< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij wijze van maatregel verlagen van de bijstand. 100% gedurende één maand. Geüniformeerde maatregel. Niet gebruik maken van aangeboden voorziening in vorm van werkervaringsplaats. Maatwerk. Eenzijdige beëindiging door appellante. Appellante had kunnen overleggen over oplossing. Geen aanleiding voor matiging verlaging.

Uitspraak



18/3054 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 mei 2018, 17/3852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)

Datum uitspraak: 18 februari 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. Appellante en mr. Verstraelen zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Azzaimoun.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is in 2012 ontslagen uit haar functie van medewerker apotheek. Na het ontslag heeft zij eerst een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen en daarna een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Met ingang van 29 december 2015 ontvangt appellante bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Voor appellante gelden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de PW .

1.2.

Op 16 juni 2016 heeft een medewerker van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Stein (medewerker) samen met appellante een ‘Plan van aanpak re-integratie’ opgesteld. In dit plan van aanpak is opgenomen dat appellante om de week bij Salus2Talent workshops bezoekt die zijn gericht op het vinden van werk en dat zij wordt aangemeld om werkervaring op te doen bij het [BV] . Bij besluit van 18 augustus 2016 heeft het college appellante meegedeeld dat zij op 20 juni 2016 is aangemeld bij het [BV] voor een traject richting werk.

1.3.

Appellante heeft bij Salus2Talent workshops gevolgd om haar sollicitatievaardigheden te trainen. Tijdens dit gedeelte van het traject bleek dat appellante niet direct bemiddelbaar was voor werk en dat zij ‘coaching on the job’ nodig heeft.

1.4.

Het college heeft appellante uiteindelijk een geschikte werkervaringsplaats met ‘coaching on the job’ bij het [BV] aangeboden. Daartoe heeft appellante op 4 april 2017 met [BV] een ‘Werkervaringsovereenkomst’ gesloten. Hierbij is overeengekomen dat appellante in de gelegenheid wordt gesteld om werkervaring op te doen bij de afdeling receptie/administratie van het [BV] voor de periode van 10 april 2017 tot 10 juni 2017 gedurende twintig uur per week. In artikel 11, eerste lid, van de overeenkomst is bepaald dat de werkervaringsplaats in onderling overleg tussentijds kan worden beëindigd indien van één of van beide partijen redelijkerwijs niet kan worden verlangd de werkervaringsplaats voort te zetten.

1.5.

Bij e-mailbericht van 1 mei 2017 (e-mailbericht) heeft appellante aan haar werkbegeleidster bij het [BV] het volgende meegedeeld:

“Ik heb er over nagedacht over de werkervaringsplek en wil er toch mee stoppen. Het lukt me niet om zoveel info op te slaan en allerlei handelingen wat er bij komt. Ik denk ook dat dat komt doordat ik nu op het moment teveel aan mijn hoofd heb.

En als het me niet lukt op dat moment word ik er nog onzekerder door, dus dat schiet dan ook niks op! En vind het dan ook niet prettig om dan gestrestst te raken, wat natuurlijk ook onprettig werken is voor mij.

Voor de rest vond ik het leuk om te doen!

Maar het heeft nu even geen zin om er van mijn kant nog energie in te steken, hoop dat je dat begrijpt.

Maar wil je bedanken dat je me die kans hebt gegeven.

Ik zal ook contact opnemen met [naam] en dat doorgeven.”

1.6.

In verband hiermee hebben een medewerker van de gemeente Stein en de jobcoach op 23 mei 2017 een gesprek met appellante gevoerd. Volgens het verslag daarvan, opgenomen in een maatregelrapportage van 21 juni 2017, heeft appellante onder meer het volgende verklaard. Zij is gestopt bij het [BV] , omdat ze kampt met privé problematiek. De laatste tijd heeft zij veel last van vergeetachtigheid, maar is daarvoor nog niet naar de huisarts gegaan. Door haar vergeetachtigheid kon zij niet veel informatie onthouden en was het voor haar ook erg moeilijk om alle handelingen correct uit te voeren. Het is achteraf gezien niet handig dat zij op eigen initiatief is gestopt met de werkervaringsplaats, maar op dat moment was het een gestreste situatie en had zij teveel aan haar hoofd.

1.7.

Bij besluit van 21 juni 2017, zoals gewijzigd bij besluit van 10 juli 2017 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 1 juni 2017 verlaagd met 100% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand, gespreid toegepast over de maanden juni tot en met augustus 2017. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante, door haar werkervaringsplek op 1 mei 2017 eenzijdig te beëindigen, de verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling, niet is nagekomen. Het college heeft geen aanleiding gezien de maatregel nader af te stemmen wegens dringende redenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichting: het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.1.2.

Op grond van het vijfde lid verlaagt het college, in het geval van het niet nakomen van een verplichting bedoeld in het vierde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, vastgestelde periode van ten minste een

maand en ten hoogste drie maanden. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, kan tevens bepalen dat het bedrag van de verlaging wordt verrekend over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste de twee volgende maanden, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend.

4.1.3.

Op grond van het negende lid ziet het college af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.4.

Op grond van het tiende lid stemt het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

4.2.1.

Aan het vijfde van artikel 18 van de PW is, ten tijde hier van belang, toepassing gegeven bij de Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Stein 2015 (Afstemmingsverordening), die op 1 januari 2015 in werking is getreden.

4.2.2.

Op grond van artikel 10 van de Afstemmingsverordening wordt bij niet nakoming van artikel 18, vierde lid, van de PW een maatregel opgelegd van 100 % van de bijstandsnorm voor de duur van één maand.

4.3.

Niet (meer) in geschil is dat de werkervaringsplaats bij het Steinerbos een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling is. Appellante heeft aangevoerd dat het college ten onrechte geen maatwerk heeft geleverd bij de aan haar aangeboden voorziening bij het [BV] en daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met haar privéomstandigheden.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank heeft overwogen, onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331), is het niet aan de belanghebbende maar aan het college om te bepalen welke re‑integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Wel is vereist dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging. Uit 1.2 tot en met 1.4 volgt dat het college een zorgvuldige, op de persoon van appellante toegesneden afweging heeft gemaakt alvorens de werkervaringsplaats bij het [BV] aan te bieden aan appellante. Ook volgt daaruit dat, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, dat het college, door de werkervaringsplaats bij het [BV] aan te bieden voldoende maatwerk heeft geleverd.

4.5.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door, nadat appellante op 1 mei 2017 was uitgevallen, niet direct en adequaat te onderzoeken waarom appellante was uitgevallen en door geen passende maatregelen te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante is niet uitgevallen, zoals zij stelt, maar zij heeft de werkervaringsplaats zelf eenzijdig opgezegd. Haar klantmanager heeft het e-mailbericht, waarin appellante te kennen heeft gegeven dat en waarom zij de werkervaringsplaats opzegt, op 2 mei 2017 ontvangen. Vervolgens heeft de klantmanager appellante bij brief van 3 mei 2017 uitgenodigd voor een gesprek op 11 mei 2017 om uitleg te geven over haar opzegging. In overleg met appellante is dit gesprek verplaatst naar 23 mei 2017. Gelet op deze gang van zaken valt niet valt in te zien dat en in welk opzicht het college onzorgvuldig

heeft gehandeld. Welke passende maatregelen het college had kunnen nemen nadat appellante de werkervaringsplaats had opgezegd, heeft appellante niet vermeld, zodat hieraan voorbij wordt gegaan.

4.6.

Door met het e-mailbericht de werkervaringsplaats eenzijdig te beëindigen, heeft appellante geweigerd gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Gelet hierop was het college ingevolge artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, en vijfde lid, van de PW, gehouden de bijstand van appellante te verlagen overeenkomstig de toepasselijke Verordening.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat het college in haar geval had moeten afzien van het opleggen van een maatregel, omdat bij haar elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Het is aan appellante aannemelijk te maken dat haar geen enkel verwijt treft. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van artikel 18, negende lid, van de PW . Appellante is daarin niet geslaagd. Dat zij van mening is dat zij het niet langer kon opbrengen om op de werkervaringsplek te verschijnen, omdat zij door privéomstandigheden niet optimaal kon functioneren, is geen reden om – zonder overleg – eenzijdig de werkervaringsplaats bij het [BV] te beëindigen. De door appellante overgelegde verklaring van de huisarts van 30 juni 2017 maakt dit niet anders. Deze verklaring houdt, kort gezegd, in dat appellante psychische en lichamelijke problemen ervaart en is doorverwezen naar AmaCura en de gynaecoloog. Hieruit blijkt niet dat het voor appellante niet mogelijk was om met haar werkbegeleidster te overleggen over mogelijke oplossingen voor de door appellante ervaren problemen bij de werkervaringsplaats dan wel, conform artikel 11, eerste lid, van de werkervaringsplaatsovereenkomst, over een eventuele tussentijdse be ëindiging van de werkervaringsplaats.

4.8.

Gelet op 4.6 en 4.7 was het college op grond van artikel 18, vijfde lid, van de PW in verbinding met artikel 10 van de Afstemmingsverordening in beginsel gehouden de bijstand van appellante gedurende één maand te verlagen met 100% van de bijstandsnorm.

4.9.

Appellante heeft aangevoerd dat het college geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met haar persoonlijke mogelijkheden en beperkingen. Het moet ervoor worden gehouden dat appellante hiermee heeft willen aanvoeren dat zich in haar geval dringende redenen, gelet op bijzondere omstandigheden, voordoen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW , om de maatregel nader af te stemmen. Alleen al omdat appellante op geen enkele wijze heeft toegelicht en onderbouwd dat en in welk opzicht haar mogelijkheden en beperkingen afstemming van de maatregel met toepassing van artikel 18, tiende lid, van de PW rechtvaardigen, slaagt deze beroepsgrond niet.

4.10.

Uit 4.3 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2020.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L. Hagendijk


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature