< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Eenmalige bijschrijving ter uitvoering van een door appellant gesloten commerciële kredietovereenkomst met een commerciële kredietgever voor een lening van € 500,- ten onrechte aangemerkt als inkomen. De lening komt naar zijn aard niet overeen met de in artikel 32, eerste lid, van de PW genoemde inkomensbronnen. De vraag of en, zo ja, op welke wijze de eenmalige bijschrijving met toepassing van artikel 34, vierde lid, van de PW moet leiden tot een nieuwe vermogensvaststelling, ligt in deze zaak niet voor. Dit is bovendien ook niet van belang voor (de omvang van) het recht op bijstand van appellant in de hier te beoordelen maand november 2017.

Uitspraak



19 4445 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2019, 19/2896 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 10 november 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben schriftelijk gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N. Roos, advocaat en kantoorgenoot van mr. Stout. Als tolk is [naam tolk] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 16 juni 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam met appellant op 26 september 2018 en 5 oktober 2018 gesprekken gevoerd. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant op 22 november 2017 een bedrag van € 500,- van X op zijn bankrekening heeft ontvangen onder de vermelding ‘lening’ en dat appellant nadien maandelijks aan X bedragen heeft overgemaakt onder vermelding van ‘afbetaling lening’. Appellant heeft daarover verklaard dat het ontvangen bedrag een lening betreft, hij deze lening in termijnen van € 75,- moest afbetalen, hij geen termijn over heeft geslagen, hij soms extra heeft afgelost als hij een toeslag ontving en hij de lening uiteindelijk in zeven maanden heeft afbetaald. Op 10 oktober 2018 heeft appellant desgevraagd een op 20 november 2017 gesloten kredietovereenkomst tussen hem en kredietverlener ‘Lenen met uitkering en BKR’ (Lenen MUB), vertegenwoordigd door X, overgelegd. In deze kredietovereenkomst is opgenomen dat appellant een bedrag van € 500,- leent van Lenen MUB, hij over het totaal geleende bedrag maandelijks 5% rente verschuldigd is en hij maandelijks een bedrag van € 75,- op deze lening dient af te lossen. Bij niet nakomen van de overeenkomst is een boete van € 1.000,- verschuldigd. De bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 oktober 2018.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluit van 24 oktober 2018, na bezwaar – voor zover hier van belang – gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2019 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de maand november 2017 te herzien en de over die maand gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.063,80, in bezwaar verlaagd naar € 788,-, van appellant terug te vorderen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst van het bedrag van € 500,-. Appellant heeft verklaard dat dit bedrag een lening betreft, maar een lening is niet uitgesloten van het in de PW neergelegde middelenbegrip. Het college heeft het bedrag van € 500,- aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW en op de bijstand in mindering gebracht. Het college heeft verder de vordering van € 500,- gebruteerd tot een totaalbedrag van € 788,-. Bij dit besluit heeft het college verder in verband met de ontvangst van een bedrag van € 1.690,60 uit afkoop van een levensverzekering het vermogen van appellant met ingang van 1 juli 2018 opnieuw vastgesteld op een bedrag van € 1.690,60 en zijn vrij te laten vermogen per 1 juli 2018 op een bedrag van € 6.020,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het college het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend.

4.1.2.

Volgens artikel 32, eerste lid, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking komende middelen voor zover deze (a) betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet ,dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en(b) betrekking hebben op de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.1.3.

Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW wordt onder vermogen verstaan de middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen bedoeld in artikel 32 en 33.

4.2.

Zoals ter zitting besproken is tussen partijen niet in geschil dat het bedrag van € 500,- dat appellant op 22 november 2017 van X heeft ontvangen een lening betreft en evenmin dat dit ontvangen bedrag moet worden gerekend tot de middelen van appellant in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW . Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of het college dit bedrag terecht over de maand november 2017 als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, PW heeft aangemerkt.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat geen sprake is van inkomen, omdat het gaat om een eenmalige bijschrijving in de vorm van een lening die hij heeft afgesloten bij een commerciële kredietverlener en hij deze lening volgens de afspraken in de kredietovereenkomst heeft terugbetaald.

4.4.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 32, eerste lid, van de Wet werk en bijstand – deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 32, eerste lid, van de PW – (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr 3, blz. 58-59) valt af te leiden dat de bedoeling van de wetgever is dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals inkomsten uit arbeid en uitkeringen, en kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, als inkomen in aanmerking moeten worden genomen. Verder valt uit die geschiedenis af te leiden dat de wetgever niet heeft beoogd een uitputtende opsomming van de in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen te geven, maar om een aantal inkomensbronnen als voorbeeld te vermelden. De wetgever heeft daarbij benoemd dat ook eenmalig ontvangen bedragen die naar hun aard hiermee overeenkomen als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen. Een tweede criterium voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen heeft betrekking op de periode waarop de inkomsten betrekking hebben. Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) volgt dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger die een terugkerend karakter of periodiek karakter hebben, die door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en die zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, inkomsten zijn als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW .

4.5.

Vaststaat dat hier geen sprake is van kasstortingen of bijschrijvingen met een terugkerend of periodiek karakter, maar van een eenmalige bijschrijving. Zoals de Raad vaker heeft geoordeeld (uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055), kan onder omstandigheden ook een eenmalige kasstorting of eenmalige bijschrijving als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW worden aangemerkt. In dit geval kan dat echter niet. Voor de vraag of een middel als inkomen kan worden aangemerkt is namelijk van belang of de bron behoort tot of naar zijn aard overeenkomt met de in artikel 32, eerste lid, van de PW genoemde inkomensbronnen. Het gaat hier om een eenmalige bijschrijving ter uitvoering van een door appellant gesloten commerciële kredietovereenkomst met een commerciële kredietgever voor een lening van € 500,-. Deze overeenkomst bevat precieze aflossingsverplichtingen, rentebepalingen en een boetebepaling bij niet nakomen van de overeenkomst. Het commerciële karakter van de kredietovereenkomst wordt bevestigd door het gegeven dat appellant met de afgesproken termijnbetalingen de verplichtingen uit de kredietovereenkomst is nagekomen. Hieruit volgt dat de bijschrijving van € 500,- niet behoort tot de zojuist genoemde inkomensbronnen en ook niet naar zijn aard daarmee overeenkomt. Dit betekent dat het college de bijschrijving van € 500,- op 22 november 2017 ten onrechte als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW heeft aangemerkt. De vraag of en, zo ja, op welke wijze de eenmalige bijschrijving met toepassing van artikel 34, vierde lid, van de PW moet leiden tot een nieuwe vermogensvaststelling, ligt in deze zaak niet voor. Dit is bovendien ook niet van belang voor (de omvang van) het recht op bijstand van appellant in de hier te beoordelen maand november 2017. Ook indien het bedrag van € 500,- zonder rekening te houden met de schuld aan Lenen MUB bij de vermogensvaststelling zou moeten worden betrokken, zou, zoals uit 1.3 volgt, de grens van vrij te laten vermogen niet worden overschreden.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voor zover het de herziening en terugvordering betreft, en het besluit van 24 oktober 2018 ook in zoverre herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep, in totaal € 2.100,- voor verleende rechtsbijstand. Bij het bestreden besluit is een vergoeding voor de kosten in bezwaar toegekend die bij deze uitspraak in stand wordt gelaten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 23 mei 2019 voor zover het de herziening en terugvordering betreft;

herroept het besluit van 24 oktober 2018 in zoverre;

veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;

bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 175,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) Y. Al-Qaq


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature