< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Niet blijkt dat appellante niet bij machte was haar financiële belangen te (laten) behartigen. Er is daarom geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is met de door appellante aangehaalde uitspraken van 8 mei 2015 en 18 december 2015. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het Uwv zijn beleid in zoverre op consistente wijze heeft toegepast door de Wajonguitkering met terugwerkende kracht te herzien en appellante alsnog in aanmerking te brengen voor inkomensondersteuning op grond van de studieregeling in plaats van de werkregeling. Door de begindatum van deze herziening op 1 januari 2017 te stellen, terwijl appellante al vanaf 9 september 2015 studeerde en vanaf november 2015 studiefinanciering ontving, is appellante niet tekort gedaan. Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Uitspraak



20 1473 WAJONG

Datum uitspraak: 19 november 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

5 maart 2020, 19/3048 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. van Medenbach de Rooij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Medenbach de Rooij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 10 oktober 2012 is aan appellante, geboren op [geboortedatum] 1992, vanaf 13 juli 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wajong 2010) als aanvulling op inkomen uit werk (werkregeling) toegekend.

1.2.

Op 9 september 2015 is appellante aan een Mbo-opleiding begonnen. Appellante ontvangt vanaf 1 november 2015 voor deze opleiding studiefinanciering. Op 6 september 2016 heeft appellante in een reactie op een voorlopige beoordeling van haar arbeidsvermogen melding gemaakt van het feit dat zij de Mbo-opleiding dienstverlening niveau 2 volgt. Dit heeft niet geleid tot een aanpassing van de Wajong-uitkering van appellante anders dan dat de uitkering vanaf 1 januari 2018 is uitbetaald naar 70% van het minimumloon. Op 6 december 2018 heeft de jeugdadviseur van het Mbo van appellante telefonisch aan het Uwv medegedeeld dat appellante studerende is.

1.3.

Bij besluit van 14 december 2018 heeft het Uwv de Wajong-uitkering per 1 januari 2017 alsnog met toepassing van artikel 2:43 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) vastgesteld op 25% van het geldende minimumloon. Verder heeft het Uwv over de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 november 2018 een totaalbedrag van € 18.173,85 bruto aan onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 18 december 2018 heeft het Uwv een bedrag van € 16.812,09 netto bij appellante ingevorderd. Bij besluit van 17 januari 2019 is het invorderingsbedrag verhoogd naar € 18.173,85 vanwege een brutering.

1.5.

Bij besluit van 28 mei (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 14 december 2018 en 18 december 2018 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv het beleid, zoals dat is neergelegd in de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230, de Beleidsregels), in het geval van appellante niet op consistente wijze heeft toegepast. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen dat de inkomsten uit studiefinanciering van invloed konden zijn op de hoogte van haar Wajong-uitkering. De rechtbank heeft van belang geacht dat in het toekenningsbesluit van 10 oktober 2012 is vermeld dat zij veranderingen in haar inkomen moet doorgeven. De rechtbank acht het onvoldoende aannemelijk dat appellante door haar beperkingen niet wist dat zij een te hoog bedrag aan uitkering ontving. Appellante is een opleiding op Mbo-niveau gestart en heeft zelf een aanvraag om studiefinanciering ingediend.

Appellante moet volgens de rechtbank in staat worden geacht om zelf, al dan niet in overleg met haar ouders of haar begeleidster op school, haar belangen te behartigen. Het Uwv heeft terecht de Wajong-uitkering van appellante herzien. Het is de rechtbank niet gebleken dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar Wajong-uitkering ten onrechte is herzien en teruggevorderd omdat zij niet redelijkerwijs kon weten dat zij te veel uitkering ontving. Zij heeft gewezen op de eerder ingebrachte verklaringen van de jeugdadviseur van het Mbo van 15 januari 2019 en de huisarts van 24 januari 2020. Daaruit blijkt volgens haar dat zij niet in staat was om haar financiële belangen te behartigen. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij, anders dan op grond van vaste rechtspraak is vereist, niemand had die daadwerkelijk haar belangen behartigde. Zij heeft erop gewezen dat haar ouders geen Nederlands spreken en dat het niet de taak van de jeugdadviseur van het Mbo was om haar financiële belangen te behartigen. Appellante heeft verwezen naar de uitspraken van 8 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1624) en 18 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4696).

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 2:43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong luidde ten tijde in geding als volgt. In afwijking van de artikel 2:40, 2:41 en 2:42 ontvan gt de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning, inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 2:44 indien hij aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv gehouden is toepassing te geven aan de in 4.1 opgenomen bepaling. Tekst, doel en strekking van dit artikel staat toepassing met terugwerkende kracht niet in de weg. Onder omstandigheden kan toepassing met terugwerkende kracht echter in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, dan wel met een (andere) ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Het Uwv hanteert daarbij een beleid zoals dat is neergelegd in de Beleidsregels schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230). Dat beleid houdt onder meer in dat de uitkering met terugwerkende kracht wordt herzien tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Dit beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Dit brengt mee dat de aanwezigheid en toepassing van dit beleid als een gegeven worden aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of dit beleid op consistente wijze is toegepast.

4.3.

Het standpunt van appellante dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij te veel Wajong-uitkering ontving, slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellante had kunnen en moeten weten dat de studiefinanciering die zij ontving van invloed kon zijn op de hoogte van haar Wajong-uitkering. In het toekenningsbesluit van 10 december 2012 is appellante er op gewezen dat onder meer veranderingen in het inkomen gevolgen kunnen hebben voor de Wajong-uitkering en deze daarom binnen een week aan het Uwv dienen te worden doorgegeven. Doordat appellante in de periode in geding studiefinanciering ontving naast een ongewijzigde inkomensondersteuning vanuit de Wajong werd haar totale inkomen hoger dan voorheen. In zijn rapport van 21 september 2012 dat ten grondslag lag aan de toekenning van de Wajong-uitkering heeft een arbeidsdeskundige voorts gewezen op het feit dat de inkomensondersteuning wordt verlaagd zodra recht op studiefinanciering bestaat. Appellante is ondanks haar zeer lichte verstandelijke beperking en stemmings- en persoonlijkheidsproblematiek in staat gebleken een Mbo-opleiding te volgen en daarvoor studiefinanciering aan te vragen. Uit de overgelegde brief van de huisarts blijkt weliswaar dat appellante ten tijde in geding een stressvolle periode doormaakte, maar een medische onderbouwing van de stelling dat zij daardoor geheel en al buiten staat was haar financiële belangen te behartigen leest de Raad daar niet in. Daarnaast beschikte appellante vanuit haar opleiding ook feitelijk over een begeleider die – gelet op de verklaring van appellante ter zitting – samen met haar de aanvraag om studiefinanciering heeft verzorgd en die ook op de hoogte was van appellantes Wajong-uitkering. Het Uwv heeft er ten slotte op gewezen dat appellante andere voor de toepassing van de Wajong relevante wijzigingen, zoals verblijf in het buitenland en wijzigingen van bankrekening en leefsituatie, wel heeft doorgegeven aan het Uwv. Appellante is daarnaast in staat gebleken zelfstandig een toeslag aan te vragen. Hieruit blijkt niet dat appellante niet bij machte was haar financiële belangen te (laten) behartigen. Er is daarom geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is met de door appellante aangehaalde uitspraken van 8 mei 2015 en 18 december 2015.

4.4.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv zijn beleid in zoverre op consistente wijze heeft toegepast door de Wajonguitkering met terugwerkende kracht te herzien en appellante alsnog in aanmerking te brengen voor inkomensondersteuning op grond van de studieregeling in plaats van de werkregeling. Door de begindatum van deze herziening op 1 januari 2017 te stellen, terwijl appellante al vanaf 9 september 2015 studeerde en vanaf november 2015 studiefinanciering ontving, is appellante niet tekort gedaan.

4.5.

Ten slotte wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) D.S. Barthel


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature