E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2022:1036
Centrale Raad van Beroep, 21/1103 AOW

Inhoudsindicatie:

Verzoek om herziening van de weigering appellante toe te laten tot de vrijwillige AOW-verzekering, ten onrechte afgewezen. Appellante wordt gevolgd in haar standpunt dat sprake is van een bijzonder geval waarin overschrijding van de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering verschoonbaar moet worden geacht. De verzekeringsrechtelijke positie van appellante vloeide voort uit de toepassing van internationale bepalingen. Op grond van de uitspraken van de CRvB van 6 juni 2016 mocht appellante ervan uitgaan dat zij gedurende haar werkzaamheden in het kader van de mini -job verzekerd was voor de AOW (ECLI:NL:CRVB:2016:2144, ECLI:NL:CRVB:2016:2145 en ECLI:NL:CRVB:2016:3054). De periode liep tot 1 augustus 2019. Voordien, op 30 juni 2019, heeft appellante haar aanvraag al ingediend. Nadien, op 19 september 2019, heeft het Hof anders beslist en bleek dat Duitsland het voor de sociale zekerheid aangewezen land is. Gezien het feit dat pas na het herhaaldelijk in dezelfde procedure stellen van prejudiciële vragen aan het Hof – eerst door de Raad met als resultaat de uitspraken van 6 juni 2016 en vervolgens door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:126 en 127) – duidelijkheid is gekomen over de uitleg van de aanwijsregels van Vo 883/2004 wanneer iemand in Nederland woont en in Duitsland werkzaam is in een mini-job, is naar het oordeel van de Raad sprake van voldoende bijkomende omstandigheden.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie