E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2021:998
Centrale Raad van Beroep, 19/1160 WW

Inhoudsindicatie:

Het Uwv heeft het bij besluit van 31 juli 2017 vastgestelde aantal vrij te laten uren van 120 per maand, in afwijking van artikel 8, tweede lid, van de WW en in het voordeel van appellante, berekend over een periode van een jaar. Ter beoordeling ligt voor of het Uwv (ook) de vaststelling van het aantal door appellante daadwerkelijk gewerkte uren als zelfstandige per maand over een jaar dient te middelen. Deze toepasselijke wetsbepaling, artikel 1b, vijfde lid, van de WW , is dwingendrechtelijk van aard en biedt geen ruimte voor een belangenafweging en toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat het Uwv bij de berekening van het fictieve inkomen van appellante terecht het aantal door appellante gewerkte uren als zelfstandige in de maand juni als uitgangspunt heeft genomen. Dit leidt tot het oordeel dat het Uwv met juistheid de WW-uitkering van appellante definitief heeft verlaagd met het aantal uren dat appellante in de maand juni meer is gaan werken dan het vastgestelde aantal vrijgestelde uren. Het Uwv heeft dan ook terecht de WW-uitkering van appellante (gedeeltelijk) beëindigd. Er is dan ook geen sprake van uitlatingen aan de zijde van het Uwv waaruit appellante in redelijkheid kon en mocht afleiden dat het Uwv bij de vaststelling van het aantal daadwerkelijk gewerkte uren zou uitgaan van een gemiddelde over een jaar. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zij over de maand juni 2017 per abuis een onjuiste opgave heeft gedaan van het aantal als zelfstandige gewerkte uren. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie