< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Het college heeft de functie [functie B] van appellant op goede gronden met ingang van 1 januari 2016 ingedeeld in de HR21-normfunctie [naam normfunctie], functieschaal 10. Voor een indeling in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel bestaat geen aanleiding.

Uitspraak



21 254 AW

Datum uitspraak: 28 april 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 december 2020, 19/3463 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. drs. M.P. Korevaar, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2022. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Korevaar en A.M. Pepping-van Hoek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die v óór 1 januari 2020 zijn bekendgemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Appellant is werkzaam bij de gemeente Stadskanaal .

1.3.

In 2016 heeft het college HR21 ingevoerd als functiewaarderingssysteem. Het betreft een technische omzetting waarbij functies vanuit het vorige functiewaarderingssysteem één op één zijn overgezet naar het nieuwe HR21-systeem. Voor de functiegroep van adviesfuncties binnen de afdeling [afdeling] was het niet mogelijk om deze technische omzetting op korte termijn te laten plaatsvinden. Om die reden is toen besloten om de adviesfuncties uit de technische overgangsronde te halen en mee te nemen in de aansluitende onderhoudsronde HR21, waarin die functies definitief beschreven, ingedeeld en gewaardeerd worden.

1.4.

Na daartoe een voornemen aan appellant kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 21 december 2018 de functie van [functie B] met ingang van 1 januari 2016 ingedeeld in de HR21normfunctie [naam normfunctie] , functieschaal 10. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting in bezwaar is geconstateerd dat sprake is van twee functiebeschrijvingen die op één onderdeel van elkaar verschillen, betreffende één extra omschreven specifieke taak.

1.5.

Bij besluit van 21 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, voor zover een incomplete versie van de functiebeschrijving is gebruikt, en voor het overige ongegrond.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, oordeelt de Raad als volgt.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2652) is de rechterlijke toetsing bij de inpassing in een generieke functie terughoudend. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden inpassing niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat inpassing in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel op zichzelf verdedigbaar is.

3.2.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn functie niet is ingedeeld, omdat hij werkzaam is in de functie van [functie] , zonder de toevoeging “B”. Dit betoog slaagt niet. Ter zitting heeft het college toegelicht dat appellant besluiten heeft ontvangen waarin is vermeld dat hij is aangesteld in de functie van [functie B] . Appellant heeft niet betwist dat hij tegen deze besluiten geen bezwaar heeft gemaakt. Daarmee staat onherroepelijk vast dat appellant is aangesteld in de functie van [functie B] .

3.3.

Verder heeft appellant aangevoerd dat zijn functie moet worden ingedeeld in een hogere HR21-normfunctie. Dit betoog slaagt niet. Voor een indeling in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel bestaat geen aanleiding. De Raad overweegt hiertoe als volgt.

3.3.1.

Uit de functiebeschrijving van de naast hogere functie van [functie A] blijkt dat deze, in tegenstelling tot een [functie B] , het bestuur en de directie adviseert over en ondersteunt bij strategische en/of complexe bestuurlijke-juridische zaken. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat hij het bestuur op operationeel niveau adviseert. Hierdoor zijn de functies van [functie] A en B niet van eenzelfde niveau.

3.3.2.

Naar aanleiding van de constatering in bezwaar dat de gebruikte functiebeschrijving van [functie B] incompleet is, heeft de toetsingscommissie op 2 juli 2019 opnieuw naar de functies gekeken en geconcludeerd dat inachtneming van de volledige functiebeschrijving niet leidt tot een andere HR21-indeling. De indeling van de functie van appellant berust, mede gelet op de indelingsmotivering en het advies van de toetsingscommissie van 13 november 2018, op voldoende gronden.

3.4.

Gelet op wat in 3.3.2 is overwogen, volgt de Raad appellant niet in zijn stelling dat bij de indeling sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding dan wel ondeugdelijke motivering.

3.5.

Ook heeft appellant, onder verwijzing naar de Procedureregeling functiebeschrijving en waardering Stadskanaal 2015 (Procedureregeling), aangevoerd dat de ingangsdatum van 1 januari 2016 ondeugdelijk is gemotiveerd. Dit betoog slaagt niet. In de Procedureregeling is niet vermeld per welke datum indeling in een HR21-normfunctie moet plaatsvinden.

3.6.

Voor zover appellant nog heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen, slaagt dit niet nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit.

3.7.

Uit 3.1 tot en met 3.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2022.

(getekend) H. Lagas

(getekend) L.C. van Bentum


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature