E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2021:994
Centrale Raad van Beroep, 20/2758 AW

Inhoudsindicatie:

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de in de aangevallen uitspraak besproken gedragingen door de korpschef terecht zijn aangemerkt als ernstig plichtsverzuim en dat het strafontslag daaraan niet onevenredig is, alsmede de overwegingen waarop dit oordeel berust. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad daar nog het volgende aan toe. Appellante heeft ook in hoger beroep verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van het lopende strafproces. De Raad ziet hiervoor geen grond. Appellante betoogt dat het onderzoek door de korpschef onzorgvuldig is. Zij meent dat de aanleiding om het [onderzoek 2] -onderzoek te starten getuigt van vooringenomenheid, dat stukken uit het [onderzoek 1] -onderzoek bewust zijn achtergehouden en dat moet worden getwijfeld aan de authenticiteit van bepaalde stukken. Dit betoog slaagt niet. Appellante stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat zij op de juiste wijze haar reiskosten heeft gedeclareerd. Alle door haar gedeclareerde kilometers zijn door haar feitelijk gereden en waren noodzakelijk voor de uitoefening van haar werkzaamheden voor de [Vereniging]. De Raad volgt appellante ook daarin niet en verwijst naar wat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen onder 8.1 tot en met 8.8. Wat betreft de overige door de korpschef genoemde reizen overweegt de Raad dat, nog los van het gegeven dat het veelvuldig tussentijds heen en weer reizen naar [woonplaats 1] en het aldus met regelmaat afleggen van vele honderden kilometers op één werkdag, als ongeloofwaardig is aan te merken, in ieder geval geldt dat op geen enkele wijze is gebleken dat de beweerdelijk gemaakte tussentijdse reisbewegingen naar en vanuit [woonplaats 1] noodzakelijk waren voor de uitoefening van de werkzaamheden van appellante. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante wist of behoorde te weten dat zij geen recht had op de ORT- vergoedingen. De verweten gedragingen leveren ernstig plichtsverzuim op. Dat dit plichtsverzuim appellante niet zou kunnen worden toegerekend, is door haar niet gesteld. Het strafontslag is daaraan niet onevenredig. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie