< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Inkomsten uit pgb worden aangemerkt als inkomsten uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit het recht op WGA-uitkering is ontstaan. Artikel 61 van de Wet WIA en van af 1 maart 2012 het AIB. Geen inkomsten uit pgb- werkzaamheden op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd, 25 mei 2008. De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en verenigt zich met de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen in de aangevallen uitspraak. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij teveel uitkering ontving. Geen sprake van dringende redenen. Herziening en terugvordering blijven in stand.

Uitspraak



17 5367 WIA

Datum uitspraak: 25 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 juni 2017, 16/1163 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.B.M. Swart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. Swart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.C. McArthur-Neering.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als administratief medewerker in dienstbetrekking voor 32 uur per week. Daarnaast was hij werkzaam in een eigen administratiekantoor voor één dag per week. Op 27 mei 2008 heeft hij zich ziek gemeld voor zijn werk in dienstbetrekking. Het Uwv heeft appellant met ingang van 25 mei 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van zijn arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Deze uitkering is in 2013 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Naar aanleiding van een bestandsvergelijking met de Belastingdienst is het Uwv gebleken dat appellant als zorgverlener voor zijn dochter, [naam dochter] , in 2011 en 2012 inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) had ontvangen. Vervolgens is door de afdeling handhaving van het Uwv een onderzoek ingesteld. In het onderzoeksrapport van 20 maart 2015 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant in 2007 en vanaf 2009 tot en met 30 juni 2014 inkomsten uit een pgb als zorgverlener heeft ontvangen, waarvan hij aan het Uwv geen melding heeft gedaan.

1.3.

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft het Uwv het recht van appellant op een WIA-uitkering over de periode van 25 mei 2010 tot en met 30 juni 2014 herzien en de aan appellant te veel betaalde uitkering over die periode van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 82.398,41 bruto. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 14 januari 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft de herziening met terugwerkende kracht gehandhaafd, omdat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan en het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de ontvangen inkomsten uit het pgb van invloed kunnen zijn op het recht op WIA-uitkering. Na herberekening, waarbij het Uwv zich heeft aangesloten bij de door de Belastingdienst geaccepteerde verlaging van het belastbaar inkomen in verband met onkosten, heeft het Uwv het terug te vorderen bedrag verlaagd tot € 49.111,26.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat niet meer in geschil is dat de inkomsten uit pgb worden aangemerkt als belastbaar loon uit overige werkzaamheden ter bepaling van het inkomen als bedoeld in artikel 61 van de Wet WIA en artikel 3:2 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).

2.2.

Gelet op de overgelegde stukken en de door appellant en zijn echtgenote ter zitting van de rechtbank gegeven toelichting heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de verplichting zoals neergelegd in artikel 27 van de Wet WIA niet is nagekomen. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het pgb-inkomen van invloed kon zijn op zijn recht dan wel de hoogte van zijn WIA-uitkering. Het gegeven dat hierover door het Uwv geen expliciete informatie is verstrekt, maakt dit niet anders. Het lag op de weg van appellant om bij onduidelijkheden in het aanvraagformulier navraag te doen bij het Uwv. Als appellant of zijn echtgenote daartoe niet in staat waren door persoonlijke omstandigheden op dat moment, had het op hun weg gelegen om hulp in te schakelen. Appellant heeft zijn stelling dat hij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat bij het Uwv bekend was dat hij inkomsten uit pgb had, omdat hij dit met de arbeidsdeskundigen heeft besproken, niet aannemelijk gemaakt. In de arbeidskundige rapporten is daarover geen enkele melding gemaakt. Van toezeggingen dat de inkomsten uit het pgb na bestandsvergelijking met de Belastingdienst vanzelf zouden worden verrekend is evenmin gebleken. Appellants beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Verder blijkt uit de stukken dat appellant geen mededeling heeft gedaan van de verhoging van de pgb-inkomsten in de loop van de tijd. Omdat appellant de pgb-inkomsten bij de aanvraag noch op enig ander moment aan het Uwv heeft doorgegeven, is sprake van een schending van de inlichtingenplicht.

2.3.

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat er geen noodzaak bestond om mee te delen dat inkomsten uit een pgb werden genoten, omdat hij deze inkomsten al ontving vanaf 1 juli 2007, voordat aan hem een WIA-uitkering werd toegekend. Uit de overgelegde informatie van het Achmea Zorgkantoor blijkt dat appellant in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 geen pgb-inkomsten heeft genoten. Dit betekent dat ook al zou in die periode wel zorg zijn verleend, niet wordt voldaan aan het specifieke vereiste als bedoeld in artikel 3:2, vijfde lid, van het AIB dat appellant op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd inkomsten uit pgb genoot.

2.4.

Gelet op de hoogte van de inkomsten uit het pgb kon het appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij teveel uitkering ontving. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) heeft het Uwv dan ook de uitkering terecht herzien en teruggevorderd over de periode van 25 mei 2010 tot en met 30 juni 2014.

2.5.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag en de periode waarover de terugvordering heeft plaatsgevonden niet tussen partijen in geschil is. Niet is gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de onderhavige terugvordering sprake is van financieel of sociaal onaanvaardbare gevolgen. Het Uwv heeft terecht besloten tot terugvordering over te gaan.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij ten tijde van de WIA-keuring heeft gesproken over zijn zorgwerkzaamheden en de daarmee ontvangen inkomsten. Het Uwv heeft het tegendeel niet voldoende aannemelijk gemaakt. Appellant heeft verder aangevoerd dat ten onrechte de situatie van vóór aanvang van de arbeidsongeschiktheid niet is meegenomen in de beoordeling. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat hij in 2008 geen pgb-inkomsten heeft ontvangen. Vanaf 1 oktober 2006 trad hij op als zorgverlener voor zijn dochter, waarvoor hij een bedrag van € 1.000,- per maand ontving. Op 12 december 2008 heeft zijn dochter een bedrag van € 10.585,- met omschrijving ‘Afhandeling PGB’ aan appellant overgemaakt, van welke storting hij een bankafschrift heeft overgelegd. Bovendien heeft hij alle gelden die hij ontvangen heeft uit het pgb aangewend aan het verbeteren van het leven van zijn dochter, zodat geen sprake is van genoten inkomsten. Gelet op artikel 3:2, vijfde lid, van het AIB blijven deze pgb-inkomsten tot een bedrag van € 12.000,- per jaar bij het vaststellen van het recht op een WIA-uitkering buiten beschouwing en daarom ook buiten de op appellant rustende inlichtingenplicht. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat er dringende redenen zijn om af te zien van de terugvordering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft daartoe aangevoerd dat uit het bericht van Achmea Zorgkantoor van 18 maart 2015 blijkt dat appellant in 2008 geen pgb-inkomsten heeft ontvangen. Mogelijk werd in dat jaar wel een bedrag aan pgb aan de dochter uitgekeerd, maar niet is gebleken dat appellant in dat jaar zorg aan zijn dochter heeft verleend, waarvoor pgb was toegekend. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv daaraan toegevoegd dat de dochter van appellant in 2008 tijdelijk in een zorginstelling verbleef. Omdat niet is gebleken dat appellant op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd een pgb ontving, kan niet gezegd worden dat er sprake was van inkomen dat moest worden vrijgelaten als bedoeld in artikel 3:2, vijfde lid, van het AIB. Evenmin is sprake van onvoldoende voorlichting van de kant van het Uwv. Het had op de weg van appellant gelegen, dan wel van zijn echtgenote die het formulier destijds voor appellant invulde, bij onduidelijkheid verdere navraag bij het Uwv te doen. Appellant had ook de verhoging van de pgb-inkomsten in de loop der tijd moeten melden. Uitgegaan moet worden van het fiscaal verantwoorde resultaat uit overige werkzaamheden waarbij de kosten in mindering moesten worden gebracht. Verder blijkt uit de stukken niet dat appellant met het Uwv heeft gesproken over de zorgwerkzaamheden en over de pgb-inkomsten. Het is onaannemelijk dat in het gesprek met de arbeidsdeskundige in 2010 hierover gesproken is, aangezien de arbeidsdeskundige in dat geval direct zou hebben gevraagd naar de hoogte van deze inkomsten. De arbeidsdeskundige zou dit gegeven dat van groot belang is voor de (hoogte van de) uitkering hebben opgenomen in zijn rapport. Tot slot heeft de rechtbank volgens het Uwv terecht geoordeeld dat appellant niet met stukken eventuele onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen van de terugvordering aannemelijk heeft gemaakt.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Wettelijk kader

4.1.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan het volgende toe.

4.1.2.

In artikel 61 van de Wet WIA is bepaald op welke wijze inkomen in mindering wordt gebracht op een WGA-uitkering. In dit artikel is vermeld dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan.

4.1.3.

Ten onrechte is door het Uwv en de rechtbank voor de periode hier in geding, te weten van 25 mei 2010 tot en met 30 juni 2014, voor het beoordelingskader geen onderscheid gemaakt tussen het tijdvak tot 1 maart 2012 en vanaf 1 maart 2012. De in artikel 61 van de Wet WIA bedoelde algemene maatregel van bestuur is in het beoordelingstijdvak tot 1 maart 2012 het Inkomensbesluit Wet WIA (Inkomensbesluit) en in het beoordelingstijdvak vanaf 1 maart 2012 het AIB. In artikel 2 van het Inkomensbesluit en in de artikelen 3:2 en 3:3 van het AIB is geregeld wat onder inkomen als bedoeld in artikel 61 van de Wet WIA wordt verstaan.

4.2.1.

Artikel 3:2, vierde lid (tekst tot 1 juli 2015), van het AIB luidt:

“Voor zover de uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , inkomen ontvangt als bedoeld in eerste lid, onderdelen b tot en met d, uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit het recht op uitkering is ontstaan, wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen voor de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.”

4.2.2.

In het Inkomensbesluit ontbreekt een aan artikel 3:2, vierde lid, van het AIB overeenkomstige bepaling. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat in het bepaalde in artikel 3:2, vierde lid, van het AIB is vastgelegd wat bij het Uwv reeds staande praktijk was bij de toepassing van korting van inkomsten op grond van artikel 61 van de Wet WIA voorafgaande aan de inwerkingtreding van het AIB met ingang van 1 maart 2012. Het beleid van het Uwv houdt in dat in een situatie dat een verzekerde voorafgaande aan de eerste dag van de wettelijk voorgeschreven wachttijd naast zijn inkomsten uit loondienst waarvoor hij een WGA-uitkering ontvangt ook inkomsten uit andere werkzaamheden ontvangt, die inkomsten uit andere werkzaamheden niet in aanmerking worden genomen voor de WGA‑uitkering, tenzij het betreft inkomsten die voortkomen uit uitbreiding van die andere werkzaamheden. De gemachtigde van het Uwv heeft erop gewezen dat dit beleid voortzetting is van het uitgangspunt van het Uwv bij de toepassing van anticumulatie van inkomsten op grond van artikel 44 van de WAO en werkzaamheden als zelfstandige die niet verzekerd zijn op grond van die wet.

4.2.3.

In zijn uitspraken van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0416, en 12 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8525, heeft de Raad het in 4.2.2 omschreven uitgangspunt van het Uwv bij de toepassing van artikel 44 van de WAO en werkzaamheden als zelfstandige die niet verzekerd zijn op grond van die wet, juist geacht. In zijn uitspraak van 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6574, heeft de Raad in aansluiting op voornoemde uitspraken geoordeeld niet in te zien dat de rechtsfiguur korting bij de toepassing van artikel 52 van de Wet WIA anders moet worden beoordeeld. De Raad komt tot eenzelfde oordeel over de toepassing van artikel 61 van de Wet WIA en het Inkomensbesluit tot 1 maart 2012. Daarvoor is te meer reden nu de regelgever met ingang van 1 maart 2012 in deze situatie heeft voorzien met het bepaalde in artikel 3:2, vierde lid, van het AIB.

Herziening en terugvordering

4.3.1.

Niet in geschil is dat de inkomsten uit pgb aangemerkt moeten worden als inkomen uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit het recht op WGA-uitkering is ontstaan.

4.3.2.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.3 volgt dat als appellant op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd, 25 mei 2008, inkomsten uit pgb-werkzaamheden ontving deze inkomsten niet in aanmerking worden genomen voor zijn WGA-uitkering over de gehele periode hier in geding. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken dat die situatie zich voordoet. Uit de informatie van het Achmea Zorgkantoor van 18 maart 2015 blijkt niet dat appellant over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 pgb-inkomsten heeft ontvangen. Uit het in die informatie weergegeven overzicht, dat ziet op de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2014, worden alleen pgb-inkomsten voor appellant verantwoord over de periodes van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 en van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2014 en zijn over het jaar 2008 geen inkomsten vermeld. De in 2006 opgemaakte zorgovereenkomst tussen appellant en zijn dochter, waarin is opgenomen een omschrijving van de zorgwerkzaamheden en een bedrag als vergoeding daarvoor, biedt onvoldoende aanknopingspunt voor het standpunt van appellant dat hem over 2008 pgb-inkomsten zijn toegekend. Ook al zou in die periode, zoals door appellant is gesteld, wel zorg zijn verleend, dan staat daarmee nog niet vast dat appellant op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd pgb-inkomsten genoot. De overboeking van € 10.585,- op 12 december 2008 van de rekening van zijn dochter naar appellant biedt onvoldoende onderbouwing voor appellants standpunt dat deze betaling zag op pgb-inkomsten als beloning voor in 2008 door appellant aan zijn dochter verleende zorg. Behalve dit bankafschrift heeft appellant geen stukken ingebracht die duidelijkheid verschaffen over de grondslag van de betaling van dit bedrag. Voor zover deze storting ziet op vergoeding van kosten die appellant voor zijn dochter heeft gemaakt, wordt overwogen dat vergoeding van onkosten niet als pgb-inkomsten worden aangemerkt (vergelijk de uitspraak van de Raad van 11 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2292).

4.3.3.

De Raad onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door het Uwv noch bij de aanvraag voor een WIA-uitkering noch op een ander moment mededeling te doen van het feit dat hij inkomsten uit het pgb van zijn dochter ontving voor de door hem verrichte zorgwerkzaamheden en verenigt zich met de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen onder 2.2 weergegeven. De Raad voegt daaraan toe dat uit de beschikbare stukken op geen enkele manier valt af te leiden dat appellant het Uwv heeft geïnformeerd over de pgb-inkomsten wegens verleende zorgwerkzaamheden. Het is niet aannemelijk dat als appellant in gesprek met de arbeidsdeskundigen hiervan melding had gemaakt, deze voor het recht op of de hoogte van een WIA-uitkering relevante informatie niet zou zijn opgenomen in de door de arbeidsdeskundigen opgestelde rapporten. Daargelaten de vraag of het Uwv op de hoogte had kunnen zijn van de pgb-inkomsten ontslaat dit appellant niet van zijn in artikel 27 van de Wet WIA neergelegde verplichting om uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle voor het recht op of de hoogte van de WIA-uitkering relevante informatie aan het Uwv te melden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de pgb-inkomsten van invloed konden zijn op zijn recht dan wel de hoogte van zijn WGA-uitkering.

4.3.4.

Uit 4.3.2 tot en met 4.3.4 volgt dat het Uwv terecht vanwege de pgb-inkomsten de hoogte van de WGA-uitkering van appellant ten tijde hier in geding heeft gewijzigd. De rechtbank heeft dan ook terecht de beslissing van het Uwv tot herziening van de WGA-uitkering van appellant over 25 mei 2010 tot en met 30 juni 2014 en tot terugvordering wat over die periode te veel aan WGA-uitkering is betaald, in stand gelaten.

Dringende redenen

4.4.1.

Het Uwv is alleen dan niet verplicht tot herziening en terugvordering van een WIA-uitkering over te gaan indien sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening en/of terugvordering van de WIA-uitkering had moeten afzien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1051) kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor appellant als gevolg van de intrekking en/of terugvordering van de WIA-uitkering optreden. Het gaat dan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.

4.4.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke onaanvaardbare financiële of sociale consequenties als gevolg van de herziening en terugvordering. Het Uwv heeft terecht opgemerkt dat de financiële omstandigheden in verband met de terugbetaling op zichzelf niet tot een dringende reden leiden, omdat dit aspecten zijn die zijn meegewogen bij de vaststelling van de (maandelijkse) aflossingscapaciteit van appellant. In de door appellant aangevoerde omstandigheden rond de situatie van zijn dochter zijn evenmin dringende redenen gelegen als hiervoor bedoeld.

Proceskosten

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M. Schoneveld en

M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020.

(gemaakt) J.S. van der Kolk

(getekend) C.I. Heijkoop


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature