< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

1) De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het bezwaar van appellant tegen besluit 1 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. 2) Vast is komen te staan dat appellant vanaf 6 maart 2018 arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk, zodat hij vanaf 5 juni 2018 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Dit maakt dat het Uwv verplicht is het ziekengeld dat onverschuldigd is betaald en wat anderszins onverschuldigd is betaald, terug te vorderen van appellant. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is niet gebleken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen met zich mee brengt. 3) Geen recht op WW-uitkering.

Uitspraak



19 4780 ZW, 19/4781 ZW, 19/4782 WW

Datum uitspraak: 18 november 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 oktober 2019, 18/6433, 19/639, 19/640 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op

7 oktober 2021. Namens appellant is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich op 6 maart 2018 vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld. Na ommekomst van de periode van dertien weken doorbetaling van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) bij ziekte heeft het Uwv appellant bij besluit van 18 juni 2018 vanaf 5 juni 2018 een voorschot verstrekt op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Appellant is op 17 oktober 2018 op het spreekuur van een voor het Uwv werkzame arts geweest. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 oktober 2018 (besluit 1) appellant met ingang van 6 maart 2018 arbeidsgeschikt verklaard voor zijn eigen werk en hem daarom niet in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering. Bij besluit van 6 november 2018 (besluit 2) heeft het Uwv de over de periode van 5 juni 2018 tot en met 30 september 2018 aan appellant betaalde ZW-voorschotten tot een bedrag van € 7.608,83 bruto van hem teruggevorderd.

1.2.

Op 6 november 2018 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd, met als ingangsdatum 1 oktober 2018. Bij besluit van 16 november 2018 (besluit 3) heeft het Uwv de aanvraag om een WW-uitkering afgewezen, omdat appellant te kennen heeft gegeven dat hij ziek is.

1.3.

Bij besluit van 12 december 2018 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat te laat bezwaar is gemaakt en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Bij besluit van 30 januari 2019 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen besluit 2 ongegrond verklaard, omdat appellant niet arbeidsongeschikt wordt geacht en hij daarom geen recht heeft op een ZW-uitkering.

1.4.

Het Uwv heeft bij brief van 23 januari 2019 appellant meegedeeld dat zijn WW-uitkering met ingang van 1 oktober 2018 wordt voortgezet en dat hij recht heeft op uitkering tot en met 6 februari 2019. Bij brief van 29 januari 2019 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de brief van 23 januari 2019 komt te vervallen omdat daarin een onjuiste uitkeringsduur was vermeld, met ingang van 1 oktober 2018 zijn WW-uitkering wordt voortgezet en hij recht heeft op uitkering tot en met 4 juni 2019. Bij besluit van 31 januari 2019 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen besluit 3 gegrond verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit verwezen naar de brieven van 23 januari en 29 januari en wat op de hoorzitting van 21 januari 2019 door appellant is verklaard. Het Uwv heeft op basis hiervan geconcludeerd dat appellant vanaf 1 oktober 2018 beschikbaar is voor arbeid en aan de voorwaarden voor voortzetting van de WW-uitkering vanaf deze datum voldoet. Het Uwv heeft besloten de kosten in bezwaar van appellant te vergoeden.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen alle drie de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hieraan de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

Bestreden besluit 1 (19/4780 ZW)

2.2.1.

Artikel 75k van de ZW bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld in artikel 75j van de ZW, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), twee weken bedraagt. Artikel 75j van de ZW bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op geschillen van geneeskundige aard over het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant bij het maken van het bezwaar tegen

besluit 1 de bezwaartermijn heeft overschreden en geconstateerd dat de vraag die voorligt is of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De omstandigheid dat het bij besluit 1 meegezonden medisch rapport niet de naam en het burgerservicenummer van appellant vermeldt, heeft de rechtbank geen geldige reden gevonden voor de te late indiening van het bezwaar. Besluit 1 is namelijk aan appellant gericht en in dit besluit is uitdrukkelijk vermeld dat appellant, als hij het hier niet mee eens is, voor 2 november 2018 een bezwaarschrift moet indienen. Appellant heeft dit besluit ook tijdig ontvangen. Daarbij komt dat het medisch rapport weliswaar niet de naam en het burgerservicenummer van appellant vermeldt, maar dat voor appellant duidelijk kon zijn dat dit op een typefout berust. Appellant is immers wel op 17 oktober 2018, zoals in het rapport is vermeld, op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest en de conclusie dat sprake is van arbeidsgeschiktheid is ook op het spreekuur met appellant besproken. Verder is niet gebleken dat het Uwv appellant heeft toegezegd dat besluit 1 zou worden ingetrokken. Appellant heeft zijn stellingen hierover onvoldoende onderbouwd. Appellant had, eventueel zonder nadere gronden, tijdig bezwaar kunnen maken. Dat hij dit niet heeft gedaan, komt voor zijn risico. De rechtbank is het dan ook met het Uwv eens dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Bestreden besluit 2 (19/4781 ZW)

2.3.

Met wat over bestreden besluit 1 is overwogen staat volgens de rechtbank vast dat appellant vanaf 6 maart 2018 arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk, zodat hij vanaf 5 juni 2018 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv verplicht het ziekengeld dat onverschuldigd is betaald en wat anderszins onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Dat het medisch rapport dat aan besluit 1 ten grondslag is gelegd niet de naam en het burgerservicenummer van appellant vermeldt, doet hier niet aan af. Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1051) kunnen dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van de terugvordering voor de betrokkene. Het gaat dan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van de terugvordering. Uitgangspunt is verder dat onverschuldigd betaalde uitkeringen bruto worden terugbetaald (zie ook de uitspraak van de Raad van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:951). Wat appellant heeft aangevoerd vormt geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.

Bestreden besluit 3 (19/4782 WW)

2.4.1.

Op grond van artikel 15 en artikel 16, eerste lid, van de WW is een van de vereisten voor een WW-uitkering dat de betrokkene beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Zoals de Raad in vergelijkbare zin heeft overwogen in de uitspraak van 22 februari 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AV3001) bevindt de betrokkene die enerzijds de juistheid van een afwijzing van de ZW-uitkering bestrijdt omdat hij meent dat hij arbeidsongeschikt is en van wie anderzijds met het oog op zijn WW-aanspraken wordt verwacht dat hij beschikbaar is voor arbeid en activiteiten ontplooit gericht op het voorkomen of beperken van zijn werkloosheid, zich in een moeilijke positie. Deze positie brengt mee dat, als het Uwv in afwijking van de verklaring van de betrokkene dat hij zich beschikbaar heeft gesteld, meent te moeten aannemen dat de beschikbaarheid bij de betrokkene ontbreekt, verweerder dit standpunt moet kunnen onderbouwen met verklaringen of gegevens die ondubbelzinnig zijn en voor dat standpunt een genoegzame onderbouwing vormen. Dit geldt te meer in een situatie als deze waarin het gaat om het al dan niet aannemen van beschikbaarheid met terugwerkende kracht omdat het Uwv met terugwerkende kracht heeft beslist tot afwijzing van de ZW-uitkering en de betrokkene om die reden alsnog heeft verzocht om toekenning van een WW-uitkering met terugwerkende kracht.

2.4.2.

Van zulke ondubbelzinnige verklaringen of gegevens is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank gebleken. Appellant heeft op zijn aanvraag van 6 november 2018 immers ingevuld dat hij vanaf 1 oktober 2018 werkloos is en dat het gaat om de toekenning van een WW-uitkering in aansluiting op ziekte. Tijdens de hoorzitting heeft appellant niet weersproken dat hij tijdens een telefonisch contact met het Uwv naar aanleiding van zijn aanvraag eveneens heeft aangegeven met ingang van 1 oktober 2018 een WW-uitkering te willen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat appellant op dat moment wist dat hij met ingang van 5 juni 2018 niet in aanmerking kwam voor een ZW-uitkering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat besluit 1 geen betrekking op hem heeft. Op het aan besluit 1 ten grondslag liggende medisch rapport zijn namelijk niet de naam en het burgerservicenummer van appellant vermeld, maar die van iemand anders. Appellant heeft dit tijdig aan verweerder gemeld en ging ervan uit dat besluit 1 ingetrokken zou worden. Door de terugvordering zit appellant in de periode van 5 juni 2018 tot en met 30 september 2018 zonder inkomen. Volgens appellant zijn er dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hij stelt dat hij ten onrechte een brutobedrag moet terugbetalen. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het recht op WWuitkering hem met ingang van 5 juni 2018 dient te worden toegekend, omdat hij zich per die datum beschikbaar heeft gehouden voor arbeid.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Bestreden besluit 1 (19/4780)

4.1.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust, zoals weergegeven onder 2.2.2, worden geheel onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding anders te oordelen. Weliswaar waren een onjuist burgerservicenummer en een onjuiste naam op het bij besluit 1 meegezonden medische rapport vermeld, maar uit de inhoud van dit rapport – datum spreekuur, gegevens over zijn laatste functie, medische voorgeschiedenis, gepresenteerde klachten, onderzoeksbevindingen – kon er bij appellant geen enkel misverstand over bestaan dat het rapport betrekking had op hem. Niet gebleken is dat aan appellant, zoals door hem gesteld, de toezegging is gedaan dat besluit 1 zou worden ingetrokken en dat de juiste motivering alsnog zou worden toegezonden. Uit het voorgaande volgt, dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het bezwaar van appellant tegen besluit 1 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Bestreden besluit 2 (19/4781)

4.2.

Ook het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 en de overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid worden onderschreven. Uit 4.1 volgt dat is komen vast te staan dat appellant vanaf 6 maart 2018 arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk, zodat hij vanaf 5 juni 2018 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Dit maakt dat het Uwv verplicht is het ziekengeld dat onverschuldigd is betaald en wat anderszins onverschuldigd is betaald, terug te vorderen van appellant. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is niet gebleken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen met zich mee brengt.

Bestreden besluit 3 (19/4782)

4.3.

Zoals ter zitting besproken dienen de brieven van 23 januari 2019 en 29 januari 2019 en bestreden besluit 3 in onderlinge samenhang te worden beschouwd.

4.4.

Ook het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 3 en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De grond van appellant dat dat het recht op WW-uitkering hem met ingang van 5 juni 2018 dient te worden toegekend, slaagt niet. Appellant heeft tijdens de hoorzitting op 21 januari 2019 verklaard dat hij vanaf 1 oktober 2018 beschikbaar was voor arbeid en sollicitaties heeft verricht. Daarbij is afgesproken de primaire afdeling WW te vragen de WW-uitkering vanaf 1 oktober 2018 voort te zetten. Deze laatste datum is ook de datum die appellant op zijn aanvraagformulier van 6 november 2018 heeft vermeld. Zijn stelling dat de uitkering op 5 juni 2018 zou moeten ingaan valt hiermee niet te rijmen.

5. Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2021.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) R. van der Heide


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature