E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CRVB:2021:1337
Centrale Raad van Beroep, 19/3513 AW

Inhoudsindicatie:

Schorsing/inhouding salaris. Ten tijde van het uitbrengen van het voornemen tot oplegging van strafontslag was sprake van een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim waardoor aan de integriteit van appellant moest worden getwijfeld en het noodzakelijk in hem te stellen vertrouwen was geschaad. Het college heeft in verband daarmee en mede gelet op de voorgeschiedenis redelijkerwijs kunnen menen dat het niet aanvaardbaar was dat appellant zijn werkzaamheden zou blijven verrichten. In zoverre slaagt het hoger beroep niet. Evenmin kan worden geconcludeerd dat het college gedurende de schorsing geen gebruik had mogen maken van de in artikel 13.3, tweede lid, van de NRGA neergelegde bevoegdheid om tot inhouding van een derde van het salaris over te gaan. Strafontslag. Vastgesteld moet worden dat appellant over het voorval op 19 mei 2017 wisselend heeft verklaard. Anders dan appellant heeft gesteld, kan het afleggen van wisselende verklaringen en het verkondigen van onwaarheden als zodanig plichtsverzuim opleveren en is dit niet slechts een omstandigheid die bij de bepaling van de evenredigheid van de disciplinaire straf aan de orde kan komen. Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zich in dit opzicht niet heeft gedragen zoals van een goed ambtenaar mag worden verwacht en dat sprake is van plichtsverzuim. Het is niet in geschil dat appellant op 8 juni 2017 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden met zijn voertuig tegen een bloembak is aangereden. Voor de Raad is niet komen vast te staan dat, zoals het college heeft gesteld, sprake was van een harde klap en van schade aan het voertuig. Appellant heeft dit ontkend en het college heeft deze stelling niet kunnen onderbouwen. Van de zijde van het college is ter zitting desgevraagd verklaard dat niet met zekerheid is te zeggen of het filmpje van het voorval aan appellant is getoond en evenmin of het filmpje is bewaard. De conclusie is dat het voorval van 8 juni 2017 en het niet melden daarvan aan zijn leidinggevende niet als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. Tijdens het gesprek op 5 juli 2017 heeft appellant aanvankelijk verklaard dat hij op 8 juni 2017 niets heeft bemerkt van een aanrijding. Anders dan het college en de rechtbank merkt de Raad dit niet aan als strafwaardig plichtsverzuim. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat het resterende plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Het bestuur was dus bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is te achten aan het plichtsverzuim waarvan appellant een verwijt valt te maken. Van het plichtsverzuim dat appellant is verweten, resteren alleen de gedragingen op 19 mei 2017 en het wisselend verklaren daarover. Ook als de voorgeschiedenis wordt meegewogen, is dit geen plichtsverzuim van een dusdanige aard en ernst dat de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag gerechtvaardigd is. Het ontslag op de primaire grondslag kan dan ook geen stand houden. Subsidiaire ontslaggronden. Het bestaan van een dergelijk belang heeft het college gebaseerd op het aan appellant verweten plichtsverzuim. Mede nu een deel van de desbetreffende gedragingen niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt, kan niet worden geconcludeerd dat sprake was van een belang zoals bedoeld in artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA. Het ontslag kan dus evenmin op deze ontslaggrond stand houden. Dat in de periode voorafgaand aan het nu voorliggende ongeschiktheidsontslag sprake is geweest van een verbetertraject waarbij concrete afspraken zijn gemaakt over de verbetering van het functioneren van appellant, is niet gebleken. Stukken waaruit dit zou kunnen blijken, zoals verslagen van functionerings- of beoordelingsgesprekken, ontbreken in het dossier. Dat brengt mee dat niet kan worden geconcludeerd dat het college aan appellant een adequate verbeterkans heeft gegeven zoals bedoeld in de vaste rechtspraak op dit punt. Evenmin is gebleken dat sprake was van een uitzonderlijke situatie waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn geweest. Het ontslag kan dus ook niet standhouden op de meer subsidiaire ontslaggrond. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2017. De Raad zal het college opdragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij wordt aangetekend dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij niet meer terug wil keren naar de gemeente Amsterdam. Het is nu aan het college om zich op de ontstane situatie te beraden. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie