< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Geen sprake van opvolgend werkgeverschap, zodat geen dienstverband voor onbepaalde tijd is ontstaan.

Uitspraak



20 635 AW

Datum uitspraak: 5 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 januari 2020, 18/2928 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. N. Mauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. drs. M.L.M. van de Laar, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.E. Savelsberg en mr. drs. Mauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Van de Laar.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen vóór 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat vóór 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2020.

1.2.

Appellante was van 5 januari 2015 tot en met 5 juli 2015 werkzaam bij de gemeente [gemeente] op basis van een detacheringsovereenkomst met [X] ([X]) in de functie van [naam functie 1]. Deze detacheringsovereenkomst werd op 18 juni 2015 verlengd tot en met 1 oktober 2015. Vervolgens werd deze detacheringsovereenkomst verlengd tot en met 31 december 2015 en was appellante werkzaam in [naam functie 2]. Van 1 april 2016 tot 1 januari 2017 was appellante vanuit [X] op detacheringsbasis in deeltijd werkzaam bij de gemeente [gemeente] in de [naam functie 3] ([naam functie 3]). Daarnaast was appellante van 1 april 2016 tot 1 april 2018 in tijdelijke dienst aangesteld bij de gemeente [gemeente] als [naam functie 4] ([naam functie 4]).

1.3.

Bij brief van 28 maart 2018 heeft het college aan appellante medegedeeld dat haar tijdelijke aanstelling ingevolge artikel 8:12, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) op 1 april 2018 van rechtswege afloopt.

1.4.

Bij brief van 30 maart 2018 heeft appellante het standpunt ingenomen dat zij op grond van artikel 2:4, vierde lid, van de CAR/UWO is aangesteld voor onbepaalde tijd.

1.5.

Bij besluit van 10 april 2018 (primair besluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

6 november 2018 (bestreden besluit), heeft het college aan appellante medegedeeld dat sprake is van een van rechtswege afgelopen aanstelling. De tijdelijke aanstelling als [naam functie 4] betreft een andere functie dan die van [naam functie 3], waardoor niet is voldaan aan het vereiste van opvolgend werkgeverschap, zoals bedoeld in artikel 2:4, vierde lid, van de CAR/UWO. Het college heeft het bezwaar voor zover gericht tegen de brief van 28 maart 2018 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep alleen is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante op basis van de diverse arbeidsovereenkomsten met [X] en de tijdelijke aanstelling bij de gemeente [gemeente] over de periode van 5 januari 2015 tot 1 april 2018 de maximale termijn voor tijdelijke aanstellingen (24 maanden), zoals bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO, heeft overschreden. Om te bepalen of sprake is van opvolgend werkgeverschap, zoals bedoeld in artikel 2:4, vierde lid, van de CAR/UWO, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad (arresten van 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9603 en 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2905). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende toegelicht dat [naam functie 2] WMO en de functie van [naam functie 4] – inhoudelijk – wezenlijk van elkaar verschillen. Iedere functie heeft haar eigen competenties. De functies zijn voorts niet uitwisselbaar. Het feit dat een aantal taakonderdelen van beide functies gelijkenis vertoont, maakt niet dat sprake is van opvolgend werkgeverschap. Ook heeft het college terecht gesteld dat het verrichten van beide functies op dezelfde afdelingen en dezelfde werkplek, met dezelfde collega’s en dezelfde leidinggevende, niet tot een andere uitkomst leidt. Nu appellante gedurende de gehele ketenperiode niet dezelfde werkzaamheden met identieke vaardigheden en verantwoordelijkheden heeft verricht, is naar het oordeel van de rechtbank de keten onderbroken. Dat betekent dat in het geval van appellante geen dienstverband voor onbepaalde tijd is ontstaan.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft volledig het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat geen sprake is van opvolgend werkgeverschap, zodat geen dienstverband voor onbepaalde tijd is ontstaan. De Raad neemt de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd over en maakt die tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad het volgende toe.

4.2.

Appellante stelt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de toetsing van artikel 2:4, vierde lid, van de CAR/UWO, omdat de rechtbank heeft overwogen dat appellante gedurende de gehele ketenperiode niet dezelfde werkzaamheden met identieke vaardigheden en verantwoordelijkheden heeft verricht. Dit betoog slaagt niet. In haar overwegingen toetst de rechtbank expliciet of sprake is van wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden. De Raad verwijst in dit verband naar rechtsoverwegingen 9 tot en met 11 van de aangevallen uitspraak. De term ‘identieke’ in rechtsoverweging 13 is naar de Raad begrijpt niet dragend geweest voor de beslissing van de rechtbank.

4.3.

In hoger beroep betoogt appellante opnieuw dat de gemeente [gemeente] redelijkerwijs geacht moet worden de opvolger van [X] te zijn, omdat [naam functie 2] WMO en die van [naam functie 4] wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden vereisen. Dit betoog slaagt niet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de functies van [naam functie 3] en [naam functie 4] dusdanig verschillend zijn dat geen sprake is van feitelijk – in hoofdzaak – dezelfde werkzaamheden. Hierbij is van belang dat voor beide functies een ander wettelijk kader geldt en beide functies betrekking hebben op een andere doelgroep. Verder is procesvertegenwoordiging in bezwaar en beroep, anders dan bij de functie van [naam functie 4], een wezenlijk onderdeel van [naam functie 2] WMO. Ook is bij de functie van [naam functie 4], anders dan bij [naam functie 2] WMO, over het algemeen sprake van samenwerking met meerdere instanties of ketenpartners, waarbij een zekere risico-afweging moet worden gemaakt. Daar komt bij dat de tijdelijke aanstelling van appellante bij de gemeente [gemeente] niet het gevolg is van een situatie die voortvloeit uit het handelen van één of beide werkgevers. Appellante heeft immers op eigen initiatief gesolliciteerd naar de functie van [naam functie 4]. De gemeente [gemeente] kan ten aanzien van de verrichte arbeid dan ook redelijkerwijs niet geacht worden de opvolger van [X] te zijn, zodat niet van rechtswege een vaste aanstelling is ontstaan.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2020.

(getekend) H. Lagas

(getekend) R.H. Koopman


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature