< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening en terugvordering van bijstand. Stortingen op bankrekening.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de eerste twee stortingen van € 500,- en € 520,- geld betreffen dat eerder door haarzelf is gepind en dat de overige drie stortingen leningen betroffen. Uit de bankafschriften blijkt niet van een samenhang tussen een eerdere opname van een bedrag van € 900,- en deze twee gestorte bedragen. Ook als sprake zou zijn van een lening, dan kan dit appellante niet baten. Appellante kon vrijelijk beschikken over deze bedragen en een geldlening is in artikel 32, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat ontvangen geldbedragen van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Uitspraak



19 4981 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 31 mei 2022

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

21 oktober 2019, 19/599 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Beesel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Haacke, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2021. Appellante, bijgestaan door mr. Haacke en [naam], heeft via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college is niet verschenen.

Na de zitting is het de Raad gebleken dat namens het college een verzoek was ingediend om via videobellen deel te nemen aan de zitting. De Raad heeft het onderzoek heropend om het college in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van het verhandelde ter zitting en zo nodig daarop te reageren. Het college heeft niet gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 28 januari 2009 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellante heeft in het kader van een heronderzoek bankafschriften overgelegd over de periode van 19 januari 2015 tot en met 31 maart 2018. Daarop zijn diverse stortingen zichtbaar. Op 27 juni 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden. Appellante heeft ten aanzien van de stortingen een verklaring overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 juli 2018.

1.3.

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft het college bij besluit van 17 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2019 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2017 tot en met 31 juli 2018 (periode in geding) herzien, de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.631,92 van appellante teruggevorderd en een bedrag van € 180,- verrekend met de aan appellante te verstrekken bijstand over de maand juli 2018. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van vijf stortingen op haar bankrekening. De bedragen van de stortingen moeten als inkomsten in aanmerking worden genomen en op de bijstand in mindering worden gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat in de periode in geding op de bankrekening van appellante vijf stortingen hebben plaatsgevonden in vijf verschillende maanden, variërend van een bedrag van € 180,- tot een bedrag van € 650,-.Voorts is niet in geschil dat appellante de stortingen niet heeft gemeld bij het college.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW .

4.3.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de eerste twee stortingen in juli 2017 en augustus 2017 van € 500,- en € 520,- geld betreffen dat eerder door haarzelf is gepind. Uit de bankafschriften blijkt niet van een samenhang tussen een eerdere opname van een bedrag van € 900,- en deze twee gestorte bedragen. De inkomensbron van de stortingen is daardoor onduidelijk.

4.4.

Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de overige drie bedragen zijn gestort met geleend geld. De door appellante in bezwaar overgelegde verklaring van een vriendin dat zij appellante meerdere malen geld heeft geleend, is onvoldoende specifiek. Bovendien, ook al zou sprake zijn van een lening, dan kan dit appellante niet baten. Appellante kon vrijelijk beschikken over deze bedragen en een geldlening is in artikel 32, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Het college heeft de stortingen dan ook terecht als inkomen in aanmerking genomen en op de bijstand in mindering gebracht.

4.5.

De beroepsgrond dat het appellante niet bekend was dat zij leningen moest melden en dat daarom geen sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting, slaagt niet. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat ontvangen geldbedragen van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat appellante, zoals zij heeft gesteld, vaker geld heeft geleend en gestort op haar bankrekening en het college hieraan eerder geen gevolgen heeft verbonden, maakte niet dat appellante hieraan de conclusie kon verbinden dat zij geen melding hoefde te maken van de ontvangen geldbedragen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het college op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW verplicht was om de bijstand over de periode in geding te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.

4.7.

Appellante heeft nog aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellante kan om medische redenen niet in een eigen inkomen voorzien en heeft nooit de intentie gehad het college te benadelen. Door de terugvordering komt haar gezondheid nog verder in het gedrang. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

4.8.

Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk moeten maken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld. Zij heeft de gestelde medische situatie niet onderbouwd. Voorts heeft een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen bij de invordering. In de door appellante gestelde moeilijke financiële situatie heeft het college ook geen aanleiding hoeven zien tot het aannemen van een dringende reden. Appellante heeft bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering .

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2022.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) B. Beerens


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature