< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over het beroep voor zover dat was gericht tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Aan de werkgever kan immers op grond van het bepaalde in artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA na afloop van de zogenoemde wachttijd geen loonsanctie meer worden opgelegd. Het Uwv heeft appellant per einde wachttijd terecht niet in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de werkgever voldoende re integratie-inspanningen heeft verricht.

Uitspraak



19 2197 WIA, 19/3777 WIA

Datum uitspraak: 30 januari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

12 april 2019, 18/810 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is bij [naam B.V.] (werkgever) werkzaam geweest als medewerker schoonmaak voor 30 uur per week. Hij is op 22 juni 2015 arbeidsongeschikt geworden wegens PTSS- en pijnklachten als gevolg van een bedrijfsongeval. In de eerstejaarsevaluatie van 15 juni 2016 is geconcludeerd dat diverse medische interventies nog niet hebben geleid tot enige mogelijkheden tot het verrichten van re-integratieactiviteiten en dat er nog geen vooruitzicht was op een dusdanig herstel dat sprake is van werkhervatting in enige vorm. De werkgever heeft op 20 juni 2016 een deskundigenoordeel aangevraagd. In dat kader hebben een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige onderzoek gedaan en geconcludeerd dat appellant vanwege onvoldoende psychische belastbaarheid geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Op 14 juli 2016 heeft het Uwv onder verwijzing naar die conclusies geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende waren.

1.2.

Na verwijzing door de huisarts is appellant vanaf mei 2016 een op traumaverwerking gerichte behandeling gaan volgen bij Mediant. Daarnaast heeft appellant op 6 september 2016 een intakegesprek gehad bij Carrière Vitaal met het oog op een parallel aan de traumabehandeling in te zetten arbeidstherapeutische interventie.

1.3.

Appellant heeft in januari 2017 de traumabehandeling bij Mediant gestaakt op advies van zijn huisarts. Naar aanleiding van de melding van de bedrijfsarts dat appellant onvoldoende meewerkte aan de re-integratie heeft de werkgever appellant op 16 maart 2017 gewaarschuwd dat mogelijk een loonmaatregel zou volgen indien zijn inzet niet verbeterde.

1.4.

Appellant heeft op 22 maart 2017 een uitkering aangevraagd in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 12 juni 2017 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 19 juni 2017 in aanmerking te brengen voor een WIA‑uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Hierbij heeft het Uwv ook vastgesteld dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Dit besluit is gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

1.5.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Appellant heeft onder verwijzing naar een expertise van psychiater J.M.L. Schoutrop, opgesteld in verband met het bedrijfsongeval, aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de werkgever onvoldoende re‑integratie-inspanningen heeft verricht door een traject bij Carrière Vitaal dat noodzakelijk was voor het weer opbouwen van belastbaarheid geen doorgang te laten vinden. Appellant heeft daartoe een e-mail van 22 december 2016 overgelegd van [X.], zijn belangenbehartiger in de letselschadeprocedure, waarin deze stelt dat de werkgever het traject “on hold” heeft gezet, en een medisch advies aan de werkgever van 13 januari 2017.

1.6.

Bij besluit van 6 april 2018 heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 16 maart 2018 geconcludeerd dat er medisch gezien geen reden was om appellant in 2017 niet te laten re-integreren in passend werk. Hiervan had een activerende stimulus kunnen uitgaan waardoor re-integratiekansen zijn gemist. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 29 maart 2018 geconcludeerd dat de inspanningen voldoende waren ondanks dat er kansen zijn gemist. De bedrijfsarts heeft op 6 februari 2017 geconstateerd dat appellant zich op advies van zijn huisarts aan de behandeling bij Mediant onttrok. Zowel de werkgever als de bedrijfsarts hebben appellant aangesproken op het eenzijdig staken van de behandeling. Gezien de zeer korte tijd tot de feitelijke WIA-aanvraag kwam de werkgever niet toe aan het opleggen van een loonstop, waarbij volgens de arbeidsdeskundige het nog de vraag is in hoeverre de werknemer verwijtbaar handelde nu hij mede op advies van zijn huisarts de behandeling staakte.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen en aanvullende beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank was van oordeel dat appellant gelet op de door hem gestelde schade belang heeft bij een beoordeling van de re-integratie-inspanningen, ook al was het alsnog opleggen van een loonsanctie vanwege het verstrijken van de wachttijd niet meer mogelijk. De rechtbank heeft appellant gevolgd in het standpunt dat het traject bij Carrière Vitaal op instigatie van de werkgever was gestopt en geoordeeld dat niet gebleken is dat het Uwv die omstandigheid bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever had betrokken. Het Uwv heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten en het griffierecht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte uitsluitend een oordeel heeft gegeven over de re-integratie-inspanningen van de werkgever en niet over de beroepsgronden tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 juni 2017. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat zijn beperkingen zijn onderschat en heeft verwezen naar de in bezwaar en beroep ingediende rapporten van psychiater Schoutrop van 9 februari 2018 en 13 juni 2018. Appellant heeft betoogd dat de verzekeringsartsen geen goed beeld hebben gehad van zijn beperkingen en ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de conclusies van Schoutrop, dat de door hem ervaren pijnklachten mogelijk ten dele berusten op een orthopedische en neurologische beschadiging als gevolg van het bedrijfsongeval.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen van appellant bij het beoordelen van zijn mate van arbeidsongeschiktheid juist zijn vastgesteld.

3.3.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 28 augustus 2019 op basis van aanvullend onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het bezwaar van appellant tegen het niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever opnieuw ongegrond verklaard. Het Uwv heeft verzocht dit besluit in de procedure te betrekken.

3.4.

Appellant heeft gereageerd op het nadere besluit van het Uwv en zijn standpunt gehandhaafd dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het nadere besluit van 28 augustus 2019 wordt, nu daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht , bij het geding in hoger beroep betrokken.

De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid bij besluit van 6 april 2018

4.2.

Zoals appellant terecht heeft betoogd, heeft de rechtbank ten onrechte geen oordeel gegeven over het beroep voor zover dat was gericht tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Aan de werkgever kan immers op grond van het bepaalde in artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA na afloop van de zogenoemde wachttijd geen loonsanctie meer worden opgelegd (zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Raad van 28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:298). Dit betekent dat het hoger beroep op dat onderdeel slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

4.3.

Ter zitting hebben partijen gereageerd op elkaars standpunten en is komen vast te staan dat alle relevante informatie voorhanden is om tot een inhoudelijk oordeel te komen. Nu partijen hebben aangegeven geen behoefte meer te hebben aan een (nadere) inhoudelijke behandeling in twee instanties ziet de Raad aanleiding om, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, dit onderdeel van het bestreden besluit inhoudelijk te beoordelen.

4.4.

De Raad is van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsartsen geen volledig beeld hadden van zijn medische beperkingen. Zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellant op het spreekuur gezien en onderzocht. Zij hebben de informatie van de bedrijfsarts, behandelend artsen en de door appellant ingebrachte psychiatrische expertise op een inzichtelijke wijze in hun beoordeling betrokken.

4.5.

In de door appellant overgelegde medische informatie ziet de Raad voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 mei 2017 zijn zowel in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren als voor het werken in een lawaaiige omgeving beperkingen aangenomen. De verzekeringsartsen hebben met toepassing van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen reden is om voor appellant een urenbeperking aan te nemen. Voor het aannemen van fysieke beperkingen hebben de verzekeringsartsen geen aanleiding gezien vanwege het ontbreken van medisch objectiveerbare afwijkingen. Dit oordeel is afdoende gemotiveerd. Psychiater Schoutrop heeft geconcludeerd dat de pijnklachten mogelijk worden veroorzaakt door, buiten zijn vakgebied liggende, orthopedische of neurologische oorzaken. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 23 augustus 2018 terecht heeft opgemerkt ontbreekt voor dit standpunt een medische onderbouwing. Appellant heeft ook in hoger beroep geen objectiveerbare medische informatie overgelegd die aanleiding geeft tot het oordeel dat het Uwv de beperkingen heeft onderschat of geconcretiseerd op welke punten zijn beperkingen zijn onderschat.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 29 mei 2017, mede gelet op de toelichting op de signaleringen die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten van 29 maart 2018 en 2 juli 2018 heeft gegeven, heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies voor appellant in medisch opzicht passend zijn te achten. Het Uwv heeft appellant per einde wachttijd dan ook terecht niet in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering zodat het beroep tegen dit onderdeel van het bestreden besluit niet kan slagen.

De weigering om de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever te verlengen bij besluit van 28 augustus 2019

4.7.

Voor een overzicht van de geldende regelgeving en jurisprudentie wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.8.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de arbeidsdeskundige nadere vragen gesteld aan de werkgever over de gang van zaken rondom het “on hold” zetten van het traject bij Carrière Vitaal. Uit de informatie van de verzekeraar van de werkgever, Cordaet van 31 juli 2019, blijkt dat er eind 2016 grote twijfel was over de belastbaarheid van appellant, in het bijzonder twijfel of het traject bij Carrière Vitaal niet te snel kwam. Om die reden is ervoor gekozen om eerst de aard en ernst van de gestelde klachten in kaart te brengen waarna er zou worden ingezet op het verhogen van de belastbaarheid en aansluitend re-integratie. Deze informatie spoort met de inhoud van het door appellant overgelegde medisch advies aan de werkgever van 13 januari 2017 en met het intakeverslag van Carrière Vitaal waarin is geconcludeerd dat appellant zwaar getraumatiseerd is en nog lang niet klaar is voor een terugkeer naar werk en waarin ook twijfel doorklinkt over de kans van slagen gezien de nog zeer geringe belastbaarheid van appellant. Ook uit de bevindingen van de bedrijfsarts en de informatie van de behandelaars van appellant kan worden afgeleid dat appellant tot zeker eind 2016 geen benutbare mogelijkheden had, aangezien zijn belastbaarheid ondanks diverse therapeutische interventies niet wezenlijk was verbeterd nadat eind 2016 ook de EMDR behandeling bij Mediant niet succesvol was verlopen. Voor het standpunt van appellant dat frustratie over het “on hold” zetten van het Carrière Vitaal traject debet is geweest aan het mislukken van de traumabehandeling kan geen onderbouwing worden gevonden in de bij de bedrijfsarts beschikbare informatie van Mediant en van de huisarts. Appellant heeft zijn huisarts op 20 december 2016 bezocht en op diens advies de behandeling bij Mediant gestaakt omdat de traumabehandeling op dat moment te belastend werd geacht voor appellant. Ook blijkt uit de informatie van Mediant dat de behandeling al langere tijd stroef liep, dat appellant van mening was dat Mediant hem niet beter maakte en om die reden de huisarts heeft gesproken. Uit deze omstandigheden leidt de Raad af dat het staken van de medische behandeling doorslaggevend is geweest voor het mislukken van de re-integratie, te meer nu die behandeling door Carrière Vitaal randvoorwaardelijk werd geacht voor een succesvol verloop van een arbeidstherapeutische interventie.

4.9.

De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 26 augustus 2019 navolgbaar geconcludeerd dat het invoelbaar was dat appellant het advies van zijn huisarts zwaarder liet wegen, en dat hiervan uitgaande ook de werkgever geen blaam treft bij het onderbreken van het Carrière Vitaal traject, mede nu dit niet was beëindigd maar was onderbroken in afwachting van een verder herstel van appellant. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige terecht meegewogen dat er nog slechts een korte periode resteerde tot de aanvraag van de WIA‑uitkering. De Raad acht deze motivering gebaseerd op aanvullend onderzoek overtuigend. Het Uwv heeft op goede gronden geweigerd om de loondoorbetalingsplicht van de werkgever van appellant te verlengen.

4.10.

Uit de overwegingen 4.8 en 4.9 volgt dat het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2019 ongegrond is. Gelet op dit oordeel is een veroordeling tot vergoeding van schade vanwege het niet opleggen van een loonsanctie niet mogelijk zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Nu het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, gegrond is ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

verklaart het beroep tegen het besluit van 6 april 2018, voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% is vastgesteld, ongegrond;

verklaart het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2019 ongegrond;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.050,-;

bepaalt dat het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter en T. Dompeling en

M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

De griffier is verhinderd te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature