E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2021:2367
Centrale Raad van Beroep, 21/354 AW

Inhoudsindicatie:

De beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure zoals hier aan de orde is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. De Raad volgt appellant in zijn betoog dat de selectieprocedure niet conform het eigen werving- en selectiebeleid van de politie heeft plaatsgevonden. Hoewel uit de stukken blijkt dat de vacaturehouder nauw betrokken is geweest bij de gehele selectieprocedure, neemt dit niet weg dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vacaturehouder niet als voorzitter van de selectiecommissie is benoemd. De Raad is echter van oordeel dat het meest van belang is dat de selectiecommissie bestond uit personen die inzicht hebben in de aard en wijze van uitoefening van de functie. Daaraan is voldaan. Daar komt bij dat alle kandidaten op gelijke en transparante wijze zoals hiervoor beschreven, zijn beoordeeld tijdens de selectiegesprekken. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van appellant dat de voorzitter van de selectiecommissie, vooringenomen is geweest. De door de korpschef gedurende deze procedure gegeven wisselende motivering of appellant al dan niet een overbezette functie had, heeft geenszins bijgedragen aan een zorgvuldig besluitvormingsproces. Tijdens de zitting heeft de korpschef bevestigd dat geen rekening is gehouden met de vraag of de kandidaten uit een overbezette functie kwamen. De Raad volgt de korpschef dat dit voor appellant geen verschil maakt, omdat ook als hier wel rekening mee was gehouden, appellant niet was voorgedragen, aangezien er meer kandidaten met een hogere score dan die van appellant uit een overbezette functie kwamen. Immers niet in geschil is dat appellant de laagste score van de zeven kandidaten had en dat er meerdere kandidaten een overbezette functie hadden. Uit de overwegingen volgt dat aannemelijk is dat appellant niet is benadeeld. De Raad ziet daarom aanleiding om voor zover sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb vormt aanleiding om de korpschef te veroordelen in de (proces)kosten van appellant.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie