< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Onjuiste urenverantwoording. De korpschef heeft wegens plichtsverzuim het voorwaardelijke strafontslag ten uitvoer gelegd en appellant met onmiddellijke ingang ontslagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de voorwaarde voor tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag is vervuld en dat de korpschef bevoegd was tot tenuitvoerlegging hiervan over te gaan.

Uitspraak



18 4649 AW

Datum uitspraak: 20 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2018, 17/5738 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.M. Weski, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weski. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Hofste, mr. L. Stegeman en J.J. van den Hul.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds mei 1994 in dienst bij de politie. Laatstelijk vanaf 2005 was hij werkzaam als [naam functie] bij het [team A, eenheid B.]. Hij was soms belast met de taak van [naam functie] en verder met het verrichten van opsporingswerkzaamheden.

1.2.

Vanaf 2007 is appellant, onder andere in de jaargesprekken, verscheidene malen door zijn leidinggevende aangesproken op de onjuiste wijze waarop hij - niet - gewerkte uren had verwerkt in het urenregistratiesysteem BVCM (BVCM). Bij brief van 1 september 2011 heeft de (rechtsvoorganger van de) korpschef vastgesteld dat appellant onzorgvuldig heeft gehandeld door, zonder toestemming van zijn leidinggevende, de dienst eerder te beëindigen en deze uren wel als zijnde gewerkt te verantwoorden in BVCM. Appellant is in deze brief uitdrukkelijk gewaarschuwd dat hij in de toekomst toestemming moet hebben van zijn leidinggevende indien hij het voornemen heeft de dienst eerder te beëindigen. Daarnaast moet appellant zijn diensten in BVCM verantwoorden zoals hij ze daadwerkelijk heeft gewerkt. Indien zich in de toekomst opnieuw een soortgelijk incident voordoet, zal dit als ernstig plichtsverzuim worden beschouwd en moet hij rekening houden met een disciplinaire straf.

1.3.

Bij besluit van 14 maart 2016 heeft de korpschef appellant wegens plichtsverzuim de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd onder de voorwaarde dat hij zich gedurende twee jaar niet schuldig zal maken aan soortgelijk, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. Aanleiding hiervoor waren de uitkomsten van een disciplinair onderzoek uitgevoerd door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) van 9 december 2015 waaruit bleek dat appellant op 23 juli 2014, 19 januari 2015, 16 en 19 maart 2015 uren had verantwoord in BVCM als zijnde gewerkt, terwijl hij op die dagen verlof had. Deze gedragingen zijn door de korpschef aangemerkt als plichtsverzuim. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant zich wederom schuldig had gemaakt aan plichtsverzuim door het onjuist verantwoorden van zijn uren, heeft VIK een onderzoek ingesteld. In het kader hiervan is onder andere BVCM geraadpleegd, is onderzoek verricht naar de dienstwijzigingslijst/het journaal, de keycardgegevens van appellant en zijn screenshots van camera’s bekeken. Daarnaast heeft appellant verklaringen afgelegd en zijn diverse collega’s gehoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van

1 augustus 2016.

1.5.

Na zijn voornemen hiertoe aan appellant kenbaar te hebben gemaakt en nadat appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de korpschef bij besluit van 22 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2017 (bestreden besluit), primair met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens plichtsverzuim het voorwaardelijke strafontslag ten uitvoer gelegd en appellant met onmiddellijke ingang ontslagen. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat appellant op 11, 12 en 13 april 2016 wederom zijn gewerkte uren verkeerd in BVCM heeft geregistreerd door te verantwoorden dat hij tot 23.00 uur had gewerkt, terwijl hij om respectievelijk 22.18 uur, 22.13 uur en 22.06 uur naar huis ging. Appellant had geen toestemming om zijn dienst eerder te beëindigen. Deze gedragingen zijn aangemerkt als soortgelijk plichtsverzuim, waardoor appellant zich niet heeft gehouden aan de bij het voorwaardelijke opgelegde strafontslag gestelde voorwaarden. Subsidiair heeft de korpschef appellant ontslag verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. Appellant betwist niet dat hij op 11,12 en 13 april 2016 naar huis is gegaan op de door de korpschef genoemde tijdstippen en dat dit ruim voor het einde van zijn diensttijd om

23.00

uur was. Ook betwist appellant niet dat hij zijn werktijden op deze dagen onjuist heeft geregistreerd in BVCM. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ofwel de tijd diende te werken waarvoor hij stond ingeroosterd, dan wel zijn tijdsregistratie diende aan te passen aan de tijd die hij daadwerkelijk heeft gewerkt. De rechtbank volgt niet het betoog van appellant dat het eerder naar huis gaan moet worden bestempeld als een binnen de afdeling bestaande cultuur van ‘sociaal aflossen’ en hem daarom niet kan worden tegengeworpen. De rechtbank volgt evenmin het betoog van appellant dat hij door zijn leidinggevende in deze positie is gebracht. Ook wordt appellant niet anders behandeld dan zijn collega’s. De rechtbank wijst erop dat appellant in de loop van de tijd op verschillende wijzen en meermaals is aangesproken op het juist verantwoorden van zijn uren. Het niet juist registeren van de uren in BVCM levert een soortgelijk plichtsverzuim op als dat waarvoor de korpschef appellant bij besluit van

14 maart 2016 voorwaardelijk strafontslag heeft opgelegd, zodat aan de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van het strafontslag is voldaan. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de korpschef niet in redelijkheid tot de tenuitvoerlegging van het strafontslag had kunnen komen, is de rechtbank niet gebleken. Nu het ontslag op de primaire grond in stand blijft, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de subsidiaire grondslag.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraken van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637 en 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8508) moet bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke disciplinaire straf van ontslag worden beoordeeld of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke disciplinaire straf rechtvaardigt. Naast die beoordeling is geen plaats voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld moet dus worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld en, zo ja, of het bestuursorgaan de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en in redelijkheid daartoe heeft kunnen komen. Gezien het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging is deze belangenafweging van beperkte betekenis. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld.

3.2.

De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de voorwaarde voor tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag is vervuld en dat de korpschef bevoegd was tot tenuitvoerlegging hiervan over te gaan. Hij onderschrijft dit oordeel en maakt de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad het volgende toe.

3.3.

Appellant betoogt dat het door VIK uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig is en daarom niet aan het besluit ten grondslag kan worden gelegd, omdat zijn verzoek om een aanvullend onderzoek naar de wijze waarop zijn collega’s zogenoemde inhaaluren opnamen is afgewezen. Dit betoog slaagt niet. Appellant betwist niet dat hij de hem verweten gedragingen zoals weergegeven in 1.5 heeft begaan. Daarnaast heeft VIK appellant tijdens zijn verhoor gevraagd wie appellant gehoord wil hebben. Appellant heeft hierop geantwoord dat hij iedereen gehoord wil hebben en verwijst meer expliciet naar de collega die samen met hem eerder vertrok. VIK heeft de leidinggevende en diverse (directe) collega’s van appellant, waaronder de collega die appellant had genoemd, gehoord over ‘sociaal aflossen’ en het opnemen van inhaaluren. Hierdoor en mede in het licht van wat de Raad hierna in 3.4 overweegt, bestond er geen aanleiding voor het horen van (nog) meer collega’s door VIK.

3.4.

Het betoog van appellant dat het eerder dan einde dienst naar huis gaan, moet worden uitgelegd binnen de context van ‘sociaal aflossen’ en daarom geen plichtsverzuim oplevert, slaagt niet. Vaststaat dat appellant door zijn leidinggevende verscheidene keren uitdrukkelijk erop gewezen is dat hij zijn diensten niet zonder toestemming eerder mocht beëindigen en dat hij zijn feitelijk gewerkte uren moest verantwoorden in BVCM. Appellant was dan ook een gewaarschuwd mens en bevond zich in zoverre, anders dan hij aanvoert, niet in een soortgelijke situatie als waarin zijn collega’s zich bevonden. Appellant blijft verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag en was gehouden de gemaakte afspraken met zijn leidinggevende na te komen. Daar komt bij dat uit de verklaringen van zijn leidinggevende en verscheidene

- directe - collega’s blijkt dat over het algemeen geen sprake meer is van sociaal aflossen als, zoals op de hier aan de orde zijnde data het geval is geweest, meer dan 30 minuten voor einde dienst naar huis wordt gegaan.

3.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2020.

(getekend) J.J.T van den Corput

(getekend) S.H.H. Slaats


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature