< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Immateriële schadevergoeding. Gelet op wat is overwogen in 5.3 is het aannemelijk dat appellant als gevolg van het onrechtmatige besluit van 25 juni 2015 geestelijk letsel heeft ondervonden dat gezien de omstandigheden van dit geval als een aantasting van de persoon moet worden aangemerkt. Gelet op de omschreven feiten en omstandigheden acht de Raad de door het Uwv geboden vergoeding van € 2.500,- echter billijk. Dit psychisch leed is dus niet alleen toe te schrijven aan de onrechtmatige besluitvorming van het Uwv en kan daarom niet geheel aan het Uwv worden toegerekend. Gelet ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in meer of meer vergelijkbare gevallen zijn en plegen te worden toegekend, waarvan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak enkele voorbeelden zijn genoemd, ziet de Raad met de rechtbank geen aanleiding voor een hoger bedrag.

Buitengerechtelijke kosten. Niet kan worden gezegd dat het Uwv het onrechtmatige besluit tegen beter weten in heeft genomen. Er doet zich dus niet voor de genoemde uitzondering waarbij gemaakte kosten voor het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. Het Uwv is bereid een bedrag van € 1.275,- aan buitengerechtelijke kosten te voldoen. Appellant is hiermee niet tekortgedaan. De door appellant aangevoerde grond dat de rechtbank ten onrechte het door het Uwv aangeboden bedrag van € 1.275,- aan buitengerechtelijke kosten heeft toegekend als proceskostenveroordeling slaagt.

Slotsom. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en het Uwv wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een netto bedrag van € 2.500,- voor immateriële schade en een bedrag van € 1.275,- voor buitengerechtelijke kosten. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de schadevergoeding wordt toegewezen. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Uitspraak



20 676 BESLU

Datum uitspraak: 21 april 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord- Holland van 8 januari 2020, 19/1746 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.S. Eisenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en door mr. Eisenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.I. Gerards, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 17 november 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Bij besluit van 25 juni 2015 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, het bezwaar van de voormalige werkgever gegrond verklaard en het besluit van 13 februari 2015 herzien in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 17 november 2014 vastgesteld wordt op 43,29%. Bij uitspraken van 3 juli 2017 heeft de rechtbank het beroep van appellant en werkgever tegen het besluit van 25 juni 2015 gegrond verklaard, het besluit van 25 juni 2015 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het Uwv heeft tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 juni 2018 heeft de Raad de uitspraken van 3 juli 2017 bevestigd.

1.2.

Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 28 juni 2018 heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2018 aan appellant met ingang van 17 november 2014 een IVA-uitkering toegekend.

1.3.

Appellant heeft bij brief van 21 november 2018 het Uwv verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit immateriële schade tot een bedrag van € 50.000,- en een bedrag aan kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 3.630,- (incl. BTW) ter voorbereiding van het verzoek. Het Uwv heeft op dit verzoekschrift niet gereageerd.

2.1.

Appellant heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op gelijke gronden als zijn verzoek aan het Uwv.

2.2.

Het Uwv heeft bij de rechtbank erkend dat het besluit van 25 juni 2015 onrechtmatig is en dat het voorstelbaar is dat de onrechtmatige besluitvorming geestelijk leed heeft veroorzaakt bij appellant, waarvoor een vergoeding op zijn plaats is van € 2.500,-. Met betrekking tot de gevraagde vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ter voorbereiding van het verzoek is het Uwv bereid een bedrag van € 1.275,- te vergoeden.

3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toegewezen en het Uwv veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een netto bedrag van € 2.500,-. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.275,- en het Uwv opgedragen het betaalde griffierecht aan appellant te voldoen.

3.2.

Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank overwogen dat een bedrag van € 2.500,- overeenkomstig het aanbod van het Uwv billijk is voor het psychisch leed dat appellant heeft ondergaan als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming door het Uwv. Appellant is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat in zijn geval een hoger bedrag dan het aanbod van het Uwv billijk is.

3.3.

Met betrekking tot de vordering buitengerechte kosten heeft de rechtbank overwogen – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 februari 2016 – dat appellant niet meer proceskosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vergoed zou krijgen dan het bedrag dat het Uwv heeft aangeboden. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien aan te sluiten bij dit aanbod en € 1.275,- aan proceskosten toegewezen.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn vordering gehandhaafd van in totaal € 53.630,-. Appellant heeft zijn vordering vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om immateriële schade aangevoerd dat hij door de onheuse behandeling door de verzekeringsartsen van het Uwv en de onrechtmatige handelwijze en besluitvorming van het Uwv jarenlang pijn, verdriet en gederfde levensvreugde heeft ondervonden. Hij had suïcidale gedachten en is in de zomer van 2017 enkele weken opgenomen geweest in een crisisopvang. Veel leed had hem bespaard kunnen worden als het Uwv niet had volhard in zijn onrechtmatige opstelling over de arbeidsongeschiktheid door hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2017. Ter ondersteuning heeft hij een verklaring van zijn behandelend psycholoog R. van Grunsven van 7 maart 2018 ingebracht. Tot slot heeft appellant, onder verwijzing naar het verslag van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag ‘Ongekend onrecht’ van 17 december 2020, gesteld dat met een bedrag van € 2.500,- geen recht is gedaan aan zijn situatie en de menselijke maat ontbreekt. Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering van kosten van rechtsbijstand ter voorbereiding van zijn verzoek om schadevergoeding heeft beperkt tot vergoeding van proceskosten op grond van het Bpb. 4.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad oordeelt als volgt.

Immateriële schadevergoeding

5.1.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op het verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Niet in geschil is dat het besluit van 25 juni 2015 een onrechtmatig besluit was en dat de schade van appellant die door dit besluit is veroorzaakt in beginsel voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komt. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.

5.2.

Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, mag de rechter de hoogte van de schade schatten (artikel 6:97 van het BW).

5.3.

Gezien de stukken en gehoord de toelichting van appellant en zijn echtgenote, die aanwezig was bij de (spreekuur)bezoeken, acht de Raad het aannemelijk dat de bejegening van appellant door de artsen van het Uwv onbeleefder en onwelwillender was dan passend bij de methodiek van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, zoals door de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad is bepleit, en dat appellant als gevolg daarvan en van het besluit van 25 juni 2015 psychische klachten heeft ervaren. Voorts staat vast, en is door het Uwv niet weersproken, dat appellant geestelijk is ingestort nadat het Uwv hoger beroep had ingesteld tegen de in 1.1 genoemde uitspraken van de rechtbank van 3 juli 2017. Uit de brief van Van Grunsven van 7 maart 2018 volgt dat nadien sprake was van crisisinterventie in verband met suïcidaliteit en een opname van enkele weken. Ook volgt uit de brief van 7 maart 2018 dat de gehele procedure over de vaststelling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, in het bijzonder het niet erkennen door het Uwv van de geestelijke problematiek van appellant, mede een fors verval in functioneren bij appellant heeft veroorzaakt. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad erkend dat het aannemelijk is dat de onrechtmatige besluitvorming en het instellen van hoger beroep door het Uwv bij appellant geestelijk lijden hebben veroorzaakt.

5.4.

Gelet op wat is overwogen in 5.3 is het aannemelijk dat appellant als gevolg van het onrechtmatige besluit van 25 juni 2015 geestelijk letsel heeft ondervonden dat gezien de omstandigheden van dit geval als een aantasting van de persoon moet worden aangemerkt.

Gelet op de in 5.3 omschreven feiten en omstandigheden acht de Raad de door het Uwv geboden vergoeding van € 2.500,- echter billijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de brief van 7 maart 2018 van Van Grunsven volgt dat de psychischie decompensatie in de zomer van 2017 niet alleen is veroorzaakt door het onrechtmatige besluit van 25 juni 2015, maar ook door onder meer verlies van toekomstperspectief bij appellant vanwege de beperkingen die hij ondervindt als gevolg van het ongeval in 2012. Dit psychisch leed is dus niet alleen toe te schrijven aan de onrechtmatige besluitvorming van het Uwv en kan daarom niet geheel aan het Uwv worden toegerekend. Gelet ook op de bedragen die door Nederlandse rechters in meer of meer vergelijkbare gevallen zijn en plegen te worden toegekend, waarvan

door de rechtbank in de aangevallen uitspraak enkele voorbeelden zijn genoemd, ziet de Raad met de rechtbank geen aanleiding voor een hoger bedrag.

5.5.

Ook het beroep van appellant op het rapport ‘Ongekend onrecht’ van 17 december 2020 en zijn verwijzing in dat verband naar het belang van de menselijke maat, leiden niet tot ander oordeel, nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten aanzien van hem vergelijkbare feiten als in de toeslagaffaire hebben voorgedaan.

Buitengerechtelijke kosten

5.6.

Voordat de belanghebbende een verzoekschrift op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb bij de bestuursrechter indient, bepaalt artikel 8:90, tweede lid, van de Awb, voor zover van belang, dat de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade vraagt. De Raad stelt vast dat artikel 8:75 van het Awb noch het daarop gebaseerde Bpb voorzien in een regeling voor vergoeding van kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt voor het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid van de Awb . Daarom blijven deze kosten in de regel voor rekening van de belanghebbende en kunnen zij slechts bij wijze van uitzondering voor vergoeding in aanmerking komen. Daarvan zal sprake kunnen zijn wanneer de besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

5.7.

Niet kan worden gezegd dat het Uwv het onrechtmatige besluit tegen beter weten in heeft genomen. Er doet zich dus niet voor de onder 5.6 genoemde uitzondering waarbij gemaakte kosten voor het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. Het Uwv is bereid een bedrag van € 1.275,- aan buitengerechtelijke kosten te voldoen. Appellant is hiermee niet tekortgedaan.

5.8.

De door appellant aangevoerde grond dat de rechtbank ten onrechte het door het Uwv aangeboden bedrag van € 1.275,- aan buitengerechtelijke kosten heeft toegekend als proceskostenveroordeling slaagt. De verwijzing door de rechtbank naar de uitspraak van de Raad van 3 februari 2016 berust op een verkeerde lezing, omdat in die uitspraak geen buitengerechtelijke kosten aan de orde waren. Appellant heeft, naast toekenning van het bedrag van € 1.275,-, recht op een veroordeling in de kosten die hij met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank heeft moeten maken, als hierna onder 6 wordt omschreven.

Slotsom

5.9.

Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep voor zover het betreft de hoogte van de door de rechtbank toegekende immateriële schadevergoeding van € 2.500,- niet slaagt. Uit 5.6 tot en met 5.8 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover het ziet op het oordeel van de rechtbank over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de proceskostenveroordeling. De Raad zal mede omwille van de duidelijkheid de aangevallen uitspraak in haar geheel vernietigen en doen wat de rechtbank zou behoren te doen. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en het Uwv wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een netto bedrag van € 2.500,- voor immateriële schade en een bedrag van € 1.275,- voor buitengerechtelijke kosten.

5.10.

Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de schadevergoeding wordt toegewezen. Omdat de immateriële schade van appellant het gevolg is van een onrechtmatige daad, wordt wettelijke rente over het netto bedrag van € 2.500,- toegekend met ingang van de datum van het onrechtmatige besluit 25 juni 2015. Het Uwv heeft zich in het verweerschrift van 26 mei 2020 bij de rechtbank bereid verklaard een bedrag van € 1.275,- te vergoeden. Voor de betalingstermijn van dit bedrag wordt aangesloten bij artikel 4:87 van de Awb . Over dit bedrag dient het Uwv wettelijke rente te vergoeden met ingang van de dag na het verstrijken van de betalingstermijn van zes weken gerekend vanaf 26 mei 2020, dat is 8 juli 2020.

Proceskosten

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.518,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en op € 1.518,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), in totaal € 3.036,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om schadevergoeding toe; - veroordeelt het Uwv tot het betalen van een schadevergoeding zoals omschreven in 5.9;- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente zoals bedoeld in 5.10;- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.036,-;- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brusssel, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2022.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) A.L.K. Dagmar

ECLI:NL:CRVB:2018:1945

ECLI:NL:CRVB:2016:459

Zie bijvoorbeeld CRvB 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466

vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376

Zie bijvoorbeeld CRvB 11 februari 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA3577, en CRvB 17 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2185.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature