< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en terugvordering van bijstand en boete. Marktplaatshandel. Geen grove schuld.

De hoger beroepsgrond dat de rechtbank partijdig was en haar macht heeft misbruikt slaagt niet. Appellant had de handel op Marktplaats en de opbrengst daaruit aan het college moeten melden, maar heeft dat niet gedaan. Door de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand van appellant niet worden vastgesteld. De intrekking en terugvordering zijn terecht. Het college heeft de boete op een te hoog bedrag vast gesteld. Het college heeft grove schuld bij appellant niet aangetoond. De gedragingen van appellant zijn wel als normaal verwijtbaar aan te merken. Gezien de draagkracht van appellant moet de hoogte van de boete vervolgens worden gematigd en worden vastgesteld op twaalf maal 5% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

Uitspraak



20/2322 PW en 20/2451 PW

Datum uitspraak: 23 mei 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juni 2020, 19/6171, 20/929 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellant heeft gereageerd op het verweerschrift en ook nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2022. Appellant heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L.G. Röst.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om de intrekking en terugvordering van aan appellant verleende bijstand en om een boete die aan hem is opgelegd. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden die daarbij van belang zijn.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 mei 2010 bijstand van het college, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat ingeschreven in de basisregistratie personen op een adres in [woonplaats]. Zijn vriendin (X) en de vier kinderen van X en appellant staan op een ander adres in [woonplaats] ingeschreven.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau van 17 december 2018 dat appellant vermogen heeft in de vorm van een motorvoertuig heeft een medewerker handhaving van Meerinzicht Domein Sociaal voor de gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

1.2.1.

De medewerker heeft dossier- en internetonderzoek gedaan, registers geraadpleegd en gegevens van [Naam B.V.] B.V. ([Naam B.V.]) ontvangen en onderzocht.

1.2.2.

Bij brief van 16 mei 2019 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 23 mei 2019. Tijdens het gesprek zijn de bankafschriften van appellant over de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 april 2019 gedownload en afgedrukt.

1.2.3.

Bij brief van 28 mei 2019 heeft het college appellant gevraagd uiterlijk op 14 juni 2019 bankafschriften over de periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 in te dienen en objectieve en controleerbare gegevens te tonen om aannemelijk te maken hoe hij sinds 1 januari 2018 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

1.2.4.

Bij besluit van 19 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 oktober 2019 (bestreden besluit 1), heeft het college het recht op bijstand van appellant vanaf 15 juni 2019 opgeschort op de grond dat hij de in de brief van 28 mei 2019 gevraagde gegevens niet had ingeleverd. Het college heeft appellant daarbij uitgenodigd voor een gesprek op 25 juni 2019 en meegedeeld dat hij de in 1.2.3 bedoelde gegevens moest meenemen naar dat gesprek.

1.2.5.

Tijdens het gesprek op 25 juni 2019 zijn de bankafschriften van maart 2018 tot en met november 2018 gedownload en afgedrukt. Appellant heeft de overige in 1.2.3 bedoelde gegevens niet ingeleverd.

1.2.6.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 juli 2019.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 6 augustus 2019 de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2018 in te trekken en bij besluit van 6 september 2019 de over de periode van 1 mei 2018 tot en met 14 juni 2019 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.753,28 van appellant terug te vorderen. Beide besluiten zijn, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 6 februari 2020 (bestreden besluit 2). Op de zitting heeft het college toegelicht dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van verkopen via [Naam B.V.] en de daaruit genoten inkomsten. Omdat appellant van de verkoopactiviteiten op [Naam B.V.] geen boekhouding heeft bijgehouden en hij ook niet op een andere manier aannemelijk heeft gemaakt welke inkomsten hij uit die verkoop heeft verkregen, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Op een nieuwe bijstandsaanvraag van appellant heeft het college hem met ingang van 19 augustus 2019 weer bijstand verleend.

1.5.

Bij besluit van 24 september 2019, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 2, heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 1.854,75. Het college heeft aan de boete ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet door te geven dat hij verkoopactiviteiten op [Naam B.V.] verrichtte. Het college is uitgegaan van grove schuld en heeft de hoogte van de boete berekend op 75% van het netto benadelingsbedrag en de boete vervolgens gematigd in verband met de draagkracht van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Beoordeling van het hoger beroep

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Partijdigheid, discriminatie en machtsmisbruik

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank partijdig was en haar macht heeft misbruikt. De rechtszaak was volgens hem niet eerlijk omdat er geen hoor en wederhoor is toegepast, en de opgestuurde bewijsstukken en argumenten niet zijn meegenomen.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant is op de zitting van de rechtbank via een videoverbinding gehoord. Zijn stelling dat hij op enig moment in zijn betoog is onderbroken betekent niet dat de rechtbank partijdig was of haar macht heeft misbruikt. Dat de rechtbank bewijsstukken ten onrechte buiten de beoordeling van het beroep heeft gelaten is niet gebleken; anders dan appellant meent waren de totaalbedragen die hij op enig moment contant en op zijn bankrekening had niet van betekenis voor de beoordeling van het beroep. In de aangevallen uitspraak en het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is geen steun te vinden voor het verwijt van appellant dat de rechtbank op de door hem genoemde punten onjuist heeft gehandeld of oneerlijk is geweest. Het is vervelend dat de behandeling door de rechtbank voor appellant voelt als discriminatie, zoals hij stelt, maar er zijn geen aanwijzingen dat de rechtbank op enig punt een onrechtmatig onderscheid heeft gemaakt bij de behandeling van zijn beroep.

Opschorting

4.3.

Appellant heeft over de opschorting aangevoerd dat hij de gevraagde bankafschriften al op 16 mei 2019 bij het college heeft ingeleverd en dat het college dus niet bevoegd was om zijn recht op bijstand op te schorten.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt ook niet. In het verslag van het gesprek van 25 juni 2019 staat dat het college de bankafschriften van appellant over de periode vanaf 6 november 2018 al tijdens het gesprek van 23 mei 2019 heeft ingezien. Maar uit de beschikbare gegevens blijkt dat hij niet uiterlijk op 14 juni 2019 bankafschriften over de periode van 1 januari 2018 tot 6 november 2018 bij het college heeft ingeleverd. Bankafschriften over die periode zijn pas tijdens het gesprek op 25 juni 2019 – en dus na 14 juni 2019 – gedownload en afgedrukt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij al eerder bankafschriften vanaf 1 januari 2018 had overgelegd.

Intrekking en terugvordering

4.5.

De intrekking moet worden beoordeeld voor de periode van 1 mei 2018, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 6 augustus 2019, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.6.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom moet in beginsel de bijstandverlenende instantie aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen, in dit geval vooral over de gestelde verkoopactiviteiten van appellant op [Naam B.V.] en de daaruit voortvloeiende inkomsten.

4.7.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet op [Naam B.V.] heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.

4.7.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5987) is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, maar de verkopen en de daaruit verkregen inkomsten moeten wel tijdig worden gemeld bij de bijstandverlenende instantie. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat dat in beginsel niet behoeft te worden gemeld. Maar andere verkoopactiviteiten en de opbrengst daaruit moeten wel worden gemeld.

4.7.2.

Anders dan appellant stelt is van incidentele verkoop van privégoederen in dit geval geen sprake. Alleen al niet omdat appellant zo veel goederen, waaronder auto’s, boten en laptops, via [Naam B.V.] heeft verkocht, dat hij daarvan al zijn boodschappen kon betalen. Dat dit zo was heeft appellant zelf verteld in de gesprekken op 23 mei 2019 en 25 juni 2019. Hij heeft toen niet gesteld dat het alleen om verkoop van privé-goederen ging.

4.7.3.

De stelling van appellant dat veel van de advertenties herhalingen waren maakt geen verschil. Volgens vaste rechtspraak doet de herhaling van advertenties aan het karakter van handel niet af. Vergelijk de uitspraak van 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:729. Wel is het zo dat daardoor minder goederen zijn aangeboden dan op het eerste gezicht uit de hoeveelheid advertenties is op te maken, maar de herhaling past juist bij handel.

4.7.4.

Appellant stelt dat niet hij, maar X de advertenties heeft geplaatst. Deze stelling is niet aannemelijk. Dat de verkoopadvertenties op [Naam B.V.], op vier na, op naam van X stonden en dat haar telefoonnummer in die advertenties stond wil nog niet zeggen dat het verkoopactiviteiten van X waren. Appellant gebruikte namelijk in de te beoordelen periode dat telefoonnummer. Hij heeft dit zelf in het gesprek op 23 mei 2019 verteld en hij heeft dit telefoonnummer ook op diverse voor het college bestemde aanvraagformulieren genoemd als het door hem gebruikte nummer. Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3513) volgt dat verkoopactiviteiten in beginsel worden toegerekend aan de persoon die het in de advertenties vermelde telefoonnummer gebruikt. Ook uit de bankafschriften van appellant is af te leiden dat de advertenties van hem waren. Daarop is namelijk te zien dat [Naam B.V.] in deze periode 21 keer een bedrag van de bankrekening van appellant heeft afgeschreven en appellant heeft tijdens het gesprek op 25 juni 2019 gezegd dat dit de kosten zijn voor het plaatsen van de advertenties.

4.8.

Appellant had de handel op [Naam B.V.] en de opbrengst daaruit dus aan het college moeten melden, maar heeft dat niet gedaan. Appellant heeft gesteld dat hij de verkoop van een auto die ouder was dan acht jaar niet hoefde te melden, omdat hij die auto heeft ingeruild voor een andere auto die ouder was dan acht jaar. Deze stelling baat appellant niet. Ook als de verkoop van die auto buiten beschouwing wordt gelaten heeft appellant namelijk de inlichtingenverplichting geschonden door de overige verkoopactiviteiten niet te melden. Het college heeft zich dus op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.9.

Appellant heeft niet met concrete en controleerbare gegevens inzichtelijk gemaakt hoeveel inkomsten hij met zijn verkopen heeft verkregen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat door de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het college verplicht was om de bijstand van appellant in te trekken over de te beoordelen periode. Dit brengt mee dat het college ook verplicht was om de kosten van de verleende bijstand van hem terug te vorderen.

Boete

4.11.

Uit 4.7 en 4.8 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn verkoopactiviteiten en de opbrengst daaruit. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarmee staat vast dat de schending van de inlichtingenverplichting appellant kan worden verweten. Het college was daarom verplicht een boete op te leggen.

4.12.

Een beboetbare gedraging leidt bij normale verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Dat is het bedrag van de kosten van de ten onrechte verleende bijstand, hier het bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld. Het college is ervan uitgegaan dat appellant grove schuld kan worden verweten. Maar van grove schuld kan alleen worden gesproken als de handelwijze van de belanghebbende als een laakbare, aan opzet grenzende nalatigheid moet worden gekwalificeerd. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:13). Het college moet aantonen dat de verzwarende omstandigheid van grove schuld zich voordoet.

4.13.

Het college heeft grove schuld bij appellant niet aangetoond. Anders dan het college meent is uit de omstandigheid dat appellant met de opbrengsten van de verkoopactiviteiten (gedeeltelijk) in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien niet af te leiden dat appellant grove schuld heeft aan de schending van de inlichtingenverplichting. Hieruit volgt namelijk niet dat appellant zijn activiteiten met een aan opzet grenzende nalatigheid voor het college heeft verzwegen. Dit volgt ook niet uit het feit dat hij bij de advertenties het telefoonnummer van X heeft vermeld, zoals het college heeft aangevoerd. Daarvoor zijn namelijk andere verklaringen denkbaar.

4.14.

De gedragingen van appellant zijn wel als normaal verwijtbaar aan te merken. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807) is in dat geval niet 75% maar 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid. Gezien de draagkracht van appellant moet de hoogte van de boete vervolgens worden gematigd en worden vastgesteld op twaalf maal 5% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Een boete van € 655,03 (twaalf maal 5% van € 1.091,71) is hier daarom passend en geboden.

4.15.

Wat in 4.14 is overwogen heeft de rechtbank niet onderkend. Het hoger beroep slaagt dan ook. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. De Raad zal de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank maar zelf uitspraak doen op het beroep tegen bestreden besluit 2. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en het besluit van 24 september 2019 in zoverre herroepen. Met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad de boete vaststellen op € 655,03.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 541,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift tegen de boete) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep tegen het besluit van 6 februari 2020 ongegrond is verklaard;

verklaart het beroep tegen het besluit van 6 februari 2020 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;

herroept het besluit van 24 september 2019 voor zover het de hoogte van de boete betreft;

stelt het bedrag van de boete vast op € 655,03 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 februari 2020;

veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 541,-;

bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.F. Claessens en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van J. Oosterveen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2022.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J. Oosterveen


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature