< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Appellante heeft in de kern aangevoerd dat zich in de loop der jaren gebeurtenissen hebben voorgedaan die afzonderlijk, maar in ieder geval in onderlinge samenhang bezien in objectieve zin als buitensporig zijn aan te merken en die ertoe hebben geleid dat zij PTSS heeft opgelopen. De Raad heeft in de gedingstukken echter geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat appellante door haar leidinggevende onheus is bejegend of dat gemaakte afspraken over salariëring en plaatsing op een andere functie bij het [A] niet zijn nagekomen. Evenmin blijkt uit de stukken dat haar integriteit in twijfel is getrokken. Appellante heeft met andere woorden niet aan de bewijslast voor buitensporige omstandigheden, die bij haar ligt, voldaan. Voor zover er met appellante niet (jaarlijks) functionerings- en beoordelingsgesprekken zijn gevoerd kan dit evenmin tot de conclusie leiden dat sprake was van buitensporige omstandigheden. Appellante heeft verder gesteld dat het college haar jarenlang heeft laten ‘zweven’ door haar geen passende functie of een vertrekregeling aan te bieden. Appellante kan hierin niet worden gevolgd. Gelet op het voorgaande ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het college tekort is geschoten in de begeleiding bij de ziekte en de reintegratiepogingen. Wat in 4.2.1 tot en met 4.2.3 is overwogen brengt de Raad tot de conclusie dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het college ten aanzien van appellante is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als werkgever en dat sprake is geweest van buitensporige in het werk of de werkomstandigheden gelegen factoren. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Uitspraak



21 802 AW

Datum uitspraak: 12 mei 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2021, 19/3546 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. C.J.M. Stubenrouch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. A.T. Bolt, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stubenrouch. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Lafeber (via videobellen), mr. T. Winkels en A. Ruijmgaart.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die v óór 1 januari 2020 zijn bekendgemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2021:1128). Hij volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellante was sinds 2010 vanuit de gemeente werkzaam bij de netwerkorganisatie [organisatie A] ([A]) in de functies van [functie 1] en [functie 2]. De werkzaamheden van het [A] en de functies van de gemeenteambtenaren die werkzaam waren bij het [A] zijn per 1 januari 2015 ondergebracht bij de Stichting [A]. Appellante heeft eind 2014 laten weten terug te willen keren naar de gemeente. Per 1 januari 2015 is appellante gestart met tijdelijke werkzaamheden in de functie van [functie 3] binnen de afdeling [afdeling 1], in afwachting van plaatsing op een andere, passende functie.

1.3.

Op 29 maart 2016 heeft appellante zich ziekgemeld. Op 12 juni 2017 heeft het UWV een deskundigenoordeel uitgebracht over de re-integratie inspanningen van het college als werkgever. Het oordeel luidt dat de re-integratie inspanningen van het college voldoende zijn.

1.4.

Bij besluit van 27 februari 2018 heeft het UWV geweigerd aan appellante een WIAuitkering toe te kennen. Uit het oordeel van de arts en de arbeidsdeskundige blijkt dat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante is 25,72% arbeidsongeschikt. In het daaraan ten grondslag liggende arbeidsdeskundig onderzoek van 12 februari 2018 zijn de re-integratie inspanningen van het college als voldoende beoordeeld.

1.5.

Bij besluit van 26 februari 2019 is aan appellante op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie met ingang van 29 maart 2019 ontslag wegens ziekte verleend als bedoeld in artikel 8:5 van de CAR-UWO.

1.6.

Bij brief van 12 april 2019 heeft appellante het college aansprakelijk gesteld voor de (gezondheids)schade die appellante heeft geleden door de schending van de zorgplicht en het college verzocht deze schade te vergoeden.

1.7.

Bij e-mailbericht van 28 juni 2019 heeft het college gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat er geen plicht bestaat tot schadevergoeding. Het college is niet tekortgeschoten in de zorgplicht en heeft ook niet op andere wijze onrechtmatig gehandeld jegens appellante.

1.8.

Bij brief van 12 juli 2019 heeft appellante de rechtbank verzocht om het college met toepassing van artikel 8:88 van de van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door haar geleden materiële en immateriële schade. Appellante stelt deze schade te hebben geleden als gevolg van schending van de zorgplicht door het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het door appellante gestelde gedrag van een voormalig leidinggevende en voor haar stelling dat aan haar een vertrekregeling zou zijn aangeboden. Verder stelt de rechtbank vast dat appellante tegen het ontslagbesluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend, zodat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van dit besluit. Hierom volgt de rechtbank appellante niet in haar stelling dat zij mede gelet op haar leeftijd en haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid onvrijwillig in een situatie van werkloosheid terecht is gekomen. Aannemelijk is dat er in de loop der jaren omstandigheden zijn geweest die ertoe hebben geleid dat de verhouding tussen partijen is geschaad, waarbij de arbeidsongeschiktheid van appellante een complicerende factor is geweest. Uit de gedingstukken volgt ook dat deze omstandigheden een negatieve invloed hebben gehad op de re-integratie van appellante. Dat deze gebeurtenissen op zichzelf of in hun onderlinge samenhang bezien het college kunnen worden verweten of in objectieve zin als buitensporig aangemerkt moeten worden, is de rechtbank niet gebleken. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat het college zijn zorgplicht heeft geschonden en dat er geen grond bestaat om het college te veroordelen in de door appellante gestelde schade.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft in de kern aangevoerd dat zich in de loop der jaren gebeurtenissen hebben voorgedaan die afzonderlijk, maar in ieder geval in onderlinge samenhang bezien in objectieve zin als buitensporig zijn aan te merken en die ertoe hebben geleid dat zij PTSS heeft opgelopen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraken van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98) heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat – voor zover hier van belang – indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen.

4.1.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:930) ziet de zorgplicht van het bestuursorgaan ook op het voorkomen van werkomstandigheden die psychisch ziekmakend zijn. Daarbij kan niet van het bestuursorgaan worden verlangd dat het de ambtenaar op voorhand bescherming biedt tegen alle denkbare wrijvingen en (samenwerkings)problemen die zich op de werkvloer kunnen voordoen. De in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren die de schade zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de gestelde schade in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die – objectief bezien – een buitensporig karakter dragen in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat dergelijke buitensporige in het werk of de werkomstandigheden gelegen factoren zich voordoen. Pas als die vraag bevestigend wordt beantwoord komt de vraag aan de orde of er een oorzakelijk verband bestaat tussen het werk of die werkomstandigheden en de psychische schade (uitspraak van 1 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1252).

4.2.1.

Appellante heeft gesteld dat haar toenmalige leidinggevende bij het [A] herhaaldelijk denigrerende en intimiderende opmerkingen heeft gemaakt en dat hiertegen niet is opgetreden. Ook heeft zij gesteld dat afspraken over een passende salariëring en functie bij het [A] niet zijn nagekomen. Appellante heeft er hierbij op gewezen dat er in de jaren bij het [A] vanuit de gemeente nooit functionerings- en beoordelingsgesprekken met haar zijn gevoerd. Verder heeft appellante gesteld dat haar integriteit in twijfel is getrokken, met name in een gesprek op 21 maart 2016. De Raad heeft in de gedingstukken echter geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat appellante door haar leidinggevende onheus is bejegend of dat gemaakte afspraken over salariëring en plaatsing op een andere functie bij het [A] niet zijn nagekomen. Evenmin blijkt uit de stukken dat haar integriteit in twijfel is getrokken. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante haar stellingen enkel baseert op de door haar zelf geschreven weergave van de gebeurtenissen. Dit is, gelet op de betwisting van die gebeurtenissen door het college, onvoldoende om te kunnen vaststellen dat die gebeurtenissen metterdaad hebben plaatsgevonden en in het verlengde daarvan dat zich buitensporige omstandigheden hebben voorgedaan. Appellante heeft met andere woorden niet aan de bewijslast hiervoor, die bij haar ligt, voldaan. Voor zover er met appellante niet (jaarlijks) functionerings- en beoordelingsgesprekken zijn gevoerd kan dit evenmin tot de conclusie leiden dat sprake was van buitensporige omstandigheden. De CARUWO, zoals deze toentertijd gold, bevat geen verplichting tot het houden van functionerings- en beoordelingsgesprekken.

4.2.2.

Appellante heeft verder gesteld dat het college haar jarenlang heeft laten ‘zweven’ door haar geen passende functie of een vertrekregeling aan te bieden. Appellante kan hierin niet worden gevolgd. Appellante is met ingang van 1 januari 2015 bovenformatief geplaatst in de functie van [functie 3] binnen de afdeling [afdeling 1] nadat zij er eind 2014 voor heeft gekozen om naar de gemeente terug te keren. Tegelijkertijd heeft zij in 2015 deelgenomen aan een traject bij Cap Talent. In 2016 zijn aan appellante in totaal 5 functies aangeboden, te weten de functie van Management Assistent bij de afdeling [afdeling 2], de functie van Servicedesk Medewerker bij de afdeling [afdeling 2], de functie van Management Assistent bij het [afdeling 3], de functie van Management Assistent/Ondersteuning Administratie bij de unit [unit] en de functie van [functie 3] bij het College-/[afdeling 3]. Appellante heeft niet gemotiveerd waarom deze functies, in het licht van haar bovenformatieve status, niet passend zouden zijn. Uit de gedingstukken blijkt verder niet dat aan appellante een concreet aanbod tot een vertrekregeling is gedaan. Dat mogelijk een eventuele vertrekregeling is genoemd als optie is niet als een concreet aanbod aan te merken en maakt niet dat het college gehouden zou zijn om een aanbod te doen.

4.2.3.

Appellante heeft over de periode na haar ziekmelding aangevoerd dat zij onder druk is gezet om contact op te nemen over een passende functie of om enkele uren per dag te komen werken. Verder vonden er thuisbezoeken plaats en werd zij structureel thuis gebeld terwijl zij ziek was. Verder heeft zij gesteld dat het college afspraken om de re-integratie op te starten niet is nagekomen, onvoldoende heeft meegewerkt aan het traject bij Skils en het arbeidsdeskundig onderzoek van Adviesbureau Oosterhuis ten onrechte heeft gevolgd. Ook hierin volgt de Raad appellante niet. Uit de gedingstukken blijkt dat het college in het kader van zijn verplichtingen om appellante te begeleiden bij het ziekteverzuim heeft getracht contact te houden met appellante, waarbij rekening is gehouden met haar wensen. De verzuimgesprekken zijn aanvankelijk in overleg met appellante thuis gevoerd en vervolgens op een neutrale locatie. Op het moment dat appellante te kennen gaf dat zij deze gesprekken in persoon te belastend vond, hebben de gesprekken, na overleg met de bedrijfsarts, telefonisch plaatsgevonden. Niet gebleken is dat het college appellante hierbij onder druk heeft gezet. Verder heeft de bedrijfsarts in mei 2016 vastgesteld dat appellante op dat moment nog geen benutbare mogelijkheden had maar dat herstel binnen 2 tot 5 maanden te verwachten was. In overleg met de bedrijfsarts is in augustus 2016 gestart met een behandeltraject bij Skils, ter voorbereiding op de start van de re-integratie. In dit traject heeft appellante in december 2016 medegedeeld dat zij niet wil terugkeren naar de gemeente. Vervolgens heeft de bedrijfsarts geadviseerd om een extern belastbaarheidsonderzoek te laten verrichten om daarna op basis van de vastgestelde beperkingen en mogelijkheden nader arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten naar de re-integratiemogelijkheden. Op 13 maart 2017 is een rapportage uitgebracht van het door Ergatis uitgevoerde belastbaarheidsonderzoek. Vervolgens is op 10 april 2017 een rapportage uitgebracht van het door Adviesbureau Oosterbroek uitgevoerde arbeidsdeskundig onderzoek. Op basis daarvan heeft het college besloten de re-integratie te richten op werkhervatting buiten de eigen werkgever. In een deskundigenoordeel van 9 juni 2017 heeft de arbeidsdeskundige van het UWV de tot 1 mei 2017 verrichte re-integratie inspanningen van het college als voldoende beoordeeld. Bij dit oordeel heeft de arbeidsdeskundige van het UWV betrokken dat het college het voorstel van Skils voor extra coaching niet heeft overgenomen. Verder worden in het deskundigenoordeel de conclusies van de arbeidsdeskundige van Adviesbureau Oosterbroek onderschreven. Vanaf 20 juni 2017 tot en met 19 december 2017 heeft appellante een re-integratietraject 2e spoor gevolgd bij Regenius. In een arbeidsdeskundig rapport van 12 februari 2018 heeft het UWV de re-integratie inspanningen van het college opnieuw als voldoende beoordeeld. Hierbij is overwogen dat het college een adequaat traject 2e spoor heeft ingezet. Gelet op het voorgaande ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het college tekort is geschoten in de begeleiding bij de ziekte en de reintegratiepogingen.

4.3.

Wat in 4.2.1 tot en met 4.2.3 is overwogen brengt de Raad tot de conclusie dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het college ten aanzien van appellante is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als werkgever en dat sprake is geweest van buitensporige in het werk of de werkomstandigheden gelegen factoren. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2022.

(getekend) H. Lagas

(getekend) L.C. van Bentum


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature