< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Substantiële opleiding. Uit de gegevens van de staatssecretaris, waaronder een rooster van de opleiding, komt naar voren dat de opleiding van betrokkene uit 52 contactdagen (18 weken en 2 dagen) en 39 zelfstudiedagen bestond, in totaal dus 91 dagen. Deze omvang van de studie is vergelijkbaar met de omvang van de opleiding waarover is geoordeeld in de uitspraak van 22 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM3711). De Raad heeft in die uitspraak geoordeeld dat geen sprake is van een substantiële opleiding als in het beleid bedoeld. Geen aanleiding bestaat om daarover in dit geval anders te oordelen. Daarmee slaagt het hoger beroep van de staatssecretaris. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een specifieke substantiële opleiding als bedoeld in het beleid die recht geeft op een functionele mobiliteitstoeslag. Gelijkheidsbeginsel. Uit de toelichting van de staatssecretaris ter zitting valt op te maken dat wat betreft betrokkene en zijn collega’s sprake is van gelijke omstandigheden. Betrokkene is net als zijn collega’s per 1 november 2016 administratief geplaatst in een andere standplaats, in zijn geval [standplaats 2] , omdat zijn toekomstig leidinggevende daar haar standplaats had. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd waarom zijn collega’s wel en betrokkene niet voorafgaand aan of rond 1 november 2016 een mobiliteitstoeslag heeft ontvangen. De overige beroepsgronden kunnen onbesproken blijven. Hieruit volgt dat het bestreden besluit en het besluit van 25 augustus 2017 alsnog geen stand kunnen houden, omdat deze besluiten in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. De aangevallen uitspraak komt daarmee, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. Aanleiding bestaat om de staatsecretaris te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



19 3334 AW

Datum uitspraak: 7 oktober 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 juni 2019, 18/1929 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens de staatssecretaris heeft mr. G.B. Honders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.J. Vis een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nog een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2021. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Honders. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. K. ten Broek.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die v óór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

2.1.

Betrokkene is werkzaam bij [werkgever] als [naam functie] Betrokkene was tot 1 november 2016 werkzaam bij [werkgever] / [onderdeel 1] met als standplaats [standplaats 1] . Per 1 november 2016 is hij geplaatst bij [werkgever] / [onderdeel 2] met als standplaats [standplaats 2] . Van 14 november 2016 tot 11 april 2017 heeft betrokkene de [naam opleiding] gevolgd. Bij besluit van 17 juli 2017 is bepaald dat de standplaats van betrokkene per 15 april 2017 [standplaats 1] is.

2.2.

Bij besluit van 25 augustus 2017 heeft de staatsecretaris, naar aanleiding van een verzoek daartoe van betrokkene, meegedeeld dat in verband met de plaatsing bij [werkgever] / [onderdeel 2] met als standplaats [standplaats 2] betrokkene geen recht heeft op toekenning van een mobiliteitstoeslag. Het bezwaar daartegen heeft de staatssecretaris bij besluit van 14 februari 2018 (bestreden besluit) deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de staatsecretaris ten grondslag gelegd dat bij verplaatsing naar een andere organisatorische eenheid met behoud van de oorspronkelijke groepsfunctie, in beginsel geen sprake is van het opdragen van een andere functie. In dit geval is betrokkene geen significant andere functie opgedragen. Verder kan de door betrokkene gevolgde opleiding volgens de staatssecretaris niet worden aangemerkt als een specifieke, substantiële opleidingsmodule, op basis waarvan aanspraak zou kunnen worden gemaakt op een functionele mobiliteitstoeslag. Daarbij heeft de staatssecretaris vermeld dat de opleiding vijf maanden heeft geduurd, onder werktijd werd gevolgd en 48 bijeenkomsten en vier praktijkdagen omvatte. De opleiding is daarom niet op één lijn te stellen met de opleiding tot [functie], die 78 weken duurt. Wat betrokkene in bezwaar naar voren heeft gebracht over het besluit van 17 juli 2017 heeft de staatssecretaris buiten beschouwing gelaten, omdat het besluit van 25 augustus 2017 daar niet op ziet. Het bezwaar is in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

3. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 25 augustus 2017 herroepen en bepaald dat de staatssecretaris aan betrokkene een mobiliteitstoeslag moet toekennen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de groepsfuncties als loopbaanontwikkeling zijn te beschouwen waardoor het merendeel van de functies bij [werkgever] bij voorbaat van een mobiliteitstoeslag is uitgesloten. Betrokkene voldoet echter aan het eigen beleid van de staatssecretaris om in aanmerking te komen voor een functionele mobiliteitstoeslag. De door betrokkene gevolgde opleiding heeft in totaal vijf maanden geduurd en de opleiding, uitgaande van 48 bijeenkomsten en vier contactdagen, zou ongeveer twee dagen per week kosten. Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat hij op de dagen dat hij geen bijeenkomsten of praktijkdagen had, zelfstudie moest verrichten. Daarmee ging het om een opleiding van vijf dagen per week gedurende vijf maanden. Het gaat dus om een specifieke, substantiële opleiding en betrokkene komt daarom in aanmerking voor een eenmalige functionele mobiliteitstoeslag.

4. In hoger beroep heeft de staatssecretaris zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Artikel 22c van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 luidt als volgt:

“De ambtenaar aan wie, anders dan krachtens een loopbaanregeling als bedoeld in artikel 13 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of in bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling, op grond van artikel 57, eerste lid of tweede lid, onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement een andere functie wordt opgedragen, waarbij het belang van de dienst is gelegen in het opdragen van juist die andere functie, heeft recht op een eenmalige mobiliteitstoeslag ter grootte van 50% van zijn salaris, tenzij zijn salaris met ingang van de datum waarop die andere functie wordt opgedragen om die reden wordt verhoogd.”

5.2.

Artikel 13 van het ARAR biedt een basis om regels vast te stellen over loopbaanvorming in het algemeen en over daarmee verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.

5.3.

De staatssecretaris heeft voor belastingambtenaren beleid ontwikkeld dat is opgenomen in hoofdstuk 4, onderdeel 4.6 van de Personele uitvoeringsbepalingen [werkgever] . Hier is onder meer het volgende vermeld:

“Voor het verkrijgen van een mobiliteitstoeslag gelden de volgende eisen:

- het moet gaan om één van de volgende twee situaties:

- de overstap naar een andere functie op aanvraag van de betrokken ambtenaar (artikel 57, eerste lid, van het ARAR). Hierbij wordt ook begrepen de overgang naar een functie met een lager maximumsalaris dan dat van de oude functie (demotie), ongeacht of daarbij sprake is van inhouding op het salaris (artikel 57b ARAR);

- de overstap naar een andere functie op basis van een opgelegde verplichting, voor zover deze is gebaseerd op artikel 57, tweede lid, letter b, van het ARAR .

- sprake moet zijn van een andere functie waarbij het belang van de dienst is gelegen in het opdragen van juist die andere functie en/of van geografische mobiliteit;

- geen sprake moet zijn van een salarisverhoging als gevolg van de functiewisseling, ingaande op de datum van die functiewisseling.

Bij een andere functie dient sprake te zijn van een significant ander samenstel van opgedragen werkzaamheden. Geen mobiliteitstoeslag wordt toegekend als een ander samenstel van werkzaamheden wordt opgedragen binnen de eigen functie. Dit wordt gezien als ‘normale loopbaanontwikkeling’. Het vorenstaande lijdt slechts uitzondering indien het wijzigen van het samenstel van opgedragen werkzaamheden naar het oordeel van het tot beslissen bevoegde gezag niet kan worden aangemerkt als onderdeel van de normale loopbaanontwikkeling binnen een groepsfunctie. Hiervan kan onder meer sprake zijn in situaties waarbij een verplichting wordt opgelegd om voor het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden (een) specifieke substantiële, in tijd en investering, opleidingsmodule(s) te volgen. In zo’n geval zal de mobiliteitstoeslag wel worden toegekend.

Bij een verplaatsing naar een ander organisatorische eenheid met behoud van de oorspronkelijke functie (groepsfunctie of individueel gewaardeerde functie) wordt niet voldaan aan de voor de toekenning van een mobiliteitstoeslag geldende voorwaarde dat sprake moet zijn van het opdragen van een andere functie. Echter is in zo’n geval sprake van een primair dienstbelang dan bestaat aanleiding een mobiliteitstoeslag toe te kennen op basis van de bestuurlijke overweging dat geografische mobiliteit een nadrukkelijke stimulans behoeft. Deze bestuurlijke overweging dient in die situatie schriftelijk te zijn vastgelegd. In dit verband worden douaneposten alsmede vestigingen van organisatorische eenheden als afzonderlijke eenheid aangemerkt. De wijziging van de plaats van tewerkstelling binnen dezelfde douanepost dan wel binnen dezelfde organisatorische eenheid bij andere onderdelen van [werkgever] leidt eveneens tot het toekennen van de mobiliteitstoeslag mits de nieuwe plaats van tewerkstelling niet in de onmiddellijke nabijheid van de oude plaats van tewerkstelling is gelegen. De vaststelling of al dan niet sprake is van onmiddellijke nabijheid zal per situatie moeten worden bepaald en vastgelegd.”

Substantiële opleiding

5.4.

De staatssecretaris heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de [naam opleiding] een specifieke, substantiële opleiding is als bedoeld in het beleid als hiervoor vermeld onder 5.3.

5.4.1.

Uit de gegevens van de staatssecretaris, waaronder een rooster van de opleiding, komt naar voren dat de opleiding van betrokkene uit 52 contactdagen (18 weken en 2 dagen) en 39 zelfstudiedagen bestond, in totaal dus 91 dagen. Deze omvang van de studie is vergelijkbaar met de omvang van de opleiding waarover is geoordeeld in de uitspraak van 22 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM3711). In dat geval ging het om 30 contactdagen (1 dag per week) en 30 tot 60 zelfstudiedagen (1 à 2 zelfstudiedagen per week), in totaal dus 60 tot 90 dagen. De Raad heeft in die uitspraak geoordeeld dat geen sprake is van een substantiële opleiding als in het beleid bedoeld. Geen aanleiding bestaat om daarover in dit geval anders te oordelen.

5.5.

Daarmee slaagt het hoger beroep van de staatssecretaris. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een specifieke substantiële opleiding als bedoeld in het beleid die recht geeft op een functionele mobiliteitstoeslag. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, zal de Raad vervolgens de door de rechtbank onbesproken gelaten beroepsgronden moeten beoordelen.

Gelijkheidsbeginsel

5.6.

Betrokkene heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Hij verwijst daarbij naar collega’s die met hem tegelijkertijd de [naam opleiding] in [plaatsnaam] hebben gevolgd en die wel een mobiliteitstoeslag hebben gekregen.

5.6.1.

Uit de toelichting van de staatssecretaris ter zitting komt naar voren dat de door betrokkene genoemde collega’s per 1 november 2016 dezelfde opleiding als betrokkene in [plaatsnaam] zijn gaan volgen, en per die datum gedurende de opleiding administratief zijn geplaatst op de standplaats van hun toekomstig leidinggevende. Deze collega’s hebben allemaal voorafgaande aan of rond 1 november 2016 een geografische mobiliteitstoeslag gekregen. Deze collega’s zijn na de opleiding op die nieuwe standplaats gaan werken.

5.6.2.

Hieruit valt op te maken dat wat betreft betrokkene en zijn collega’s sprake is van gelijke omstandigheden. Betrokkene is net als zijn collega’s per 1 november 2016 administratief geplaatst in een andere standplaats, in zijn geval [standplaats 2] , omdat zijn toekomstig leidinggevende daar haar standplaats had. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd waarom zijn collega’s wel en betrokkene niet voorafgaand aan of rond 1 november 2016 een mobiliteitstoeslag heeft ontvangen. Dat betrokkene terug is gegaan naar standplaats [standplaats 1] en de anderen wel zijn overgegaan naar een andere standplaats, is een omstandigheid die, zoals ter zitting van de Raad namens de staatssecretaris is bevestigd, op het moment van toekenning van de mobiliteitstoeslagen nog niet vaststond. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom. De overige beroepsgronden kunnen onbesproken blijven.

5.7.

Uit 5.6.2 volgt dat het bestreden besluit en het besluit van 25 augustus 2017 alsnog geen stand kunnen houden, omdat deze besluiten in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. De aangevallen uitspraak komt daarmee, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

6. Aanleiding bestaat om de staatsecretaris te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op een bedrag van € 1.496,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Raad, met een waarde per punt van € 748,-).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.J. Otten als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2021.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) D. Al-Zubaidi


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature