< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Met de vergoeding van de wettelijke rente over het nabetaalde salaris, waartoe de minister al is overgegaan, wordt alle schade, ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom, geacht te zijn voldaan. Gelet hierop komt de door appellant opgevoerde schade niet voor vergoeding door de minister in aanmerking. De Raad is van oordeel dat appellant over de periode, het ontslag weggedacht, weliswaar in dienst was van (destijds) het ministerie van Veiligheid en Justitie, maar hij heeft zijn functie in die periode niet vervuld, zodat hij daarover geen vakantieverlof heeft opgebouwd. Appellant heeft dan ook geen aanspraak op uitbetaling van opgebouwd en niet opgenomen vakantieverlof.

Uitspraak



/18 6533 AW

Datum uitspraak: 26 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2018, 17/2122 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Bellod hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bellod. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Verhagen en drs. R.A. Kloeken.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf oktober 2002 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van (destijds) het ministerie van Veiligheid en Justitie, laatstelijk in de functie van [naam functie] bij de Penitentiaire Inrichting [plaatsnaam]. Bij besluit van 12 december 2013 heeft de minister aan appellant de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het door appellant ingestelde bezwaar heeft de minister bij besluit van 10 juni 2014 deels ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 oktober 2015 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit van 10 juni 2014 in stand gelaten. De Raad heeft bij uitspraak van 22 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3527) de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2015 vernietigd, het besluit van 10 juni 2014 vernietigd en het ontslagbesluit van 12 december 2013 herroepen.

1.2.

Appellant heeft de minister op 17 februari 2017 verzocht om schadevergoeding in verband met de gedwongen verkoop van zijn woning, die volgens hem een schade heeft opgeleverd van € 46.668,06. Verder heeft hij verzocht om een vergoeding voor de verlofdagen die hij ten onrechte niet heeft genoten gedurende de periode van het herroepen ontslag.

1.3.

Bij besluit van 10 april 2017 heeft de minister appellant een bedrag van € 4.064,07 aan wettelijke rente toegekend en het verzoek om schadevergoeding voor het overige afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de wettelijke rente over de vertraging in de betaling van de bezoldiging van appellant voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens vaste rechtspraak heeft appellant geen recht op méér dan vergoeding van de wettelijke rente. Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van verlofdagen heeft de minister overwogen dat appellant in de periode van 18 april 2014 tot het herstel van zijn aanstelling, een bijstandsuitkering heeft ontvangen op grond van de Participatiewet (PW). In deze periode had hij recht op vier weken vakantie per kalenderjaar met behoud van het recht op zijn bijstandsuitkering. Daarmee is voldaan aan het minimumvereiste van artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn 2003 /88/EG, zodat appellant niet nogmaals het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon toekomt.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 april 2017 en verzocht om rechtstreeks beroep in te mogen stellen. De minister heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en als zodanig met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden aan de rechtbank.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen. Gelet op vaste rechtspraak komt enkel de wettelijke rente voor vergoeding in aanmerking, nu het gaat om schade ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom. Met betrekking tot de verlofdagen overweegt de rechtbank dat appellant bijstand heeft genoten in de periode waarin hij ontslagen was. Op grond van de PW had hij recht op vier weken verblijf buiten Nederland met behoud van zijn uitkering en ontving hij vakantiegeld. Daarmee is voldaan aan het minimumvereiste van Richtlijn 2003/88/EG.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft betoogd dat zijn daadwerkelijk geleden schade, die uitsluitend te wijten is aan het onterechte verleende ontslag, voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Toepassing van de vaste rechtspraak dat slechts de wettelijke rente voor vergoeding in aanmerking komt, is volgens hem in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Appellant verzoekt de Raad dan ook om af te wijken van zijn vaste rechtspraak.

4.2.

Appellant wordt hierin niet gevolgd. Indien een ontslag ongedaan wordt gemaakt bestaat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 30 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3523), recht op nabetaling van de bezoldiging, waarop het bestuursorgaan de door de betrokkene in de desbetreffende periode genoten inkomsten uit arbeid in mindering mag brengen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3992) ligt aan deze vaste rechtspraak het algemeen rechtsbeginsel ten grondslag dat de gevolgen van een herroepen ontslagbesluit zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt. Dit betekent enerzijds dat de ambtenaar wordt beschouwd als in dienst te zijn gebleven en daarom in beginsel aanspraak heeft op de volle bezoldiging over de periode waarin hij ten onrechte als ontslagen is aangemerkt, en anderzijds dat rekening wordt gehouden met de - niet ongedaan te maken - omstandigheid, dat de ambtenaar gelegenheid heeft gehad en gebruikt om andere betaalde arbeid te verrichten, die hij niet had kunnen verrichten, indien hij niet als ontslagen was aangemerkt. Genoemd algemeen rechtsbeginsel vordert niet dat de ambtenaar in een gunstigere positie komt te verkeren dan wanneer hij niet was ontslagen.

4.3.

In artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De strekking van deze bepaling brengt mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade ten gevolge van de vertraging in de vergoeding van een geldsom niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente. Zie in dit verband de rechtspraak van de Hoge Raad (arresten van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220 en ECLI:NL:HR:2005:AR2760). Met de vergoeding van de wettelijke rente over het nabetaalde salaris, waartoe de minister al is overgegaan, wordt alle schade, ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom, geacht te zijn voldaan. Gelet hierop komt de door appellant opgevoerde schade niet voor vergoeding door de minister in aanmerking.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het niet kunnen genieten van zijn vakantiedagen een negatief gevolg is van het ontslag dat met terugwerkende kracht dient te worden gerepareerd, zodat de niet genoten vakantiedagen door de minister dienen te worden vergoed. De periode waarin hij een uitkering krachtens de PW heeft ontvangen heeft hij namelijk bepaald niet als vakantie ervaren.

4.5.

Hierin wordt appellant niet gevolgd. De Raad is van oordeel dat appellant over die periode, het ontslag weggedacht, weliswaar in dienst was van (destijds) het ministerie van Veiligheid en Justitie, maar hij heeft zijn functie in die periode niet vervuld, zodat hij daarover geen vakantieverlof heeft opgebouwd. Appellant heeft dan ook geen aanspraak op uitbetaling van opgebouwd en niet opgenomen vakantieverlof.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Buur


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature