< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Beroep niet-ontvankelijk. Onvoldoende procesbelang. Beroep niet-ontvankelijk. Onvoldoende procesbelang. De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang. Appellant heeft het traject afgerond en aan hem is en zal geen maatregel worden opgelegd in verband met dit traject en/of de daaraan verbonden verplichtingen. De wens van appellant om, met het oog op een mogelijk opnieuw op te leggen verplichting tot deelname aan eenzelfde traject met dezelfde verplichtingen, een inhoudelijk oordeel van de Raad te krijgen, is onvoldoende om een voldoende procesbelang aan te nemen. Van belang hierbij is dat het college ter zitting heeft meegedeeld dat nog niet vaststaat dat appellant de verplichting zal worden opgelegd om aan hetzelfde traject te gaan deelnemen. Bovendien zijn de aan het traject de Werkplaats verbonden verplichtingen volgens het college inmiddels veranderd en is de deelnemersovereenkomst op diverse onderdelen gewijzigd.

De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang. Appellant heeft het traject afgerond en aan hem is en zal geen maatregel worden opgelegd in verband met dit traject en/of de daaraan verbonden verplichtingen. De wens van appellant om, met het oog op een mogelijk opnieuw op te leggen verplichting tot deelname aan eenzelfde traject met dezelfde verplichtingen, een inhoudelijk oordeel van de Raad te krijgen, is onvoldoende om een voldoende procesbelang aan te nemen. Van belang hierbij is dat het college ter zitting heeft meegedeeld dat nog niet vaststaat dat appellant de verplichting zal worden opgelegd om aan hetzelfde traject te gaan deelnemen. Bovendien zijn de aan het traject de Werkplaats verbonden verplichtingen volgens het college inmiddels veranderd en is de deelnemersovereenkomst op diverse onderdelen gewijzig

Uitspraak



19 4697 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 oktober 2019, 19/324 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak: 28 april 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Grégoire heeft vragen van de Raad beantwoord, waarop het college heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 19/4698 PW, plaatsgevonden op 16 maart 2021. Namens appellant is verschenen mr. Grégoire. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg. In de zaak 19/4698 PW wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 7 december 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Appellant is door het college aangemeld voor een re-integratietraject bij De Werkplaats (traject). Op 24 juli 2018 heeft appellant de deelnemersovereenkomst De Werkplaats (deelnemersovereenkomst) ondertekend, waarin diverse verplichtingen en gedragsregels zijn opgenomen. Appellant is op 29 augustus 2018 gestart met het traject.

1.3.

Bij besluit van 15 augustus 2018 heeft het college appellant onder meer meegedeeld dat de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, b en c, van de PW op hem van toepassing blijven.

1.4.

Bij besluit van 7 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover nog van belang, het bezwaar gericht tegen de aanmelding bij het traject de Werkplaats en de hieruit voortvloeiende deelnemersovereenkomst, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover betrekking hebbend op de verplichtingen die zijn opgenomen in de deelnemersovereenkomst de Werkplaats, niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang, omdat appellant het traject heeft afgerond en hij al geruime tijd aan het werk is.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2.

Niet in geding is dat appellant het traject op 29 november 2018 heeft afgerond en dat aan appellant geen maatregel is en ook niet meer zal worden opgelegd in verband met dit traject en/of de daaraan verbonden verplichtingen.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens onvoldoende procesbelang. Onder verwijzing naar de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:238, heeft appellant ter zitting betoogd dat hij belang heeft gehouden bij een oordeel over de aan de deelnemersovereenkomst verbonden verplichtingen. Appellant heeft opnieuw bijstand aangevraagd en hij vreest dat hij opnieuw een traject bij de Werkplaats krijgt opgelegd waaraan dezelfde, in de deelnemersovereenkomst neergelegde, verplichtingen zijn verbonden.

4.4.

De Raad is van oordeel dat hierin onvoldoende procesbelang is gelegen. Anders dan in de door appellant genoemde, onder 4.3 vermelde uitspraak, is hier geen sprake van een toekenning van een voorziening voor een bepaalde periode waarbij, na afloop van deze periode, opnieuw een aanvraag voor eenzelfde voorziening wordt ingediend. De wens van appellant om, met het oog op een mogelijk opnieuw op te leggen verplichting tot deelname aan eenzelfde traject met dezelfde verplichtingen, een inhoudelijk oordeel van de Raad te krijgen, is onvoldoende om een voldoende procesbelang aan te nemen. Van belang hierbij is dat het college ter zitting heeft meegedeeld dat de aanvraag om bijstand van appellant nog in behandeling is en dat nog niet vaststaat dat appellant de verplichting zal worden opgelegd om aan hetzelfde traject te gaan deelnemen. Bovendien zijn de aan het traject de Werkplaats verbonden verplichtingen volgens het college inmiddels veranderd en is de deelnemersovereenkomst op diverse onderdelen gewijzigd.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) J.B. Beerens


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature