 de aanvraag indient. De Regeling kent geen mogelijkheid hierop een uitzondering te maken. Toch heeft het Uwv beoordeeld of de overschrijding door appellante van de aanvraagtermijn verschoonbaar is. De Raad stelt vast dat hier sprake is van een buitenwettelijke begunstigende gedragslijn van het Uwv. De Raad kan, met alle begrip voor de ernstige ziekteklachten en moeilijke omstandigheden waarin appellante in 2018 heeft verkeerd, niet tot het oordeel komen dat appellante tijdens de aanvraagtermijn (steeds) niet in staat was een aanvraag om compensatie in te dienen. Dit alles leidt tot de conclusie dat het Uwv, door de overschrijding van de aanvraagtermijn door appellante niet verschoonbaar te achten, zijn vaste, in 4.2.1 omschreven, gedragslijn consistent heeft toegepast. Het Uwv heeft dus terecht de aanvraag van appellante om in aanmerking te komen voor compensatie op grond van de Tijdelijke Regeling afgewezen. Wat is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie