< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De grond, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld over de ZW- en WIA-aanspraken in het bestreden besluit, slaagt niet. De vraag of appellant in hoger beroep alsnog de onderdelen van het bestreden besluit die zien op zijn ZW- en WIA-aanspraken kan aanvechten, beantwoordt de Raad ontkennend. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die meebrengen dat het redelijkerwijs niet aan appellant kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen de onderdelen van het bestreden besluit, die zien op zijn ZW- en WIA-aanspraken. Gelet op het verhandelde ter zitting wordt door appellant niet langer bestreden dat de toename van beperkingen binnen vijf jaar na de eerdere intrekking van zijn Wajong-uitkering niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken Wajong-uitkering werd genoten. Gelet hierop kan appellant aan het bepaalde in artikel 3:21, eerste lid, van de Wajong geen recht op Wajong-uitkering ontlenen. Uit het vorgaande volgt dat het hoger beroep, voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag om een Wajong-uitkering, niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Uitspraak



19 970 WAJONG

Datum uitspraak: 22 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 februari 2019, 18/2427 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Namaki, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. J.M.E. van der Haar, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld en nadere gronden en stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.E. van der Haar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder en mr. M. Kooistra.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant, geboren [geboortedatum] 1979, is per 6 februari 2000 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) toegekend wegens psychische beperkingen.

1.2.

Bij besluit van 23 september 2008 is de Wajong-uitkering van appellant per 24 november 2008 beëindigd omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard.

1.3.

Appellant heeft vanaf 18 februari 2009 gewerkt als assistent medewerker fastfood tot hij op 17 maart 2010 uitviel wegens fysieke en psychische klachten. Appellant heeft een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het Uwv appellant per 7 februari 2011 hersteld verklaard voor de maatgevende arbeid en de ZW-uitkering beëindigd.

1.4.

Appellant heeft verzocht om herziening van het besluit van 1 februari 2011. Het Uwv heeft dit verzoek bij besluit van 31 mei 2012 afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem heeft het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar bij uitspraak van 13 december 2012 ongegrond verklaard.

1.5.

Met een door het Uwv op 9 november 2017 ontvangen formulier heeft appellant om een beoordeling van zijn arbeidsvermogen verzocht. Op het formulier heeft appellant onder meer genoteerd dat het een verzoek om herziening betreft omdat hij in 2009 ziek was door de ziekte multiple sclerose (MS) en dat hij meent recht te hebben op een Wajong-uitkering, een ZWuitkering of een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2018 de aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen omdat appellant sinds 2010 ziek is door een andere oorzaak dan waarvoor hij tot 24 november 2008 een Wajong-uitkering kreeg.

1.6.

In bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2018 heeft appellant aangevoerd dat de ziekte MS al veel eerder dan 2010 heeft gespeeld en dat vanwege dit nieuwe feit hij nog steeds in aanmerking behoort te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zo zou appellant ten onrechte hersteld zijn verklaard op grond van de ZW. Na een onderzoek van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 18 april 2018 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat vanaf het jaar 2010 sprake is van een andere oorzaak van arbeidsongeschiktheid dan in de periode waarin appellant een Wajong-uitkering ontving en om die reden de Wajong-uitkering niet kan herleven. Wat betreft de ZW heeft het Uwv het verzoek van appellant opgevat als een verzoek om terug te komen van de hersteldverklaring per 7 februari 2011. Het Uwv heeft het verzoek op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden, nu de medische informatie al bekend was. Wat betreft de aanspraak op een WIA-uitkering heeft het Uwv geconcludeerd dat de wachttijd in verband met de hersteldverklaring per 7 februari 2011 nooit is volbracht, zodat appellant niet in aanmerking kan komen voor een WIA-uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat slechts de afwijzing van de Wajong-aanvraag in geding is en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op deugdelijke en inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd dat appellant vanaf 2010 lijdt aan MS, maar dat dit niet dezelfde ziekteoorzaak is als de ziekteoorzaak die ten grondslag heeft gelegen aan de eerste Wajong-aanvraag in 2000. Appellant heeft geen stukken overgelegd die leiden tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de omvang van het geding heeft beperkt tot de afwijzing van de Wajong-aanvraag. Zijn ZW-uitkering had niet beëindigd mogen worden omdat appellant op de datum van hersteldverklaring, 7 februari 2011, klachten had die gerelateerd waren aan de MS. Nu de MS alleen maar ernstiger is geworden, had appellant over de volledige termijn ZW moeten krijgen met aansluitend een WIA-uitkering. Appellant heeft een stuk van 3 maart 2011 van de polikliniek Neurologie van het CWZ ingediend, waaruit blijkt dat hij op 1 maart 2011 deze polikliniek heeft bezocht wegens verschillende fysieke klachten. Appellant heeft aanvullend aangevoerd dat hij op grond van artikel 46 van de ZW op 1 maart 2011 nog verzekerd was voor de ZW. Dit impliceert volgens appellant dat de ZW-uitkering had dienen door te lopen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De grond, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld over de ZW- en WIA-aanspraken in het bestreden besluit, slaagt niet. Appellant heeft in zijn beroepschrift bij de rechtbank expliciet aangegeven dat beroep werd aangetekend tegen het bestreden besluit voor zover dat ging over het geclaimde recht op een Wajong-uitkering. In het aanvullend beroepschrift is vermeld dat nadere beroepsgronden worden aangevoerd tegen het besluit om appellant geen Wajong-uitkering toe te kennen. Nu appellant het beroep bij de rechtbank uitdrukkelijk beperkte tot het onderdeel van het bestreden besluit dat zag op zijn Wajongaanspraken, heeft de rechtbank zich – gelet op het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – terecht hiertoe beperkt.

4.2.

De vraag of appellant in hoger beroep alsnog de onderdelen van het bestreden besluit die zien op zijn ZW- en WIA-aanspraken kan aanvechten, beantwoordt de Raad ontkennend.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb – voor zover hier van belang – kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Deze bepaling moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 421, nr. 3, blz. 5 e.v., en nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij bezwaar heeft gemaakt, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten tegen een onderdeel geen bezwaar te hebben gemaakt. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is dit artikel van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep wordt ingesteld. Dit betekent dat een belanghebbende slechts hoger beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij beroep heeft ingesteld, tenzij hem niet redelijkerwijs kan worden verweten tegen een onderdeel geen beroep te hebben ingesteld.

4.3.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die meebrengen dat het redelijkerwijs niet aan appellant kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen de onderdelen van het bestreden besluit, die zien op zijn ZW- en WIA-aanspraken. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant op grond van artikel 6:13 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.4.

Gelet op het verhandelde ter zitting wordt door appellant niet langer bestreden dat de toename van beperkingen binnen vijf jaar na de eerdere intrekking van zijn Wajong-uitkering niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken Wajong-uitkering werd genoten. Gelet hierop kan appellant aan het bepaalde in artikel 3:21, eerste lid, van de Wajong geen recht op Wajong-uitkering ontlenen.

4.5.

Uit 4.4. volgt dat het hoger beroep, voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag om een Wajong-uitkering, niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

bevestigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de aanspraken op grond van de ZW en de Wet WIA.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en

W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) A.L. Abdoellakhan


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature