< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bijzondere bijstand voor woonkosten. Voorliggende voorziening. Geen zeer dringende reden. Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor woonkosten. Voor woonkosten is de huurtoeslag een toereikende en passende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW . Omdat appellant huurtoeslag ontving is bijstand dan ook niet mogelijk . Dat de verhuurder het verzoek om de huurgewenningsbijdrage op grond van het ook door de gemeente ondertekende Sociaal Statuut heeft afgewezen en ook geen andere regeling heeft getroffen, brengt niet met zich mee dat het college gehouden is om bijzondere bijstand te verlenen. Ook is geen sprake van zeer dringende redenen op grond waarvan het college toch bijstand moest verlenen.

Uitspraak



18 4325 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 6 april 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2018, 17/4719 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021, tezamen met de zaken 18/4238 en 19/5298. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Voorthuijzen. In de zaken 18/4238 en 19/5298 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woonde met zijn gezin in een flat aan de [adres 1] (oude woning). Omdat de flat gesloopt zou gaan worden moesten appellant en zijn gezin binnen een jaar na 30 mei 2016 verhuizen. Op 1 december 2016 heeft appellant bericht ontvangen van de woningcorporatie De Alliantie (verhuurder) dat hij en zijn gezin in aanmerking komen voor een woning aan [adres 2] (nieuwe woning). De huurovereenkomst voor de nieuwe woning is op 16 december 2016 getekend. De huurovereenkomst voor de oude woning is per 9 februari 2017 beëindigd.

1.2.

Appellant heeft op 3 mei 2017 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld dat de aanvraag betrekking heeft op woonkostentoeslag ter hoogte van € 150,-.

1.3.

Bij besluit van 29 juni 2017 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat woonkosten horen bij de algemene kosten van het bestaan en dat appellant die kosten zelf moet betalen.

1.4.

Bij besluit van 28 september 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2017 ongegrond verklaard en daarbij de motivering gewijzigd. Het college heeft zich nader op het standpunt gesteld dat de Wet op de huurtoeslag (WHT) in relatie tot de woonkostentoeslag is aan te merken als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor zover het de kosten van een huurwoning betreft. Dat appellant niet de maximale huurtoeslag ter hoogte van € 306,- ontvangt, maar een bedrag van € 269,- wegens het inkomen van zijn inwonende zoon, doet daaraan niet af.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten, kan het bijstandverlenend orgaan daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.

4.2.

Voor woonkosten is de huurtoeslag een toereikende en passende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW . Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 27 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3482). Omdat appellant huurtoeslag ontving, is bijstand op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW dan ook niet mogelijk .

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college is gebonden aan het Sociaal Statuut Amersfoort 2014-2018 (Sociaal Statuut). Appellant en zijn zoon moesten gedwongen verhuizen, omdat de oude woning werd gesloopt. In het Sociaal Statuut is geregeld dat de verhuurder de kosten van hogere huur moet vergoeden. De verhuurder heeft dit geweigerd en daarom heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd.

4.4.

Het Sociaal Statuut is weliswaar mede ondertekend door de gemeente Amersfoort, maar de verhuurder is de in het Sociaal Statuut aangewezen partij voor de betaling van de huurgewenningsbijdrage in daarvoor volgens het statuut in aanmerking komende gevallen. Dat de verhuurder het verzoek om huurgewenning op grond van het Sociaal Statuut heeft afgewezen en ook geen andere regeling heeft getroffen, brengt niet met zich mee dat het college gehouden is om bijzondere bijstand te verlenen. Het Sociaal Statuut doet ook niet af aan de vaste rechtspraak, zoals weergegeven in 4.3. De beroepsgrond van appellant slaagt niet.

4.5.

Het beroep van appellant op zeer dringende redenen, slaagt niet. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan toch bijstand worden verleend, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Zeer dringende redenen doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028). Een noodsituatie is acuut als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Dit is ook vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808). Dringende redenen kunnen uitsluitend gaan over de betrokkene die, hoewel hij geen recht heeft op bijstand, tóch voor bijstand in aanmerking wil komen. Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van een gedwongen verhuizing, waardoor hij zich genoodzaakt zag op 16 december 2016 de huurovereenkomst voor de nieuwe woning te tekenen en dat zijn zoon wegens ziekte en andere omstandigheden mee moest naar de nieuwe woning. Appellant heeft nu hogere woonlasten. Deze omstandigheden en de omstandigheid dat bij de huurtoeslag rekening is gehouden met het inkomen van de zoon leveren geen dringende redenen op als hiervoor bedoeld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) Y.S.S. Fatni


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature