< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Nawerking Ziektewet, weigering ziekengeld. Uit artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat aan een beoordeling als hier aan de orde ten minste drie verschillende functies ten grondslag moeten worden gelegd. Met de vaststelling dat van de oorspronkelijk geselecteerde functies er nog slechts twee geschikt zijn heeft het Uwv ontoereikend gemotiveerd waarom er geen aanleiding is terug te komen van het besluit van 13 juni 2014, waarbij het ziekengeld van appellant per 14 juli 2014 is beëindigd. Volgt tussenuitspraak met opdracht gebrek te herstellen.

Uitspraak



17 3794 ZW-T

Datum uitspraak: 12 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 april 2017, 16/7044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Polen (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als montagemedewerker. Op 2 maart 2013 heeft hij zich ziek gemeld na een bedrijfsongeval. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid na een eerstejaars ZW‑beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2014 vastgesteld dat appellant op 1 mei 2014 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd en dat hij daarom per 14 juli 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als montagemedewerker, maar wel tot het vervullen van een aantal andere functies. Tegen het besluit van 13 juni 2014 heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij brief van 20 januari 2016 heeft appellant een beroep gedaan op nawerking van de ZW omdat zijn klachten en beperkingen op of omstreeks 14 juli 2014 zijn toegenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een brief van zijn medisch adviseur

W. Schuwirth en informatie van zijn behandelend chirurg overgelegd. Bij besluit van

30 maart 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat de medische informatie geen aanleiding geeft om het besluit van 13 juni 2014 te herzien. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van

30 maart 2016 is door het Uwv bij besluit van 7 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag, waarin deze concludeert dat (arbitrair) per 14 juli 2014 sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de eerdere medische beoordeling in 2014. De per 14 juli 2014 geldende beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

3 oktober 2016. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat op basis van die gewijzigde FML twee van de per 14 juli 2014 geselecteerde functies nog geschikt zijn voor appellant. Het Uwv heeft het besluit dat appellant vanaf 14 juli 2014 geen recht op ziekengeld heeft gehandhaafd op de grond dat appellant per 14 juli 2014 en in de zogeheten nawerkingsperiode geschikt is voor ten minste één van de in het kader van de toetsing verbetering belastbaarheid na een EZWb geselecteerde functies.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is zowel wat inhoud betreft als wijze van totstandkoming zorgvuldig en consistent. De door appellant ingebrachte medische informatie is meegenomen in de beoordeling en de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die tot een ander medisch oordeel zouden kunnen leiden. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat op basis van de gewijzigde FML de oorspronkelijk geselecteerde functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBC-code 271093) per 14 juli 2014 voor appellant onveranderd geschikt zijn te achten. Appellant is door de rechtbank niet gevolgd in zijn standpunt dat hij de functies niet kan verrichten omdat hij op de datum in geding geen schoeisel kon verdragen en met krukken liep. In de FML is appellant beperkt geacht voor het dragen van knellend schoeisel aan de linkervoet. In de functie van productiemedewerker industrie is het dragen van goed aangemeten en goed passende veiligheidsschoenen voor appellant geen probleem. Volgens de rechtbank valt voorts niet in te zien waarom het lopen met krukken in de weg zou staan aan het verrichten van beide zittende functies.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 3 oktober 2016 is weergegeven en dat hij niet geschikt is te achten voor de twee resterende functies. Appellant vindt dat het Uwv ten onrechte niet is teruggekomen van het besluit van 13 juni 2014 waarbij het ziekengeld per

14 juli 2014 is beëindigd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 19aa luidt (voor zover hier van belang ) als volgt:

1. In afwijking van artikel 19 heeft de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet , nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde, indien de verzekerde:

a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19; en

b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de door appellant bij zijn ziekmelding op 20 januari 2016 overgelegde medische informatie vastgesteld dat de FML, die ten grondslag lag aan de beëindiging van het ziekengeld per 14 juli 2014, niet kan worden gehandhaafd. Appellant is per 14 juli 2014 aangewezen op overwegend zittend werk met kort staan en lopen en de FML is aangepast op de aspecten staan en lopen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 3 oktober 2016 nader vastgestelde belastbaarheid van appellant voor onjuist te houden. De overwegingen van de rechtbank op dit punt worden volledig onderschreven.

4.3.

De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar standpunt dat op basis van deze aangepaste FML de oorspronkelijk geselecteerde functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBC-code 271093) op 14 juli 2014 voor appellant onveranderd geschikt zijn te achten. De overwegingen van de rechtbank op dit punt worden eveneens onderschreven.

4.4.

Anders dan de rechtbank acht de Raad de geschiktheid voor ten minste een van de oorspronkelijk geselecteerde functies een ontoereikende motivering voor het standpunt van het Uwv dat appellant per 14 juli 2014 geen recht heeft op ziekengeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien per 14 juli 2014 aanvullende beperkingen voor appellant aan te nemen. Het Uwv heeft de medische grondslag van het besluit van 13 juni 2014, waarbij het ziekengeld van appellant per 14 juli 2014 werd beëindigd, gewijzigd. Gelet hierop diende het Uwv vervolgens te beoordelen of op basis van de gewijzigde FML van 3 oktober 2016 voldoende functies geselecteerd konden worden om de beëindiging van ziekengeld per 14 juli 2014 te kunnen handhaven. Uit artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat aan een beoordeling als hier aan de orde ten minste drie verschillende functies ten grondslag moeten worden gelegd. Met de vaststelling dat van de oorspronkelijk geselecteerde functies er nog slechts twee, namelijk de functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en machinebediende inpak/verpakkingsmachine (SBC-code 271093), geschikt zijn heeft het Uwv ontoereikend gemotiveerd waarom er geen aanleiding is terug te komen van het besluit van 13 juni 2014, waarbij het ziekengeld van appellant per 14 juli 2014 is beëindigd. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.5.

De aard van het vastgestelde gebrek leent zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. Het Uwv dient alsnog te bezien of er voldoende functies zijn die het standpunt kunnen onderbouwen dat er geen aanleiding is om het besluit van

13 juni 2014 te herzien.

5. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 7 oktober 2016 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020.

(getekend) M. Greebe

(getekend) C.M. van de Ven


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature