< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om terug te komen van in rechte vaststaand besluit. Toetsingskader. Afwijzing herzieningsverzoek niet evident onredelijk. De rechtbank moest beoordelen of het besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk was. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat beoordeeld moet worden of de oorspronkelijke besluiten evident onredelijk zijn en daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd. Als gevolg daarvan heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het dagelijks bestuur nader moest onderzoeken of de oorspronkelijke besluiten evident onredelijk zijn. Gelet op alle in aanmerking te nemen belangen leidt wat betrokkene heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het besluit om het herzieningsverzoek af te wijzen evident onredelijk is. Als een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, dan kan dat worden betrokken bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Maar voor zover betrokkene heeft willen betogen dat de oorspronkelijke besluiten onmiskenbaar onjuist zijn, treft dat betoog geen doel.

Uitspraak



20 810 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 januari 2020, 19/1824 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 23 mei 2022

PROCESVERLOOP

Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft drs. E. Groeneweg een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2022. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door drs. E. Groeneweg. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. Ottelander.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het dagelijks bestuur had moeten terugkomen van eerder genomen besluiten tot intrekking en terugvordering van de aan betrokkene verleende bijstand. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Wat voorafging aan de deze procedure

1.1.

Betrokkene was vanaf 1994 zelfstandig ondernemer. Na beëindiging van zijn onderneming ontving hij samen met zijn partner (X) met ingang van 7 maart 1997 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (college). Het college was de rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur.

1.2.

Bij besluit van 5 april 2004 heeft het college de bijstand van betrokkene en X met ingang van 1 januari 2004 ingetrokken op de grond dat zij hadden verzuimd de nodige inlichtingen te verstrekken. Tegen dat besluit hebben betrokkene en X geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 10 mei 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 december 2004, heeft het college de bijstand van betrokkene en X over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2003 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van betrokkene en X teruggevorderd tot een bedrag van € 90.842,07. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene een woning en twee kavels grond in Frankrijk in eigendom had en daarover onvoldoende informatie heeft verstrekt zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

De toenmalige rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 3 januari 2006 het beroep tegen het besluit van 10 december 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat het ten onrechte was gebaseerd op de Abw in plaats van op de Wet werk en bijstand. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat het standpunt van het college dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting had geschonden wel juist was.

1.5.

Tegen die uitspraak heeft betrokkene hoger beroep ingesteld. In die procedure heeft het college nadere stukken ingebracht en zijn standpunt op grond van die stukken gewijzigd. Het gewijzigde standpunt houdt in dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet te informeren over zijn activiteiten als zelfstandige. Die activiteiten bleken volgens het college uit het feit dat betrokkene op 19 mei 1999 een bouwvergunning had verkregen voor een bedrijfshal in [Plaats] , de aankoop door hem van een perceel grond voor fl. 184.240,- en de bouw van de bedrijfshal, terwijl niet duidelijk was hoe betrokkene dit hele project heeft kunnen financieren. Doordat betrokkene het college over dit alles niet heeft geïnformeerd was zijn recht op bijstand niet vast te stellen.

1.6.

De toenmalige gemachtigde van betrokkene (Y) heeft in zijn reactie op dit standpunt van het college gesteld dat het college het besluit van 10 december 2004 niet van een nieuwe grondslag kan voorzien en dat wat het college naar voren heeft gebracht over de bedrijfshal in [Plaats] onbesproken moet blijven.

1.7.

Voor zover hier van belang heeft de Raad bij uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9391, de rechtbankuitspraak van 3 januari 2006 vernietigd, omdat de rechtbank ten onrechte een door betrokkene ingediend taxatierapport over het vastgoed in Frankrijk buiten beschouwing had gelaten. Net als de rechtbank had gedaan heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 10 december 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Gelet op de grondslag van het besluit van 10 december 2004 kon naar het oordeel van de Raad de nadere invulling en onderbouwing van dat besluit door het college bij de beoordeling ervan worden betrokken. Betrokkene heeft geen concrete informatie verstrekt over de financiering van de grond en de bebouwing. Aangezien verdere gegevens ontbreken en betrokkene ook niet duidelijk heeft gemaakt in hoeverre hij van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2003 al dan niet als zelfstandige werkzaam is geweest, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over die periode niet worden vastgesteld.

Wat is voorgevallen in deze procedure

1.8.

Op 14 mei 2018 heeft betrokkene het dagelijks bestuur verzocht om ‘de eerdere besluiten’ te herzien. Hierbij heeft betrokkene er onder meer op gewezen dat hij destijds de door de Raad gevraagde informatie over de bouw van de bedrijfshal in [Plaats] heeft verstrekt aan Y, maar dat Y heeft gemeend dat deze informatie niet in het geding hoefde te worden gebracht. Achteraf gezien berustte dit op een volstrekt onjuiste juridische inschatting van de zaak door Y. Hierdoor is de zaak destijds voor betrokkene zeer nadelig afgelopen.

1.9.

Het dagelijks bestuur heeft aangenomen dat het herzieningsverzoek gaat over de besluiten van 5 april 2004, 10 mei 2004 en 10 december 2004. Bij besluit van 5 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 maart 2019 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur dit verzoek afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat betrokkene geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd en dat het niet evident onredelijk is om niet terug te komen van de eerdere besluiten. Dit laatste heeft het dagelijks bestuur als volgt toegelicht. Eventuele fouten die Y in de eerdere procedures heeft gemaakt komen voor rekening van betrokkene. Als die besluiten berusten op een verkeerde uitleg van bepaalde feiten betekent dit niet zonder meer dat het evident onredelijk is om die besluiten te handhaven. Bovendien had betrokkene die gestelde verkeerde uitleg ook in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 3 juli 2007 kunnen aanvoeren. Maar Y heeft er namens hem nadrukkelijk en bewust voor gekozen om bepaalde bewijsstukken daarover niet in het geding te brengen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat niet tussen partijen in geschil is dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, maar dat partijen wel van mening verschillen over de evidente onredelijkheid. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur op basis van wat nu is aangevoerd moet beoordelen of er destijds evident onredelijke besluiten zijn genomen. Het dagelijks bestuur heeft hierover volgens de rechtbank in het bestreden besluit ten onrechte geen inhoudelijk standpunt ingenomen. Verder is het dossier niet compleet. Aan de kant van het dagelijks bestuur ontbreken stukken, terwijl betrokkene ook niet alle gegevens heeft overgelegd. Omdat er nog een uitwisseling van stukken moet plaatsvinden wordt geen bestuurlijke lus toegepast.

3. In hoger beroep heeft het dagelijks bestuur zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd op de grond dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bestreden besluit niet berust op een beoordeling van de evidente onredelijkheid van de besluiten waarvan herziening is verzocht. Subsidiair heeft het dagelijks bestuur aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot een proceskostenveroordeling is gekomen. Betrokkene heeft verweer gevoerd. De standpunten van partijen worden hierna uiteengezet en besproken voor zover zij voor de beoordeling van belang zijn.

Beoordeling

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het toetsingskader

4.1.

Als de termijn waarbinnen tegen een besluit bezwaar, beroep of hoger beroep kan worden ingesteld ongebruikt is verstreken of als het gebruik van die rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van dat besluit, dan staat dat besluit in rechte vast. De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er daarom voor kiezen om een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit (oorspronkelijk besluit). Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

Het verzoek van betrokkene van 14 mei 2018 is erop gericht dat het dagelijks bestuur terugkomt van de besluiten van 5 april 2004, 10 mei 2004 en 10 december 2004, dus die besluiten herziet. Die besluiten stonden toen al in rechte vast. Het dagelijks bestuur heeft op het herzieningsverzoek van betrokkene op de vereenvoudigde manier afgedaan en beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb .

4.3.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het dagelijks bestuur zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraken van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.4.

Niet meer in geschil is dat betrokkene bij zijn herzieningsverzoek geen gegevens heeft vermeld die als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden beschouwd. Dat betekent dat de verwijzing naar het oorspronkelijke besluit de afwijzing van het herzieningsverzoek in beginsel kan dragen.

4.5.

Het geschil spitst zich ook in hoger beroep toe op de vraag naar de evidente onredelijkheid.

Het hoger beroep slaagt

4.6.

Wat het dagelijks bestuur aanvoert, komt er in de eerste plaats op neer dat de rechtbank niet juist heeft beoordeeld of sprake is van evidente onredelijkheid. Niet de evidente onredelijkheid van de oorspronkelijke besluiten staat ter beoordeling, maar die van de afwijzing van het herzieningsverzoek. Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft het dagelijks bestuur bij het nemen van het bestreden besluit wel bezien of dat besluit evident onredelijk is.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt. Zoals volgt uit 4.3 moest de rechtbank beoordelen of het besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk was. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat beoordeeld moet worden of de oorspronkelijke besluiten evident onredelijk zijn en daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd. Als gevolg daarvan heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het dagelijks bestuur nader moest onderzoeken of de oorspronkelijke besluiten evident onredelijk zijn.

4.8.

Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet te worden besproken. De Raad zal de zaak niet terug wijzen naar de rechtbank, maar zelf beoordelen of het bestreden besluit evident onredelijk is in het licht van wat betrokkene daarover in beroep heeft aangevoerd.

Het bestreden besluit is niet evident onredelijk

4.9.

Betrokkene heeft aangevoerd dat het bestreden besluit evident onredelijk is wegens strijd met het vertrouwensbeginsel. Hij heeft verwezen naar een brief van het college van 29 mei 1998, waaruit volgt dat zijn vermogen, dat negatief was, fors mocht groeien zonder verlies van zijn bijstandsuitkering. Hij heeft ook aangevoerd dat het besluit evident onredelijk is wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Bij de oorspronkelijke besluiten en de daarop gevolgde uitspraken is uitgegaan van een misvatting over het begrip borgstelling. Ook is niet onderkend dat zijn vakantiehuis in Frankrijk uiteindelijk slechts een waarde bleek te hebben van € 11.500,- en dat hij daarvoor ten onrechte zelf en op eigen kosten een taxateur heeft moeten inschakelen. Verder heeft hij over het project in [Plaats] gesteld dat hij heeft aangetoond dat er geen vermogensaanwas was en dat van 19 april 2000 tot 10 september 2003 beslag heeft gelegen op de grond en dat het project was gefinancierd door anderen.

4.10.

Gelet op alle in aanmerking te nemen belangen leidt wat betrokkene heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het besluit om het herzieningsverzoek af te wijzen evident onredelijk is.

4.10.1

Met wat hij heeft aangevoerd wil betrokkene in feite opnieuw een discussie voeren over de juistheid van de oorspronkelijke besluiten. Daarvoor is in deze procedure geen plaats omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gemeld. Tegen het besluit van 5 april 2004 is geen bezwaar gemaakt en de Raad heeft bij de uitspraak van 3 juli 2007 geoordeeld dat de besluiten van 10 mei 2004 en 10 december 2004 inhoudelijk gezien juist waren, in aanmerking genomen wat betrokkene in die procedure had aangevoerd. De discussie over die besluiten is daarmee beëindigd. Betrokkene had wat hij in de huidige procedure in beroep heeft aangevoerd ook in de vorige procedure in het hoger beroep naar voren kunnen brengen. Betrokkene stelt dat dit niet is gebeurd door een keuze van Y. Die keuze komt voor rekening en risico van betrokkene.

4.10.2.

Wat hiervoor staat neemt niet weg dat als een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is dat kan worden betrokken bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Maar voor zover betrokkene heeft willen betogen dat de oorspronkelijke besluiten onmiskenbaar onjuist zijn, treft dat betoog geen doel. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een dergelijk geval zich hier niet voordoet. De door betrokkene in beroep opgeworpen argumenten en overgelegde documenten roepen wel vragen op over bepaalde aspecten van de oorspronkelijke besluiten, maar dit maakt op zichzelf nog niet dat die besluiten onmiskenbaar onjuist zijn. Voor de beantwoording van de opgeworpen vragen is namelijk onderzoek op grond van nader in te dienen stukken nodig en de beantwoording van deze vragen is vatbaar voor discussie. De eventuele onjuistheid is dus niet onmiskenbaar. Anders dan betrokkene meent maakt alleen de mogelijkheid dat de oorspronkelijke besluiten inhoudelijk onjuist zijn nog niet dat het evident onredelijk is dat het dagelijks bestuur die besluiten niet herziet.

4.10.3.

Gelet op het belang van de rechtszekerheid kan ook het moment waarop een herzieningsverzoek is ingediend worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of het besluit tot afwijzing van dat verzoek evident onredelijk is. Het dagelijks bestuur heeft bij het bestreden besluit in aanmerking genomen dat betrokkene vanaf het moment van de uitspraak van de Raad van 3 juli 2007 bijna elf jaar heeft gewacht met het indienen van het herzieningsverzoek. Dit tijdsverloop is een aspect dat het dagelijks bestuur zwaar heeft mogen meewegen bij zijn besluit om het herzieningsverzoek af te wijzen. Betrokkene heeft wel gesteld dat het door persoonlijke omstandigheden voor hem niet mogelijk was eerder een herzieningsverzoek in te dienen, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daar vóór 14 mei 2018 in staat was.

Houding

4.11.

Betrokkene heeft tot slot naar voren gebracht dat volgens hem het dagelijks bestuur in deze zaak steeds formele argumenten hanteert om niet opnieuw met hem in gesprek te gaan over de oorspronkelijke besluiten en het menselijke aspect uit het oog verliest. Voor zover betrokkene hiermee heeft willen betogen dat het dagelijks bestuur zich inhoudelijk over de oorspronkelijke besluiten had moeten uitlaten, treft dat betoog geen doel. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het dagelijks bestuur het herzieningsverzoek met alleen een verwijzing naar de oorspronkelijke besluiten heeft mogen afwijzen. Het dagelijks bestuur mocht de oorspronkelijke besluiten ook inhoudelijk heroverwegen, maar was daartoe niet verplicht. Dat betrokkene het gesprek met het dagelijks bestuur over de oorspronkelijke besluiten wilde heropenen is begrijpelijk, maar is niet van het dagelijks bestuur te eisen.

Conclusie

4.12.

Uit 4.9 tot en met 4.11 volgt dat het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep tegen het besluit van 7 maart 2019 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.F. Claessens en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van J. Oosterveen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2022.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J. Oosterveen


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature