< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Onvoorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim. Stelselmatig grensoverschrijdend en intimiderend gedrag in de vorm van het aanstichten van en het actief bijdragen aan een onveilige werksfeer. Misbruik van ICT-middelen van de gemeente Utrecht door veelvuldig grensoverschrijdende foto’s aan collega’s te versturen.

Uitspraak



18 5585 AW

Datum uitspraak: 20 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 september 2018, 17/4599 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Aarts hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. A.[Y.]. Vos, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aarts. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vos, A.H.W. Schrijver en [Y.].J.C. Velthuizen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1993 werkzaam bij de gemeente Utrecht, laatstelijk in de functie van [naam functie] op de afdeling [naam afdeling] (schaal 9).

1.2.

Op 10 oktober 2016 heeft een collega van appellant, [X.], een klacht over appellant en zijn collega [Y.] ingediend vanwege structureel pesten en intimidatie. Deze klacht is behandeld door de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de Decentrale Overheid (verder: Klachtencommissie). Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft het college appellant geschorst in het belang van de dienst. Hierbij is het appellant verboden om op enigerlei wijze direct of indirect contact te hebben met klanten, leveranciers, collega’s of hun naaste omgeving. Op 20 januari 2017 heeft de Klachtencommissie een advies uitgebracht, waarbij deze klacht gegrond is verklaard. Bij brief van 24 januari 2017 heeft het college appellant bericht dat het advies en het oordeel van de Klachtencommissie wordt overgenomen, dat diverse gedragingen van appellant als zeer ernstig plichtsverzuim worden aangemerkt en dat het college zich zal beraden over een disciplinaire maatregel.

1.3.

Bij brief van 27 januari 2017 heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stukken waaruit de gedragingen van appellant volgen die als ernstig plichtsverzuim worden gekwalificeerd. Op 6 februari 2017 heeft een verantwoordingsgesprek plaatsgevonden.

1.4.

Bij brief van 23 februari 2017 heeft het college appellant in kennis gesteld van het voornemen hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen op grond van artikel 16:3, eerste lid, aanhef en onder h, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU). Namens appellant is hierop meegedeeld dat het geen toegevoegde waarde heeft om een zienswijze in te dienen. Bij besluit van 16 maart 2017 heeft het college aan appellant met ingang van 17 maart 2017 de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

1.5.

Bij besluit van 29 september 2017 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 maart 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vastgesteld dat appellant is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, bestaande uit:

Stelselmatig grensoverschrijdend en intimiderend gedrag in de vorm van het aanstichten van en het actief bijdragen aan een onveilige werksfeer op de afdeling [naam afdeling], waaronder het doelbewust negeren van leidinggevenden en medewerkers met wie appellant het niet eens was of die volgens hem hebben “afgedaan”. Verder het herhaaldelijk vertellen dat een collega en een leidinggevende door zijn toedoen zijn vertrokken, het maken van seksistische en intimiderende opmerkingen en het regelmatig boeren en winden laten.

Misbruik van ICT-middelen van de gemeente Utrecht door veelvuldig grensoverschrijdende foto’s aan collega’s te versturen en waaronder ook het versturen van een bewerkt curriculum vitae van [X.];

Het ongeoorloofd kennisnemen van de klachtbrief van [X.] van 10 oktober 2016; Appellant heeft ongeoorloofd kennis genomen van de klachtbrief met bijlagen, die niet aan hem was gericht en die zijn collega [Y.] ongeoorloofd aan hem had verstrekt.

Overtreding van de voorwaarden die gekoppeld waren aan de toestemming aan appellant om nevenwerkzaamheden te verrichten als trainer/scout van de [opleiding] van [vereniging], het inschakelen van een collega daarbij en het zonder toestemming gebruik maken van kopieerfaciliteiten. Appellant heeft tijdens werktijd werkzaamheden voor de [opleiding] verricht, waaronder het versturen van e-mails en het geven van opdrachten aan collega’s om tijdens hun werktijd werkzaamheden voor de [opleiding] te verrichten zonder dat daarvoor toestemming is gevraagd, zoals het maken van kleurkopieën op apparaten en papier van de gemeente Utrecht.

De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat is komen vast te staan dat appellant de gedragingen onder A en B heeft begaan. Appellant heeft verder niet bestreden dat hij de gedragingen onder C en D heeft begaan. Met deze gedragingen heeft appellant zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit plichtsverzuim appellant niet volledig kan worden toegerekend. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van appellant op het verbod van willekeur dan wel het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de rol van collega [Y.] niet dezelfde was als die van appellant. De gedragingen waaraan die collega zich schuldig heeft gemaakt zijn geringer van aard dan de gedragingen die appellant heeft begaan en verder heeft het college van belang mogen achten dat appellant de aanstichter/aanjager was van ongewenst gedrag en dat zijn collega meer een meeloper was. Verder heeft het college voldoende gemotiveerd dat in het geval van die collega sprake was van medische beperkingen en dat om die reden een ontslag voor hem zwaarder zou zijn uitgevallen omdat hij vanwege zijn beperkingen niet snel aan een nieuwe baan zou kunnen komen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is het noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.

Appellant heeft in de eerste plaats betoogd dat het onderzoek van de Klachtencommissie onzorgvuldig is uitgevoerd en dat het advies van die commissie op die grond niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. In dit kader is aangevoerd dat ten onrechte gebruik is gemaakt van verklaringen van anonieme getuigen vanwege het risico op represailles, mede gezien de rol van de leidinggevenden bij het inschakelen van die getuigen. Evenmin als de rechtbank volgt de Raad appellant in zijn grief dat het onderzoek van de Klachtencommissie onzorgvuldig is geweest. Door de Klachtencommissie zijn, naast de vijf anonieme getuigen, ook vijf andere getuigen gehoord, onder wie leidinggevenden. Appellant heeft op alle verklaringen kunnen reageren. De verklaringen van die vijf met name genoemde getuigen bieden, in combinatie met de overige stukken die de Klachtencommissie ter beschikking had, voldoende grondslag voor het advies, zodat de verklaringen van de anonieme getuigen ook buiten beschouwing kunnen blijven. De verklaringen van de anonieme getuigen waren bij de Klachtencommissie slechts ondersteunend van aard. Dat de leidinggevende van appellant als informant bij de Klachtencommissie is opgetreden geeft evenmin aanleiding tot een ander oordeel.

4.3.

Met betrekking tot het aan appellant verweten aanstichten tot en deelnemen aan grensoverschrijdend/ongewenst gedrag overweegt de Raad dat uit het rapport van de Klachtencommissie blijkt dat appellant op de afdeling [naam afdeling] jarenlang een dominante negatieve rol vervulde. Hij maakte herhaaldelijk de opmerking dat hij collega’s kon maken en breken, maakte seksistische en/of ongepaste opmerkingen naar vrouwen, raakte ze soms ongevraagd aan, zocht informatie van vrouwen op via internet, maakte kleinerende opmerkingen over het uiterlijk van collega’s en vertoonde ongepast gedrag op het werk zoals het laten van winden en boeren en het wegschieten van stukjes snot naar collega’s. Verder verstuurde appellant foto’s naar collega’s van onder andere een schaars gekleed voetbalelftal, van een vrouwelijk geslachtsorgaan met geslachtsziekte (omdat een vrouwelijke collega had verteld over een operatie aan haar vagina) en van lilliputters (omdat een collega van een andere afdeling klein van stuk was). Appellant heeft verder een volstrekt ongepast Sinterklaasgedicht gemaakt en verspreid over een vrouwelijke collega die zou stinken met als conclusie dat ze maar zelfmoord moest plegen en heeft een curriculum vitae van collega [X.], waarover appellant vertrouwelijk beschikte, op kwetsende wijze herschreven en verspreid. Appellant wordt niet gevolgd in zijn visie dat dit alles was te vatten onder humoristisch gedrag dat paste in de op de afdeling heersende werksfeer. Appellant had juist vanwege zijn senioriteit een voorbeeldfunctie op de afdeling. Herhaaldelijk zei appellant ook dat een voormalige collega en een voormalige leidinggevende door zijn toedoen zouden zijn ontslagen. Opvallend is dat als appellant door leidinggevenden werd aangesproken op zijn gedrag, hij structureel antwoordde dat anderen het maar moesten zeggen als ze iets niet leuk vonden. Met het regelmatig versturen van de hiervoor genoemde aanstootgevende foto’s en berichten aan collega’s heeft appellant ook misbruik gemaakt van de ICT-middelen van de gemeente Utrecht. Het aan appellant onder A en B verweten plichtsverzuim staat dus voldoende vast.

4.4.

Met betrekking tot de nevenwerkzaamheden als trainer/scout bij [vereniging], heeft appellant gehandeld in strijd met de voorwaarden waaronder aan hem toestemming was verleend om die werkzaamheden te verrichten. Uit in het dossier aanwezige e-mailberichten blijkt dat appellant veelvuldig in werktijd voor deze functie werkzaamheden verrichtte, kleurkopieën maakte op kopieerapparaten van de gemeenten en zelfs collega’s opdrachten gaf om werkzaamheden in dat kader uit te voeren. Ook verzond hij e-mailberichten ten behoeve van zijn nevenfunctie vanaf zijn gemeentelijke e-mailaccount. Dat een leidinggevende hem had geleerd hoe een Excel-bestand moest worden gemaakt, betekent niet, zoals appellant betoogt, dat die leidinggevende ervan op de hoogte was en ermee instemde dat appellant onder werktijd trainingsroosters maakte voor zijn nevenfunctie. Ook het aan appellant verweten plichtsverzuim onder D staat dus voldoende vast.

4.5.

Reeds de hiervoor onder 4.3 en 4.4 aan appellant verweten en voldoende vaststaande gedragingen zijn aan te merken als aan appellant toe te rekenen plichtsverzuim dat naar het oordeel van de Raad, gelet op de aard en de ernst van de gedragingen, de disciplinaire straf van ontslag kan dragen. Gelet hierop behoeft de onder C aan appellant verweten gedraging geen bespreking meer. Hierbij wordt nog overwogen dat de grief van appellant dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel/verbod van willekeur heeft gehandeld door collega [Y.] geen strafontslag te verlenen, geen doel treft. Appellant had een seniorfunctie (schaal 9), was duidelijk de aanstichter van dit gedrag en heeft geen zelfinzicht getoond. Bij collega [Y.] (schaal 6) was sprake van meeloopgedrag en hij heeft wel spijt betuigd. Verder speelde nog een rol dat [Y.] medische beperkingen had. Ook ten aanzien van collega [Y.] zijn wel rechtspositionele maatregelen genomen (indeling in lagere salarisschaal en een regeling tot beëindiging van het dienstverband op een termijn van 18 maanden). Er was dus geen sprake van een inconsistente straftoemeting door het college.

4.6.

Gezien wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2020.

(getekend) J.J.T van den Corput

(getekend) S.H.H. Slaats


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature