< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

In geschil is de belastbaarheid van appellant op 12 december 2013 (datum in geding) en meer in het bijzonder of appellant op die datum geschikt was voor het werk in de functie van grondwerker. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen als de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tegen de conclusies van de deskundige heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om van de conclusies in haar rapport af te wijken. De stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een aanvullende expertise door een neurochirurg had moeten worden uitgevoerd, wordt daarom niet gevolgd. Bovendien is een verzekeringsarts bij uitstek deskundig om de klachten van een persoon te vertalen naar beperkingen en naar de geschiktheid voor arbeid. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. Inmiddels staat vast dat in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 nog maar één besluit mogelijk is, namelijk dat appellant vanaf 12 december 2013 recht heeft op ziekengeld. Daarom zal zelf in de zaak worden voorzien door het besluit van 6 maart 2014 te herroepen, te bepalen dat appellant met ingang van 12 december 2013 recht heeft op ziekengeld en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 mei 2016. Omdat de ongeschiktheid tot werken voortduurt na 12 december 2013, wordt de wachttijd van 104 weken vervuld en zal het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA bij het einde van de wachttijd moeten vaststellen. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2016 dienen te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De redelijke termijn is met twee jaar en zes maanden overschreden, zowel aan het Uwv als aan de bestuursrechter toe te rekenen. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor de kosten in bezwaarprocedures en voor verleende rechtsbijstand in de beroepen en hoger beroepen.

Uitspraak



17 2783 ZW, 17/8213 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

23 februari 2017, 16/4181 (aangevallen uitspraak 1) en 16 november 2017, 17/2678 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amstelveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

Het onderzoek is na de zitting heropend. De Raad heeft verzekeringsarts M. Wolff-van der Ven als onafhankelijke deskundige (deskundige) benoemd. De deskundige heeft op

19 augustus 2019 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport gegeven.

Op 2 december 2019 heeft de deskundige gereageerd op de zienswijzen.

Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De meervoudige kamer heeft de zaak doorverwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 4 september 2020. Namens appellant is

mr. Amstelveen verschenen. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

17/2783 en 17/8213

1.1.

Appellant was werkzaam als grondwerker voor 40 uur per week, toen hij zich per

26 september 2013 voor dit werk ziek meldde met lichamelijke klachten als gevolg van een auto-ongeluk. Zijn dienstverband is op die dag geëindigd. Door een administratieve fout van zijn werkgever is dit echter pas op 12 december 2013 aan het Uwv doorgegeven.

17/2783

1.2.

In verband met deze ziekmelding heeft appellant op 4 maart 2014 het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 12 december 2013 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van grondwerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 maart 2014 geweigerd appellant per 12 december 2013 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 mei 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

17/8213

1.3.

Op 30 september 2015 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv heeft bij besluit van

23 mei 2016 vastgesteld dat appellant met ingang van 10 december 2015 geen WIA-uitkering wordt toegekend, omdat de wachttijd van 104 weken niet is volgemaakt. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 maart 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

17/2783 en 17/8213

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellant tegen beide bestreden besluiten ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover op 12 december 2013 sprake was van afwijkingen aan de rug en rug(pijn)klachten, niet gebleken is dat deze zodanig waren dat appellant als gevolg daarvan het eigen werk van grondwerker niet kon verrichten. In de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant niet (toegenomen) arbeidsongeschikt is geworden binnen een periode van vier weken na

12 december 2013. De rechtbank heeft overwogen dat dit betekent dat appellant de wachttijd als bedoeld in artikel 23 van de Wet WIA niet heeft volgemaakt en dat het Uwv zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.

3.1.

In de hoger beroepen heeft appellant aangevoerd dat de uit zijn lichamelijke klachten voortkomende beperkingen op 12 december 2013 en in de periode daarna zijn onderschat. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er geen aanleiding is te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de per eind 2016 aanwezige forse rugklachten zich nog niet voordeden rond de datum in geding. Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat ook de overige sinds het ongeval bestaande lichamelijke klachten, zoals beschreven door medisch adviseur R.U. Boelhouwer, zijn genegeerd. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd. Volgens appellant heeft de rechtbank verder ten onrechte geoordeeld dat hij de wachttijd niet heeft volgemaakt en hem ten onrechte om die reden een WIA-uitkering geweigerd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

17/2783

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

In geschil is de belastbaarheid van appellant op 12 december 2013 (datum in geding) en meer in het bijzonder of appellant op die datum geschikt was voor het werk in de functie van grondwerker.

4.3.

Door de in beroep overgelegde medische informatie van onder andere neurochirurg

N.A. Van der Gaag is twijfel ontstaan over het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant op de datum in geding geschikt was voor dit werk. Om die reden heeft de Raad een verzekeringsarts als onafhankelijke deskundige benoemd.

4.4.

De deskundige heeft appellant globaal lichamelijk onderzocht en het dossier en de relevante medische gegevens bestudeerd. De deskundige heeft in het uitgebrachte rapport geconcludeerd dat aannemelijk is dat appellant op de datum in geding een whiplash associated disorder (WAD) had en daarnaast rugklachten die mogelijk destijds al (deels) samenhingen met een aanwezige lysis en listhesis L5. Volgens de deskundige is niet uitgesloten dat ook de in mei 2014 beschreven discopathie C5-C6 en uncovertebraalartrose een half jaar daarvoor al aanwezig waren. Appellant was verder bekend met astma. Het WAD gaf aanleiding voor beperkingen van de nek en armen, om een gedoseerd bewegingspatroon te kunnen creëren. In de periode daarna zijn de rugklachten meer prominent geworden en gelet op de bevindingen van Van der Gaag zijn ook de beperkingen sindsdien toegenomen. De bevindingen van

Van der Gaag kunnen niet op de datum in geding al in volle omvang aan de orde geacht worden. Gelet op de belasting in het eigen werk echter was appellant op de datum in geding alleen al ongeschikt op basis van de beperkingen in relatie tot de whiplash-gerelateerde klachten. Er vindt dan namelijk een overschrijding plaats op onder andere (frequent) buigen, gebogen werken, tillen/kracht zetten en trillingen/schokken.

4.5.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen als de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellant als ook de informatie van de artsen van het Uwv heeft de deskundige bij de beoordeling betrokken. Haar rapport is uitgebreid, inzichtelijk, en consistent gemotiveerd.

4.6.

Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tegen de conclusies van de deskundige heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om van de conclusies in haar rapport af te wijken. De deskundige heeft toegelicht waarom haar lichamelijk onderzoek alleen summier is geweest, namelijk omdat aan de bevindingen daarvan zoveel jaar na de datum in geding weinig waarde kan worden gehecht wat betreft de beoordeling van de belastbaarheid op die datum. De stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de conclusies van de deskundige uitsluitend gebaseerd zijn op anamnestisch verkregen gegevens, wordt niet gevolgd. De deskundige heeft overtuigend toegelicht dat zij de bevindingen van neuroloog B.B. Mook en neurochirurg Van der Gaag heeft meegenomen in haar overwegingen, voor zover dit mogelijk was gelet op de datum in geding. De omstandigheid dat Mook geen neurologische afwijkingen heeft vastgesteld, heeft de deskundige in haar conclusies betrokken. De deskundige heeft van belang geacht dat Mook te kennen heeft gegeven het klachtenpatroon te beschouwen als gevolg van het ongeval, ook al heeft hij geen neurologische afwijkingen gevonden. De deskundige heeft gemotiveerd uiteengezet dat het in het geheel niet aannemen van beperkingen in relatie tot de ervaren (chronische) pijnklachten niet juist is. Het klachtenpatroon is passend bij een WAD zoals ook benoemd door medisch adviseur Boelhouwer en is in aansluiting op het ongeval ontstaan. Het aannemen van beperkingen in de belastbaarheid conform het protocol WAD I/II lijkt de deskundige op de datum in geding plausibel. Juist de weging met de belasting in het eigen werk, dat beschouwd mag worden als zwaar fysiek belastend, ook ten aanzien van nek en armen, maakt dat appellant niet geschikt geacht kan worden voor dit werk op de datum in geding. De deskundige heeft geconcludeerd dat wat betreft de beantwoording van de vragen en de situatie op de datum in geding, er geen noodzaak is voor een onderzoek door een andere deskundige. Er is geen aanknopingspunt voor twijfel aan deze inzichtelijk gemotiveerde conclusies. De stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een aanvullende expertise door een neurochirurg had moeten worden uitgevoerd, wordt daarom niet gevolgd. Bovendien is een verzekeringsarts bij uitstek deskundig om de klachten van een persoon te vertalen naar beperkingen en naar de geschiktheid voor arbeid.

5.1.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd, evenals bestreden besluit 1, omdat de grondslag voor het nemen van dat besluit is vervallen. Inmiddels staat vast dat in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 nog maar één besluit mogelijk is, namelijk dat appellant vanaf 12 december 2013 recht heeft op ziekengeld. Daarom zal zelf in de zaak worden voorzien door het besluit van 6 maart 2014 te herroepen, te bepalen dat appellant met ingang van 12 december 2013 recht heeft op ziekengeld en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 mei 2016.

17/8213

5.2.

Omdat de ongeschiktheid tot werken voortduurt na 12 december 2013, wordt de wachttijd van 104 weken vervuld en zal het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA bij het einde van de wachttijd moeten vaststellen. Dat betekent dat ook de aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd, evenals bestreden besluit 2. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2016 dienen te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

17/2783 en 17/8213

6.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) door het Uwv en door de Staat.

6.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM , is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

6.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

6.4.

Er bestaat aanleiding om de totale omvang van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet te bepalen aan de hand van twee als afzonderlijke procedures te beschouwen zaken, maar als parallelle procedures, waarbij in één procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn door de bestuursrechter is geschonden, omdat, hoewel het hier gaat om uitkeringen op grond van verschillende wetten, de onderwerpen van de procedures niet in een zo ver verwijderd verband tot elkaar staan, dat aannemelijk is dat door de tweede procedure extra spanning en frustratie bij appellant is veroorzaakt.

6.5.

Uitgegaan wordt daarbij van de procedure die het langst heeft geduurd. In het geval van appellant zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 15 april 2014 van het tegen het besluit van 6 maart 2014 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zes jaar en zes maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van de appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en zes maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-.

6.6.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift twee jaar en bijna een maand geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met negentien maanden is overschreden. De behandeling van de rechtelijke fase heeft afgerond bijna vier jaar en vijf maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is elf maanden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Uwv als aan de bestuursrechter toe te rekenen. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252).

6.7.

Uit overwegingen 6.1 tot en met 6.6 volgt dat in verband met overschrijding van de redelijke termijn het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van schade ter hoogte van € 1.583,- (19/30 deel van € 2.500,-)- in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase en dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding tot vergoeding van schade ter hoogte van € 917,- (11/30 deel van € 2.500,-) wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

7. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor de kosten in bezwaarprocedures en voor verleende rechtsbijstand in de beroepen en hoger beroepen. Uitgesplitst gaat het in totaal om veertien verrichtingen van elk € 525,-, te weten: de bezwaarschriften tegen de besluiten van 6 maart 2014 en 23 mei 2014 (twee punten), de in het kader van deze bezwaren verrichte hoorzittingen van 24 september 2015 en 25 januari 2017 (twee punten), de beroepschriften tegen bestreden besluiten 1 en 2 (twee punten), het bijwonen van de zittingen van de rechtbank (twee punten), de hoger beroepschriften tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 (twee punten) en het bijwonen van de zittingen van de Raad (vier punten). Verder gaat het om één verrichting van € 262,50 (een punt met een wegingsfactor van 0,5) voor het indienen van een zienswijze op het deskundigenrapport. Aanleiding bestaat daarnaast om het Uwv en de Staat elk voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 525,- (twee punten voor het indienen van het schadeverzoek en het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 525,- en met een wegingsfactor van 0,5).

De kosten worden in totaal daarmee voor het Uwv begroot op € 7.875,- en voor de Staat op

€ 256,-

8. Ook wordt bepaald dat het Uwv het door betrokkene in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 340,- vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken van 23 februari 2017 en 16 november 2017;

- vernietigt de bestreden besluiten van 9 mei 2016 en 6 maart 2017;

- herroept het besluit van 6 maart 2014;

- bepaalt dat appellant per 12 december 2013 recht heeft op ziekengeld en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 9 mei 2016;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van

23 mei 2016 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 917,-;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.583,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van totaal

€ 7.875,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 256,-.

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierrecht van in totaal € 340,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) H.S. Huisman


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature