E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2021:2140
Centrale Raad van Beroep, 19/3898 WAJONG

Inhoudsindicatie:

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt grotendeels een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Er wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De overwegingen die door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft mogen afwijzen omdat appellante aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de bij haar aanvraag in 2017 aangeleverde gegevens, waaronder correcties van omissies in het dossier uit 2014, de anamnese van appellante en het overzicht van haar behandelingen, te beschouwen zijn als nieuwe feiten. In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moeten worden bevestigd.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie