< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De Raad is van oordeel dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en zal onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de inhoud van het gesprek van 24 september 2018 tussen verzoeker en zijn leidinggevende K, zoals weergegeven in het daarvan door de aanwezige HR Adviseur opgemaakte verslag, voldoende grond opleverde voor een concreet vermoeden van ernstig plichtsverzuim, waardoor twijfel ontstond aan de integriteit van verzoeker en het in hem te stellen vertrouwen was geschaad. Dat dit verslag volgens verzoeker onvolledig is, leidt niet tot een andere conclusie. Gelet op de aard van de gedragingen van verzoeker kon de minister zich verder in redelijkheid op het standpunt stellen dat het niet aanvaardbaar was dat verzoeker in afwachting van de uitkomsten van het in te stellen disciplinaire onderzoek zijn werk bleef doen. De minister mocht daarom het dienstbelang laten prevaleren boven het belang van verzoeker om zijn werk te kunnen blijven doen en hem schorsen en de toegang tot IND-locaties ontzeggen. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat wat verzoeker na het opleggen van de schorsing en de ontzegging van de toegang over de gerezen verdenking van plichtsverzuim heeft aangevoerd, de aanvankelijk gerezen twijfel die aanleiding was voor het instellen van een onderzoek en het opleggen van de ordemaatregelen niet meer kon wegnemen. In het besluit waarbij de schorsing en de ontzegging van de toegang zijn opgelegd is de duur van de maatregelen voldoende concreet aangeduid. Anders dan verzoeker meent, bestaat er geen verplichting om aan deze duur een concrete tijdspanne te verbinden. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

Uitspraak



19 5006 AW, 19/5031 AW-VV

Datum uitspraak: 20 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 oktober 2019, 19/385 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van

2 december 2019

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

24 oktober 2019 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020. Verzoeker is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Dragt en drs. Y.M.W.J. Bossink.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

2.1.

Verzoeker is werkzaam bij de [afdeling] van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te [vestigingsplaats], laatstelijk in de functie van [naam functie].

2.2.

Bij besluit van 27 september 2018 heeft de minister met toepassing van de artikelen 91, eerste lid, aanhef en onder c, en 77, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) verzoeker met onmiddellijke ingang geschorst met behoud van bezoldiging en hem de toegang tot IND-locaties ontzegd voor de duur van het naar hem gestarte disciplinaire onderzoek dan wel tot nadere besluitvorming over zijn rechtspositie heeft plaatsgevonden. De aanleiding voor dit onderzoek is dat, na een gesprek op 24 september 2018 tussen verzoeker en zijn leidinggevende K naar aanleiding van een klacht van een advocaat, de verdenking is gerezen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim zou hierin bestaan dat verzoeker - kort gezegd - in strijd met de regels en zonder diens toestemming de naam van K als bevoegd gezag onder beslissingen op bezwaar heeft gezet in zaken waarin verzoeker zelf eerder al het primaire besluit had genomen.

2.3.

Bij besluit van 10 januari 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.4.

Bij besluit van 17 december 2019 heeft de minister de schorsing en de ontzegging van de toegang tot IND-locaties opgeheven, omdat het disciplinaire onderzoek naar verzoeker is beëindigd en aan hem een voorgenomen besluit over het opleggen van disciplinaire straffen bekend is gemaakt.

2.5.

Bij besluit van 20 december 2019 heeft de minister met toepassing van de artikelen 81, eerste lid, aanhef en onder l, in verbinding met de artikelen 81, derde lid, en 81, eerste lid, aanhef en onder j, van het ARAR aan verzoeker de disciplinaire straffen van voorwaardelijk ontslag en overplaatsing buiten de huidige werkomgeving opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en zal daarom onmiddellijk uitspraak doen op het hoger beroep van verzoeker. Dit hoger beroep ziet op de schorsing en de ontzegging van de toegang tot IND-locaties. De voorzieningenrechter zal zich om die reden niet uitspreken over de vraag of verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en over de aan hem opgelegde disciplinaire straffen.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:76) is een concrete verdenking van plichtsverzuim in het algemeen voldoende voor het treffen van een ordemaatregel (zoals een schorsing en een ontzegging van de toegang) als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen.

4.5.

Verzoeker heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet uitgelaten over dat wat hij tegen de gerezen verdenking van plichtsverzuim heeft aangevoerd. Verder heeft de minister gehandeld in strijd met de artikelen 4:8 en 4:9 van de Awb en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door hem voorafgaand aan het opleggen van de schorsing en de ontzegging van de toegang niet daarover te horen. Daarnaast heeft de adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden Ministerie van Justitie en Veiligheid (adviescommissie) in strijd met artikel 7:8 van de Awb, de beginselen van equality of arms en hoor en wederhoor en de rechten van de verdediging gehandeld door hem niet toe te staan tijdens de hoorzitting in bezwaar een aantal getuigen te horen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat deze grond niet de ordemaatregel maar de verdenking van plichtsverzuim raakt en daarom onbesproken kan blijven. Ten slotte heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de minister gelet op artikel 4:16 van de Awb de duur van de schorsing had moeten vaststellen en dat de rechtbank ten onrechte geen termijn heeft genoemd waarop de minister de schorsing had moeten beëindigen. Het voortduren van de schorsing is niet evenredig met het daarmee gediende belang en daarom in strijd met artikel 3:4 van de Awb .

4.6.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de inhoud van het gesprek van 24 september 2018 tussen verzoeker en zijn leidinggevende K, zoals weergegeven in het daarvan door de aanwezige HR Adviseur opgemaakte verslag, voldoende grond opleverde voor een concreet vermoeden van ernstig plichtsverzuim, waardoor twijfel ontstond aan de integriteit van verzoeker en het in hem te stellen vertrouwen was geschaad. Dat dit verslag volgens verzoeker onvolledig is, leidt niet tot een andere conclusie. Gelet op de aard van de gedragingen van verzoeker kon de minister zich verder in redelijkheid op het standpunt stellen dat het niet aanvaardbaar was dat verzoeker in afwachting van de uitkomsten van het in te stellen disciplinaire onderzoek zijn werk bleef doen. De minister mocht daarom het dienstbelang laten prevaleren boven het belang van verzoeker om zijn werk te kunnen blijven doen en hem schorsen en de toegang tot IND-locaties ontzeggen. Dat de minister voorafgaand aan de schorsing en de ontzegging van de toegang verzoeker hierover niet heeft gehoord, maakt dit niet anders. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat, gelet op de gerezen verdenking, de vrees kon bestaan dat verzoeker bewijzen van zijn handelen zou kunnen wegmaken, dat er daarom haast was bij het opleggen van de schorsing en de ontzegging van de toegang en dat om die reden van het voorafgaand horen van verzoeker is afgezien. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in zijn betoog dat de minister heeft gehandeld in strijd met de artikelen 4:8 en 4:9 van de Awb en /of met artikel 6 van het EVRM .

4.7.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat wat verzoeker na het opleggen van de schorsing en de ontzegging van de toegang over de gerezen verdenking van plichtsverzuim heeft aangevoerd - over onder meer de werkwijze en de feitelijke gang van zaken binnen zijn team en de rol van zijn leidinggevende K daarbij - de aanvankelijk gerezen twijfel die aanleiding was voor het instellen van een onderzoek en het opleggen van de ordemaatregelen niet meer kon wegnemen. Wat verzoeker hierover heeft aangevoerd kon wel een rol spelen in het ingestelde onderzoek, bij de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek en bij de aan die uitkomsten te verbinden conclusies en gevolgen voor de rechtspositie van verzoeker. In de (bezwaar)procedure over die gevolgen - de oplegging van de disciplinaire straffen van voorwaardelijk ontslag en overplaatsing - zal worden beoordeeld of verzoeker zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim. In het licht hiervan moet ook de weigering van de adviescommissie om verzoeker toe te staan tijdens de hoorzitting in bezwaar getuigen te horen worden gezien. Verzoeker wilde deze getuigen horen ter ondersteuning van zijn verklaringen over de tegen hem gerezen verdenking van plichtsverzuim. Nu het in de hoorzitting niet ging over de juistheid van de verdenking van plichtsverzuim maar over de vraag of ten tijde van het opleggen van de ordemaatregelen daartoe voldoende aanleiding bestond, heeft de adviescommissie het verzoek om getuigen te mogen horen op goede gronden afgewezen. Wat verzoeker op dit punt naar voren heeft gebracht, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 7:8 van de Awb, de beginselen van equality of arms en /of hoor en wederhoor en/of de rechten van de verdediging.

4.8.

Over de duur van de ordemaatregelen overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In het besluit waarbij de schorsing en de ontzegging van de toegang zijn opgelegd is vermeld dat deze maatregelen gelden voor de duur van het disciplinaire onderzoek dan wel totdat verdere besluitvorming over de rechtspositie van verzoeker heeft plaatsgevonden. Hiermee is de duur van de maatregelen voldoende concreet aangeduid. Anders dan verzoeker meent, bestaat er geen verplichting om aan deze duur een concrete tijdspanne te verbinden. Gezien de impact en de reikwijdte van de door verzoeker afgelegde verklaringen, het mede daardoor geïnitieerde onderzoek van de commissie De Leeuw, de reactie van verzoeker hierop, de heropening van het disciplinair onderzoek en ten slotte het besluitvormingstraject deelt de voorzieningenrechter niet het standpunt van verzoeker dat de schorsing en de ontzegging van de toegang tot IND-locaties onaanvaardbaar lang hebben geduurd. Gelet hierop is van strijd met de artikelen 4:16 en/of 3:4 van de Awb geen sprake.

4.9.

Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2020.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) R.I.S. van Haaren


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature