< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening en terugvordering van bijstand. Autohandel.

Aannemelijk is dat appellant handelstransacties heeft verricht ten aanzien van voertuigen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en rechtsverwerking slaagt niet. De beroepsgrond dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door appellant niet al in 2012 te waarschuwen dat de tenaamstellingen van de voertuigen van invloed konden zijn op het recht op bijstand, waardoor de terugvordering ten onrechte is opgelopen, slaagt niet. De herziening en terugvordering zijn gericht op herstel van de onrechtmatige toestand en het besluit tot herziening en terugvordering heeft dus een reparatoir karakter. Appellanten hadden zelf op elk moment bij het college melding kunnen maken van de tenaamstellingen. Bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen is geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. Het college mocht uitgaan van de waarde per voertuig zoals deze op de website Autotelex.nl is te vinden, met een maximum van € 500,- per voertuig.

Uitspraak



19 240 PW

Datum uitspraak: 17 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 november 2018, 18/2524 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Aaryf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aaryf. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Chahid, die door middel van videobellen aan de zitting heeft deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 5 januari 1994 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van Team Risk van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht van 23 maart 2017 dat uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) blijkt dat appellant regelmatig auto’s exporteert, heeft een handhavingsspecialist van Team Handhaving van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht (handhavingsspecialist) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer dossieronderzoek verricht, gegevens van de RDW geraadpleegd en appellant gehoord op 18 oktober 2017. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage handhaving van 14 november 2017.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 november 2017 de bijstand van appellanten te herzien over de periode van 3 augustus 2010 tot en met 28 juli 2017 en de over die periode teveel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 24.452,92 van appellanten terug te vorderen. Het college is bij deze berekening uitgegaan van een bedrag van € 500,- per auto.

1.4.

Bij besluit van 17 mei 2018 heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 21 november 2017 deels gegrond verklaard en dit besluit herroepen voor zover het ziet op de herziening en terugvordering over de periode van 3 augustus 2010 tot en met 20 november 2012. Het college heeft herziening over de periode van 21 november 2012 tot en met 28 juli 2017 (periode in geding) in stand gelaten en het terugvorderingsbedrag verlaagd tot een bedrag van € 4.673,30. Aan de herziening en terugvordering heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake was van autohandel in de periode in geding en daarmee van op geld waardeerbare activiteiten. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door hier geen melding van te maken bij het college. Doordat appellanten geen controleerbare en verifieerbare gegevens hebben overgelegd over de waarde van de voertuigen, is het college bij de bepaling van de hoogte van de herziening en terugvordering uitgegaan van de waarde per voertuig zoals deze op de website Autotelex.nl is te vinden op de datum waarop het voertuig van de naam van appellant is gegaan. Hierbij heeft het college een maximum van € 500,- voor een voertuig gehanteerd, indien de waarde van dat voertuig volgens Autotelex hoger was dan dat bedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2.

Uit kentekenregistraties, zoals hier aan de orde, volgt de directe betrokkenheid bij de registraties van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Indien een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen een betrekkelijk korte periode en dit het geval is bij diverse motorvoertuigen, dan is aannemelijk dat met die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437). De datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling – met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van de betrokkene is geëindigd – wordt aangemerkt als de datum waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden. Dit is eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306).

4.3.

Niet in geschil is dat appellant in de periode in geding direct betrokken is geweest bij twee wijzigingen van tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode, variërend van 4 dagen tot bijna 11 maanden, ten aanzien van 25 voertuigen. Daarmee is aannemelijk dat appellant handelstransacties heeft verricht ten aanzien van die voertuigen. De beroepsgrond dat geen sprake was van handelsactiviteiten, maar dat de voertuigen bestemd waren voor consumptief gebruik, slaagt dan ook niet. Gelet op het aantal voertuigen en de betrekkelijk korte duur van de tenaamstellingen, kan niet staande worden gehouden dat de voertuigen uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik. Dat appellant voor alle voertuigen over een parkeervergunning en een WA-verzekering beschikte, wat hier ook van zij, leidt niet tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van handelstransacties. Appellanten hadden melding moeten maken van de transacties met de auto’s, aangezien deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Appellanten hebben van de herhaaldelijke directe betrokkenheid van appellant bij dit soort transacties geen melding gemaakt. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellanten de inlichtingenverplichting in verband met het bedrijven van autohandel hebben geschonden.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat het college niet tot intrekking en terugvordering mocht overgaan. Het college wist al in 2011 van autotransacties van appellant en heeft hier in 2012 ook onderzoek naar verricht. Er is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel en rechtsverwerking. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559. Appellanten hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat een toezegging of uitlating is gedaan dan wel gedraging is verricht waaruit zij konden en mochten afleiden dat zij geen melding hoefden te maken van (wijzigingen in de tenaamstellingen van) de voertuigen. Het college betwist dat een dergelijke toezegging of uitlating is gedaan of gedraging is verricht. Het college heeft de stukken uit 2012 overgelegd. Uit deze stukken blijkt weliswaar dat was geconstateerd dat appellant meerdere kentekens op naam had gehad, maar niet dat met appellanten is gesproken over de tenaamstellingen. Van opgewekt vertrouwen en rechtsverwerking is geen sprake.

4.5.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door appellant niet al in 2012 te waarschuwen dat de tenaamstellingen van de voertuigen van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Hierdoor is de terugvordering ten onrechte opgelopen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld wordt dat appellanten – zoals in 4.5 al is vastgesteld – de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet uit eigen beweging melding te maken van de transacties. De herziening en terugvordering zijn in dit geval gericht op herstel van de onrechtmatige toestand en het besluit tot herziening en terugvordering heeft dus een reparatoir karakter. Appellanten hadden zelf op elk moment bij het college melding kunnen maken van de tenaamstellingen. Voor zover bij hen twijfel kon bestaan over de vraag of sprake was van een feit als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW hadden zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om hun situatie voor te leggen en op dit punt duidelijkheid te verkrijgen.

4.6.

Appellanten hebben tot slot aangevoerd dat het college het herzienings- en terugvorderingsbedrag niet juist heeft vastgesteld. Het college had niet alleen rekening moeten houden met de verkoopwaarde van de voertuigen, maar ook met de reparatie- en aanschafkosten. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen in het kader van de bijstand is namelijk geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9167). Het college heeft aan de hand van gegevens van Autotelex vastgesteld wat de waarde van de voertuigen was op de datum dat het kenteken van de betreffende auto van de naam van appellant is gegaan. Autotelex is een bedrijf dat waardebepalingen voor voertuigen geeft op basis van informatie verkregen uit verschillende bronnen, zoals autogroothandelaren, autobedrijven, leasemaatschappijen en veilingopbrengsten. Voor zover appellanten betogen dat de waarden die Autotelex hanteert niet overeenkomen met de werkelijke verkoopwaarden is van belang dat appellanten niet beschikken over een administratie of een boekhouding. Het ontbreken van een deugdelijke administratie of boekhouding moet voor rekening en risico van appellanten blijven. Dat het voor appellanten, zoals zij stellen, welhaast onmogelijk is om bij derden bewijs en verklaringen op te vragen ter zake van gebeurtenissen die teruggaan tot vijf jaar geleden en dat zij – anders dan het college – niet in staat zijn om te achterhalen wie de kopers van de auto’s zijn, maakt dit niet anders. Deze bewijsnood hebben appellanten immers over zichzelf afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is dat appellanten – in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting – hebben nagelaten het college tijdig en volledig in te lichten over de (wijzigingen in de) tenaamstellingen van de auto’s. Daarmee is aan het college de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandsverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden. Het college mocht onder deze omstandigheden uitgaan van de waarde per voertuig zoals deze op de website Autotelex.nl is te vinden op de datum waarop het voertuig van de naam van appellant is gegaan, met een maximum van € 500,- per voertuig.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en K.M.P. Jacobs en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2021.

(getekend) J.L. Boxum

De griffier is verhinderd te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature